Leesfragment: Mendelssohn op het dak

27 november 2015 , door Jiri Weil
| | | |

7 maart verschijnt in de reeks Cossee Century Jirí Weils Mendelssohn op het dak (Na streše je Mendelssohn, vertaald door Kees Mercks), met nawoorden van Philip Roth en Kees Mercks. Wij publiceren dit weekend de eerste pagina's voor.

 

Praag 1939. Julius Schlesinger heeft van de woedende Reichsprotektor Heydrich persoonlijk het bevel gekregen om het standbeeld van Mendelssohn uit de galerij van componisten op het dak van het concertgebouw te verwijderen. Maar de SS-officier heeft hoogtevrees en geen idee welk standbeeld dat van Mendelssohn is. Dus geeft hij twee Tsjechische werklieden opdracht om het beeld met de grootste neus omver te trekken.

 

Maar de mannen leggen het touw om de nek van Richard Wagner, de favoriete componist van Hitler! Schlesinger probeert zijn fout goed te maken met de hulp van een geleerde Jood. Maar eenmaal op het dak meldt Dr. Rabinovich dat hij geen verstand heeft van standbeelden, die volgens de Joodse traditie niet mogen worden gemaakt. En dat Felix Mendelssohn bij zijn geboorte gedoopt is en door hem dus niet als Jood wordt beschouwd. Maar Heydrich wil onmiddellijk resultaat zien...

 

Toen Zeus alle misdaden en onrechtmatigheden ter ore kwamen die de mensheid had begaan, zoals moorden, meineden, bedriegerijen, berovingen en bloedschande, besloot hij al het leven op aarde te vernietigen. Ontploffingen legden alle menselijke woonoorden plat, overstromingen teisterden de velden, zware wolkenpartijen zaaiden dood en verderf, totdat uiteindelijk alleen Deucalion en zijn vrouw Pyrrha op aarde over waren gebleven. Zeus had hen gespaard, omdat zij rechtvaardige mensen waren. Ze vestigden zich op de berg Parnassus in het land Phokis. Toen losten de dodelijke wolken ineens op, de zon brak door en tussen de wolkjes door scheen weer een blauwe hemel. Edoch, Deucalion en Pyrrha waren in tranen, eenzaam als ze waren te midden van die woestenij. Ze richtten een altaar op voor Themis, de godin van de gerechtigheid, en smeekten haar hun te leren hoe ze het menselijke geslacht weer tot leven zouden kunnen wekken. Zijzelf waren immers al te oud daarvoor en konden in hun eentje de aarde niet bevolken. Toen gaf de godin hun de raad het gezicht te verhullen en stenen achter hun rug op de grond te werpen. Ze volgden deze raadgeving van de godin op en telkens wanneer er een steen op de harde grond in stukken brak, werd daar opnieuw een mens uit geboren.

