Leesfragment: Midzomernacht

27 november 2015 , door Chris Adrian
| |

1 maart verschijnt Midzomernacht, de Nederlandse vertaling van Great Night, de nieuwste roman van Chris Adrian. Vanavond kunt u op onze website al het eerste hoofdstuk lezen.

San Francisco, midzomernacht 2008. Drie mensen die elkaar niet kennen zijn op weg naar hetzelfde feest. Geen van drieën heeft zin,maar een feest kan helpen het verdriet over hun verloren liefdes te verwerken. Omdat ze laat zijn, besluiten ze de kortere route door het Buena Vista Park te nemen. Maar daar is ook de sprookjeswereld van de rouwende Titania. Juist deze midzomernacht verbreekt zij een oude bezwering en raakt het park in de ban van de wraakzuchtige Puck. In dit angstaanjagende universum ontmoeten de drie elkaar en samen zoeken ze naar een uitweg. In deze moderne versie van Shakespeares Midzomernachtsdroom vervlecht Adrian drie moderne liefdesverhalen met een sprookjes liefde. Speels, hartverscheurend, geestig en ja, heel erg vreemd.

1

Op een avond midden in juni liepen er drie mensen met liefdesverdriet omstreeks dezelfde tijd, even na donker, het Buena Vista Park in. De een kwam uit het noorden, vanaf de Haight, de ander klom vanaf de Castro in het oosten de heuvel op, en de laatste kwam uit het westen, vanaf de Sunset en de Cole Valley: die liep al verkeerd, maar weldra zouden ze alle drie verdwaald zijn. Ze gingen naar een zomerfeest van de oergezellige Jordan Sasscock, in zijn huis aan de Buena Vista West 88 (Molly was bij vergissing op weg naar Buena Vista East 88). Jordans feesten waren net zo oergezellig als hijzelf, en hoewel de uitnodigingen hogelijk gewaardeerd werden, waren ze niet bepaald selectief, want een gezelligheidsdier als hij wilde niemand het gevoel geven dat hij buitengesloten werd. Elke midzomer sjokten drommen mensen de heuvel op om van Jordans bier en wijn te drinken, op zijn dak te staan en in zijn uitgestrekte tuin te dansen. Hij was een eenvoudige arts-assistent in het naburige ziekenhuis, maar vijf jaar eerder, nog tijdens zijn medische studie, was zijn grootmoeder overleden en ze had hem het huis en de tuin nagelaten met alle schatten en rommel waarmee ze het in de negenentachtig jaar dat ze er woonde, had volgestouwd: kostbare wrakke meubels en geld onder de matrassen en kratten vol exquis kattenvoer in het souterrain, en vijftien katten, waarvan er op de avond van het feest nog maar vijf in leven waren, omdat Jordan, hoe aardig hij ook was, niet erg van katten hield en niet zo heel goed voor ze zorgde.
Henry, die net als de twee anderen het park in liep, was aan de late kant. Hij wist niet eens zeker of hij echt uitgenodigd was, al scheen iedereen in het ziekenhuis waar hij werkte uitgenodigd te zijn, en hij wist ook niet zeker of Jordan Sasscock hem wel mocht, ook al scheen Jordan iedereen te mogen. Ze hadden die maand allebei dienst gehad op de afdeling Kinderoncologie, waar zich af en toe nalatigheden of foutjes hadden voorgedaan, die bijna zeker aan Henry te wijten waren, terwijl Jordan er gek genoeg op werd aangekeken. Meestal zocht Henry de schuld bij zichzelf, wat hem geen moeite kostte omdat hij al zijn hele leven van van alles en nog wat de schuld kreeg en de verantwoordelijkheid op zich nam voor allerlei dingen die hij nauwelijks had misdaan, en omdat schuldgevoel hem vertrouwd was vanwege een sluimerend vermoeden, versterkt door een abnormaal grote lacune in het verhaal van zijn jeugd, dat hij ooit iets onvergeeflijks had gedaan.