I

Antonín Becvár en Josef Stankovský liepen langs de standbeelden op het dak. Het was geen gevaarlijke onderneming, de beelden stonden op een balustrade, het was geen dak met kammen, het was vrijwel recht. Julius Schlesinger, gemeenteambtenaar en lid van de gewone SS, niet eens van de Waffen-SS, zonder rang en alleen maar kandidaat-lid, durfde het dak niet op. Met een hogere rang zou hij hier niet achter een hekje hebben hoeven te staan, dan zou hij wellicht een beter baantje bij de Gestapo hebben gehad, maar bij de gemeente had hij een makkelijker leventje. Hoever kon hij het als voormalige slotenmaker ook schoppen? Tenzij hij zich naar het front zou laten sturen, naar het Oosten, en dat zou niet zo best zijn. Hij had het tot dan toe prima naar zijn zin bij de gemeente, pas van nu af aan zou de narigheid beginnen.
Hij durfde het dak niet op. De werklieden van de gemeente lachten vol leedvermaak in hun vuistje – wat een lafbek, die is te bang om achter dat hekje vandaan te komen en schreeuwt alleen maar zijn bevelen naar hen. Natuurlijk moest je met Duitsers altijd oppassen, die hadden zoveel mensen opgesloten of om niets en niemendal naar het rijk gestuurd, bijvoorbeeld alleen al omdat iemand een bevel niet meteen had opgevolgd.
Schlesinger kende Tsjechisch, hij kwam uit het Noord-Boheemse stadje Most, waar Tsjechisch werd gesproken, en hij had enige tijd bij de tramfabriek Ringhoffer gewerkt. Al voor de bezetting op 15 maart 1939 had hij een opdracht moeten uitvoeren. Hij had gedacht dat die klus hem meer zou hebben opgeleverd, want hij moest zich voordoen als een Duitse sociaaldemocraat om daar tussen de arbeiders stand te kunnen houden, en dat was geen eenvoudige taak. Toch hadden ze hem alleen maar een baantje bij de gemeente bezorgd en hem kandidaat-lid gemaakt van de SS. Aan alles had louter zijn naam schuld. Had hij maar Dvorzacek geheten of Nemetschek, dan had het niets uitgemaakt, met zulke namen liepen honderden mensen rond zonder daar enige last van te hebben, maar Schlesinger en dan nog Julius, dat leek wel een joodse naam en daarmee wekte hij overal argwaan. Daarom droeg hij altijd zijn ariërpapieren bij zich, die teruggingen tot op zijn overgrootvader en -moeder, maar ook dat was weer verdacht, papieren konden vervalst zijn. Ook bij Ringhoffer was hij met vervalste papieren gekomen, die had hij van een politiek leider in Most gekregen.
Maar hem kreeg niemand het dak op, hij had last van hoogtevrees, hij was ook benauwd voor de straffe Gods omdat hij zich als gelovige, als vrome katholiek, aan grafschennis had schuldig gemaakt, dat had niet mogen gebeuren, dat had hij niet mogen doen. Hij had wel een smoes kunnen bedenken of een ziekte voorwenden, maar waarschijnlijk zou dat niet geholpen hebben, ze zouden hem dan naar het front hebben gestuurd, misschien wel naar een strafpeloton. Het bevel om het stoffelijk overschot van de Onbekende Soldaat weg te halen was regelrecht van Frank gekomen, zoals Krug hem uitdrukkelijk had gezegd, en die had het bevel weer van Giesse gekregen, nee, hier was niets anders voor hem overgebleven dan te gehoorzamen. Bovendien was hij vroeger slotenmaker geweest, wie zou er beter geschikt zijn voor die opdracht?
Hier op het dak ging het om iets anders. Een standbeeld neerhalen, een joods beeld, een beeld van een jood en dan ook nog eens een componist, was geen doodzonde, een standbeeld kon niet met een klacht bij de hemelse troon aan komen zetten. Maar wie kende Gods wegen, het was weleens voorgekomen dat een standbeeld iemand had gestraft, dat had hij in een opera gezien. Maar zou zo’n beeld dat ook op klaarlichte dag kunnen doen? Het waren vreemde tijden tegenwoordig, gewone wetten golden er niet, de dag kon zo in de nacht veranderen, voor zo’n zware zonde bestond geen erbarmen. Wie zou hem die nijptang vergeven, die schroevendraaiers, blikschaar en ijzerzaag? Voor zo’n zonde bestond geen absolutie, tenzij hij een bedevaart naar Rome zou ondernemen, zoals dat in oude tijden de gewoonte was, en hij bij de paus om vergeving zou vragen. Maar wat zouden zijn meerderen daar niet van zeggen, die ellendeling van een Krug of die dikzak van een dr. Buch, die een vertrouweling was van de Gestapo? Ze hadden hem immers gedwongen een verklaring te ondertekenen dat hij niets zou verraden, zelfs niet aan zijn eigen gezin, anders riskeerde hij de doodstraf, en als hij het bij een pastoor zou opbiechten, zou die hem kunnen aangeven – ook onder pastoors had de Gestapo zijn agenten. Hun macht reikte weliswaar niet tot bij de paus, maar hoe kon hij toegang tot de paus krijgen? Misschien kon hij wel een of andere smoes bedenken, waardoor zijn straf hem niet eerder zou bereiken dan de pauselijke vergeving van zijn zonden, anders zou hem niets meer baten en zou hij eeuwig moeten branden in de hel.
De werklieden sleepten een dik touw met een strop achter zich aan en kuierden onverschillig langs de balustrade. Er stonden daar vele standbeelden en allemaal stelden ze musici voor. De mannen keken naar de straat beneden zich, die was leeg, hoe anders, het was een doordeweekse dag, iedereen was op zijn werk, de universiteiten waren gesloten, af en toe glipte er iemand bij het Museum voor Toegepaste Kunst naar binnen. Hier wandelde men niet graag, hier was een SS-kazerne dichtbij en joodse kantoren, het was hier een SSzone. Zo’n stomme klus om met een eind touw over het dak te lopen en een standbeeld uit te zoeken, zoiets konden alleen moffen bedenken met hun grondige aanpak. En Joost mocht weten of twee mannen wel zo’n groot standbeeld aankonden. Schlesinger had er niet méér mensen bij willen betrekken, anders werd de kans groter dat erover zou worden gepraat. Ze hadden hem moeten zweren dat ze er hun mond over zouden houden, wat een stom gedoe, alsof niemand het zou merken dat daar straks een beeld ontbrak. Maar met de nieuwe machthebbers viel niet te praten. Waarom moesten ze zo lang op dat dak rondkoekeloeren, waarom kwam Schlesinger niet zelf achter dat hekje vandaan om ze te zeggen hoe en wat.
‘Chef, we willen aan de slag, kunt u niet even aanduiden waar dat beeld staat, bijvoorbeeld gewoon het met uw vinger aanwijzen,’ vroeg Becvár toen hij zich niet langer in kon houden.
Schlesinger beviel het niet dat hij met ‘chef’ werd aangesproken, deze mensen hadden er geen idee van wat ze tegen hun meerderen moesten zeggen, hun was geen discipline bijgebracht, niemand had hen op marsoefeningen gestuurd, zoals hem was overkomen, zij hadden alleen maar interesse voor hun zwarte handeltjes en voor de groente die ze in hun tuintjes kweekten. Hij snauwde ze toe: ‘Maak een rondje langs die balustrade en kijk op de sokkels of jullie de naam Mendelssohn tegenkomen. Jullie kunnen toch wel lezen?’
‘Hoe heet die jood ook al weer?’ vroeg Stankovský. Hij drukte zijn gemeentepet steviger op zijn hoofd, anders woei die nog af, hij was zeer gesteld op zijn gemeentepet en beschouwde die als een soort rang. Die baan betekende voor de oorlog nog iets. Niet iedereen was zomaar gemeentewerkman, hij behoorde tot het gemeentepersoneel en had recht op pensioen. Alleen wist je het maar nooit met die Duitsers. Maar ja, een pet is een pet.
‘Men-dels-sohn,’ antwoordde Schlesinger met de klemtoon apart op elke lettergreep.
‘O, die,’ zei Becvár.
Ze slenterden langs de balustrade en bekeken de sokkels. Dat daar geen opschriften op stonden, wisten ze allang, maar als Schlesinger wilde dat ze nu een rondje liepen, waarom zouden ze hem dan niet ter wille zijn?
Becvár liet weten: ‘Chef, er staan geen opschriften op de sokkels. Hoe weten we dan wie Mendelssohn is?’
Daar zat Schlesinger lelijk mee in de maag. Niemand had hem verteld hoe dat standbeeld van die jood eruitzag. Maar ook al had iemand dat gedaan, dan had het toch niet gebaat, want al die beelden leken sprekend op elkaar. Hij had erop vertrouwd dat er opschriften op de sokkels stonden, dat was gebruikelijk bij beelden. Hij kon en mocht het ook aan niemand vragen. Hoe het beeld van Mendelssohn eruitzag, wist waarschijnlijk alleen plaatsvervangend Reichsprotektor Heydrich, ook Frank zou het niet weten, laat staan Krug of Giesse. Ja, Heydrich zou het weten, die was musicus. Maar wie zou het wagen hem dat te vragen?
Schlesinger stond achter het hekje toe te kijken, koortsachtig piekerde hij en keek naar de beelden. Ook al zou hij zichzelf ertoe dwingen het dak op te gaan, hij zou die jood er toch niet tussen al die beelden uit halen, net zo min als die werklui. Die werklieden stonden daar op hun gemak op een bevel van hem te wachten. Waarschijnlijk lachten ze hemuit,maar dat was ze niet aan te zien; hun gezichten stonden dof en uitdrukkingsloos, ze zeiden vast onder elkaar: als we moeten wachten, dan wachten we, wij hebben de tijd.Natuurlijk moest hij, Schlesinger, het bevel uitvoeren. Dat was regelrecht van de plaatsvervangend rijksprotector gekomen en die was nog onverbiddelijker dan Frank. En een bevel niet opvolgen – iedereen wist wat dat betekende. Krug had hemnog voordat ze die expeditie naar het Raadhuis aan het Oudestadsplein hadden ondernomen, uitgelegd dat er in het achterland dezelfde wetten golden als aan het front. En het front was overal, al helemaal in dit land, waar iedereen de taak had op die Untermenschen de rijkswetten toe te passen, juist in dit land moesten de militaire wetten gelden. Het niet opvolgen van een bevel betekende de dood. Ook al was dat bevel onbegrijpelijk.
‘O ja,’ zei Becvár.
‘Misschien is dat touw wel niet sterk genoeg en breekt ’t. Dat zouden we eerst moeten uitproberen, tja, maar iedereen heeft altijd zo’n haast,’ bromde Stankovský. Hij had daar nog aan willen toevoegen: en nu staan we hier duimen te draaien, maar hij bedacht zich. Schlesinger brak zich ergens het hoofd over en kookte vanbinnen. Die moffen waren allemaal stapelgek. Straks zou het twaalf uur zijn en als ze over een uur niet klaar waren, zouden ze nog het warm eten in de kantine mislopen.
Schlesinger kreeg ten slotte een lumineus idee: ‘Maak nog één rondje langs de balustrade en let dan aandachtig op de neuzen. Wie de grootste neus heeft, moet wel die jood zijn.’
Schlesinger had een cursus wereldoriëntatie gedaan, daar hadden ze lessen ‘rassenleer’ gegeven en daarbij dia’s getoond. Op die dia’s hadden ze alleen maar neuzen gezien met daarnaast de afmetingen, elke neus was zorgvuldig opgemeten. Het was een heel diepgaande en ingewikkelde wetenschap, maar de conclusies waren eenvoudig. Men was tot de slotsom gekomen dat joden de grootste neuzen hadden.
De werklieden maakten hun rondje langs de beelden. Wat een stomme klus om na te gaan welk beeld de grootste neus had. Becvár haalde een inklapbare, houten duimstok tevoorschijn, die had hij altijd bij zich. Hij had voor meubelmaker geleerd voordat hij bij de gemeente kwam, en na zijn werk timmerde hij konijnenhokken. Hij had daar een goede bijverdienste aan, de mensen vochten om hem, konijnen waren in trek.
‘Kom op zeg,’ zei Stankovský en gaf hem een duw, ‘we gaan onze tijd toch niet verdoen met neuzen meten? Het is nou belangrijker dat we onze warme hap niet mislopen. We zien toch in één oogopslag wie de grootste neus heeft, of niet?’
‘Kijk daar eens,’ riep Becvár uit, ‘die daar met die baret op, geen ander beeld heeft zo’n grote neus. Kom, Jos, ik gooi die strop vast om z’n nek.’
‘Prima,’ zei Stankovský instemmend, ‘vooruit dan maar.’
Ze trokken aan het touw en het standbeeld begon al te wankelen. Schlesinger keek van achter het hekje toe.
Opeens begon hij te schreeuwen: ‘Jezusmina, niet doen, stoppen!’ Becvár en Stankovský lieten het touw vieren. Die mof ging me daar tekeer. Laat hij zelf komen kijken welk beeld de grootste neus heeft, laat hij eens achter dat hekje vandaan komen.
Van angst brak Schlesinger het zweet uit. Hij kende geen enkele van deze beelden, op een na, dít. Dat was toch Wagner, de grootste Duitse componist, dat was niet de eerste de beste muzikant, maar een van die lieden die het Derde Rijk hadden helpen stichten? Zijn portretten en gipsafgietsels hingen in alle huizen en op cursus hadden ze het ook over hem gehad.
De werklieden wisten het ook niet meer en lieten het touw los, de strop om de nek van Richard Wagner wipte op en neer.
Schlesinger zweeg en dacht hard na. Daarna vroeg hij: ‘Had dit beeld echt de grootste neus?’
‘Zou ik wel zeggen, chef,’ zei Becvár, ‘de andere hebben maar heel gewone.’
‘Pak je spullen,’ gelastte Schlesinger, ‘we gaan naar het Raadhuis.’
Becvár en Stankovský haalden de strop van Wagners nek en slenterden naar het hekje.
Schlesinger keek niet naar hen, maar daalde de trappen af. Het beeld was dus toch verschenen om hem te straffen. Anders dan in die opera, maar de wraak van een standbeeld was het wel. En dan nog wel op klaarlichte dag.
Destijds had hij die doodzonde ’s nachts gepleegd. Ze waren om tien uur ’s avonds aangekomen en waren voor het Raadhuis aan het Oudestadsplein gestopt. In de wagen zaten twee gestapo’s. Hij had nijptang, schroevendraaiers, vijl, blikschaar en ijzerzaag bij zich. De wagen reed de binnenplaats op. Via de achteringang waren ze het Raadhuis binnengegaan. Daar wachtte Krug op hen. Die twee gestapo’s giechelden, ze waren kennelijk dronken, maar gedroegen zich toch vrij kalm, ondanks hun dronkenschap wisten ze zich te beheersen. En hij waggelde tussen hen in met zijn gereedschap en deed of ook hij dronken was, ofschoon hij geen druppel op had en niet had kunnen eten sinds Krug hem had gebeld. Deze had hem uitgelegd wat voor klus hij moest opknappen en had hem een verklaring laten ondertekenen. Ze daalden daarna de trap af, de kapel in. De gestapo’s maanden hem tot spoed en sisten: ‘Schnell, schnell,’ aldoor maar en mechanisch, het waren ingestudeerde woorden. Eerst verwijderden ze de linten van de kransen, voor dat werkje hadden ze hem niet nodig, dat konden ze zelf wel af, ze hadden al dozen klaargezet. Ze grijnsden bij het werk en hun gezichten zagen er in het matte licht van de afgedekte gloeilampen in de crypte uit als de gezichten van duivels. Ja, als duivels zonder naam, maar met woorden die uitgestoten werden alsof ze uit de hoorn van een fonograaf kwamen, ze stonden links en rechts van hem. Toen begon zijn werk. Hij schroefde het deksel van de lijkkist, rukte de versiersels eraf, knipte met de blikschaar de kist open en rolde de metalen strips op tot ronde schijven. Hij deed alles mechanisch, als een werktuig. Daarna haalde hij er het houten kistje uit waarin de stoffelijke resten lagen van de Onbekende Soldaat en een bergje aarde. Hij droeg dit alles de crypte uit en zette het in de wagen. De gestapo’s hielpen hem er niet bij. Op de binnenplaats stond Krug op hem te wachten, die keek op de lichtgevende cijferplaat van zijn horloge, net zo een als aan officieren aan het front werd meegegeven.
Hij zei: ‘Het is nu twee uur. Prima werk en snel gedaan. Ik zal u voordragen voor het IJzeren Kruis tweede klas. Ik zal hier een aanvraag voor indienen bij burgemeester Pfitzner.’
Hij gaf geen antwoord, maar zeulde zijn vrachtje verder. Ze konden denken dat hij moe was, ze konden zich van alles in het hoofd halen. Zwijgend gingen ze in de wagen zitten, ze lieten hem op de achterbank tussen hen in zitten en plaatsten het vrachtje op de stoel naast de chauffeur. Ze reden door de doodse, verduisterde stad, ze reden de brug over naar de overkant van de rivier. De rivier leefde tenminste, die was door zijn glans zichtbaar te midden van die duistere leegte rondom. Hij kon zich niet goed indenken hoe ze reden, eerst dacht hij dat ze rechtstreeks naar de Bredovská-straat zouden gaan en dat de Gestapo de stoffelijke resten daar over zou nemen. Maar ze reden met de zwarte limousine pijlsnel naar ergens verder weg. Hij prevelde schietgebedjes in zichzelf. De gestapo’s sliepen. Ze reden nog een brug over, Schlesinger herkende het buurtje rond Rokoska. Ze wilden toch niet met dit vrachtje via de Rumburkse straatweg naar het Reich? Of ze zouden toch niet naar Panenské Brežany rijden om Heydrich zich daar persoonlijk van de inhoud van het houten kistje te laten vergewissen. Nee, ze sloegen linksaf, in de richting van de rivieroever in de wijk Trója. De chauffeur had kennelijk instructies. De wagen hield vlak bij de rivier stil. De gestapo’s werden wakker en stommelden samen met hem de wagen uit. De chauffeur haalde van onder zijn zitting een grote zak tevoorschijn. De gestapo’s begonnen stenen te verzamelen en gelastten hem hetzelfde te doen. Alles gebeurde heel stil en bij het blauwe schijnsel van afgeschermde zaklantaarns. Ze propten het houten kistje met de metaalstrips en stenen in de zak. Daarna zwaaiden ze die heen en weer en wierpen hem in het water. Pas toen sprak een van de gestapo’s: ‘Klus geklaard.’
Ze zetten hem uit de auto op de plek waar ze vandaan gereden waren, op het Oudestadsplein, dicht bij zijn woning in een nieuw pand in de Dlouhá-straat. Zo was er een einde gekomen aan de nacht van zijn doodzonde. En thans wreekte zich een geest op hem, thans was het standbeeld van de joodse musicus gekomen om hem ervoor te straffen dat hij had meegeholpen de stoffelijke resten van de Onbekende Soldaat weg te halen. Sinds die nacht leefde hij aldoor in angst, aldoor moest hij aan die vreselijke daad denken, van zowel graf- als heiligschennis. Maar had hij soms anders gekund, hoe had hij zich eruit kunnen redden nu Krug hem zo bedreigd had en die twee van de Gestapo hem bij alles zo in de gaten hadden gehouden.
‘Het niet opvolgen van een dienstbevel betekent de dood,’ had Krug destijds gezegd en dat gold nog steeds zolang de oorlog voortduurde, en misschien ook zelfs tot na de oorlog.
Het had nu geen enkele zin het hoofd te pijnigen met zelfverwijten. Hij overhandigde zonder een woord te zeggen de sleutels van de zolderverdieping aan de portier van het gebouw, die hem nergens naar vroeg, hoe zou hij ook durven.
Hij liep naar buiten. De werklieden hadden niet de moed naast hem mee op te lopen, maar volgden hem vlak op de hielen en leken zich vrolijk te maken over zijn tegenslag, het was alsof ze erop wachtten dat hij in een zwarte wagen naar de Bredovská-straat zou worden afgevoerd om daar te worden verhoord.
‘Wat willen jullie,’ snauwde hij ze toe.
‘O, niets, chef,’ begon Becvár kalmpjes, ‘wij zouden wel graag een hapje gaan eten als ’t toch niets wordt met dat standbeeld. Na het eten staan we dan weer paraat, dat spreekt, als er weer wat met dat beeld gedaan moet worden.’
‘Ingerukt mars!’ riep Schlesinger. ‘Als ik jullie weer nodig heb, weet ik jullie te vinden. Bijvoorbeeld onder het eten.’
De werklieden liepen naar de kantine, Schlesinger ging de deur van het Raadhuis in.
‘Prima,’ zei Becvár.
‘Die mof is stapelgek, en als eten hebben we weer piepers met jus,’ zei Stankovský met een zucht.
Schlesinger vroeg niet eens of Krug wel in zijn kantoor was. Krug zat aan tafel en stond niet eens op, hij bromde alleen maar iets ter begroeting. Maar aan zijn gezicht zag Schlesinger dat er iets niet in de haak was. Krug was een sluwe vos, hem ontging niets, die wist alles.
‘En?’ vroeg Krug streng. ‘Bevel ten uitvoer gebracht? Giesse informeerde al bij me.’
‘Nee,’ antwoordde Schlesinger zachtjes.
‘Hoezo niet?’ schreeuwde Krug. ‘Heb je voor zo’n stom karweitje niet genoeg aan die twee ellendelingen; nog vandaag stuur ik ze naar de Totaleinsatz. Die vreten hier in het protectoraat hun buik maar vol en zijn niet eens in staat een simpel standbeeld neer te halen. U had ze een handje moeten helpen, Schlesinger, of ze meer achter de vodden moeten zitten. Die nalatigheid van u is laakbaar. Zo zal er voor u niets anders op zitten dan dat IJzeren Kruis aan het front in de wacht te slepen.’
Schlesinger stond in de houding en beefde. Met moeite stamelde hij: ‘Die standbeelden zijn niet van namen voorzien. En ik kon die jood er niet tussenuit halen.’
Krug blafte hem een schunnig scheldwoord toe. Daarna deed hij er het zwijgen toe. Ze zwegen beiden, Schlesinger netjes in de houding met de handen in de zij en Krug aan tafel met zijn benen over elkaar geslagen.
Heilige Maagd Maria, Moeder Gods, Voorspreekster in de Hemel, misschien valt het nog wel mee, nu Krug hem niet meteen liet afvoeren. Die hoefde maar één nummer te draaien en naar één toestel te vragen, dan waren ze hier al binnen één minuut. Maar Krug zweeg, die zat ook met de gebakken peren. Natuurlijk, ja, Krug was Giesse verantwoording schuldig, Giesse Frank en Frank Heydrich, en als het bevel niet zou zijn uitgevoerd, dan zouden Heydrich en Frank hen allemaal laten opsluiten, misschien zou hij alleen Giesse sparen, die zouden ze waarschijnlijk alleen maar gevangenisstraf geven, Heydrich had Giesse nodig, maar Krug zou de pineut zijn. Hem zouden zijn verdiensten van voor de oorlog niet baten, zelfs niet zijn deelname aan de veldtocht naar Polen.
Krug zei ten slotte vreedzaam: ‘Het bevel moet wel worden uitgevoerd, onze generaal duldt geen uitvluchten.’ (Met opzet gebruikte hij de militaire titel van Heydrich om zo het gewicht van het dienstbevel te benadrukken.) ‘Wat wilt u nu ondernemen?’
Schlesingers hoofd tolde. Gauw iets bedenken, iets bedenken om tijd te winnen. Maar hij kon nergens op komen. Het aan Giesse vragen wanneer die weer zou bellen? Maar dat zou betekenen: toegeven dat het bevel niet was uitgevoerd, en bovendien kon Giesse hun geen raad geven, die wist evenmin hoe dat beeld eruitzag, dat wist alleen Heydrich. Straks zou Krug weer beginnen te schreeuwen, die kneep hem ook en zou zich tegen elke prijs willen verweren, de telefoon stond voor hem op tafel. Nog even en hij zou de hoorn opnemen. ‘Ik denk,’ stelde Schlesinger voor, ‘dat we hulp moeten vragen in de SS-kazerne. Die is niet ver van het concertgebouw, daar hebben ze vast wel iemand die verstand heeft van muziek. We hebben een direct bevel van de plaatsvervangend rijksprotector, dus moeten ze ons wel ter wille zijn.’
Krug overwoog het. Schlesinger was weliswaar een idioot, maar dit idee was zo slecht nog niet. Het zou handiger zijn je direct tot de Gestapo te wenden, daar hebben ze overal experts voor, daar vind je vast ook mensen die iets van muziek af weten, alleen was het nogal een hachelijke zaak de Gestapo voor je karretje te spannen. Daarvandaan werd zoiets direct bij het protectoraat gemeld en voordat het beeld goed en wel neergehaald zou zijn, zou Heydrich weten wat een prutser die Krug was. En dan zou hij zijn straf niet ontlopen, want Heydrich kende geen erbarmen. Terwijl ze er op het hoofdkwartier van de SS niet omzoudenmalen. Die zijn daar gewend dienstbevelen op te volgen zonder te vragen waaromen waarvoor. Die gaan het niet navragen bij het protectoraat, voor hen was het genoeg als ze wisten dat Krug Scharführer was en Schlesinger Anwärter.
‘Probeer het,’ stemde Krug genadig in, ‘en meld mij de uitkomst.’
De telefoon rinkelde. Giesse, dacht Schlesinger bij zichzelf. Krug antwoordde: ‘Nog niet – vandaag wel – kleine vertraging – technische problemen – ja, snap ik – bevel van de hoogste instantie – komt voor elkaar, daar kunt u van op aan.’
Krug legde de hoorn op de haak en brieste tegen Schlesinger: ‘En nou wegwezen, ik wil u niet eerder zien dan wanneer dat beeld is weggehaald. Begrepen?’
Schlesinger sloeg de hakken tegen elkaar en nam op de voorgeschreven wijze afscheid. Krug reageerde niet eens.

© 1960 Erven Jirí Weil, Dilia Agency, Praag
Nederlandse vertaling © 2012 Kees Mercks en Uitgeverij Cossee BV, Amsterdam
Nawoord © 1988, 2012 Philip Roth, Wylie Agency, Londen
Nawoord © 2012, Kees Mercks

Utgeverij Cossee

MINDBOOKSATH : athenaeum