Drie maanden eerder zou hij na zo’n open uitnodiging die avond thuis zijn gebleven en zich allerlei mogelijke scènes in het hoofd hebben gehaald waarin hij afgekat, vernederd of beduveld werd: Jordan die hem doodleuk verzocht te vertrekken, of vanuit een kring van onvriendelijke gezichten vroeg of hij Henry’s uitnodiging mocht zien; wist Henry dan niet dat je een uitnodiging moest hebben om op het feest te komen? Maar Henry had een nieuwe bladzij omgeslagen sinds zijn minnaar zijn laatste, nu echt onherroepelijke afwijzing had uitgesproken. Hij zat niet meer zo gevangen in denkbeeldige scenario’s, en zonder opvallende inspanning van hemzelf werd hij elke dag een beetje een beter mens. Het was doodjammer dat hij eindelijk alle fouten, neuroses en nogal ingrijpende afwijkingen die hun relatie hadden helpen verzieken, begon kwijt te raken nu het te laat was. Zijn timing was belachelijk en zijn hartzeer des te groter door het besef dat hij zijn wedergeboorte beter niet aan Bobby had kunnen bewijzen, toen die een maand naar San Francisco kwam om te werken (en beslist niet, had hij gezegd, om Henry te zien). Bobby had zijn uitvoerigste, meest hoopvernietigende afwijzing uitgesproken op de dag voor zijn vertrek, en ze hadden elkaar in al die weken die sindsdien waren verstreken niet meer gesproken. Het was een trieste ontdekking dat er zoveel verschillende gradaties van afwijzing bestonden en elk volgend ‘nee!’ altijd nog harder kon aankomen. Henry raakte erdoor in een toestand die voelde als een onophoudelijke kwelling en toch was hij niet echt depressief, of in ieder geval heel anders depressief dan hij heel zijn herinnerde leven tot dan toe was geweest. Doffe, alledaagse ellende was verdrongen door een vrolijker soort leed, en hij voelde zich meer bij alles en iedereen betrokken dan in de afgelopen twintig jaar. Wekenlang had hij elke dag een of andere neurotische tic laten varen: overmatig handenwassen, vrees voor deurkrukken en de grond, weerzin om de zieke kinderen van rokers aan te raken, en zijn meest recente vrees dat één glaasje drank hem in een monster zou veranderen. ‘Mensen zoals wij moeten niet drinken,’ had zijn moeder hem uitentreuren voorgehouden, ‘vanwege de verschrikkelijke dingen die ons zijn overkomen.’ Met een hand deed ze alsof ze een glas achteroversloeg en met de andere alsof ze een denkbeeldig mes over haar keel haalde. ‘Tsjak,’ zei ze dan, terwijl haar onzichtbare levensbloed wegvloeide. ‘Op slag verslaafd.’ Allemaal niet meer belangrijk. Hij had al besloten op het feest een hoop bier te drinken.
Er bleef natuurlijk de vrees voor het park zelf, onlosmakelijk verbonden met zijn oude gewoonten van bleken, handenwassen en handenwringen. De plek bezorgde hem vroeger altijd koude rillingen en de stad en zelfs de hele staat rond het park hadden hem een onbehaaglijk gevoel gegeven nog vóórdat het ondraaglijk werd zich voor te stellen om daar te zijn. Hij had als normaal kind in San Francisco gewoond, daarna als ontvoerd kind, en die uit zijn geheugen verdwenen jaren tussen zijn negende en dertiende hadden een sluier over de hele stad geworpen. Het verhaal, het weinige dat hij ervan had gereconstrueerd, was even bizar als het gedrag dat hij begon te vertonen toen het niet meer voor het geheugen weg te stoppen was, en het zonderlinge eraan had Bobby in het begin net zo aangetrokken als het hem uiteindelijk gekweld en ten slotte verdreven had.
Het is maar een park, dacht hij toen hij bij de ingang stond, gewoon een stel bomen en struiken, ingenieus aangeplant om de indruk van een echt bos op een heuvel te wekken. Het ergste was eigenlijk dat Bobby hem hier mee naartoe had genomen om hem te vertellen dat hij voorgoed moest oprotten, hem voor eens en voor altijd met rust moest laten, hem nooit meer lastig moest vallen, en iets in Henry was nog steeds gevoelig voor de vermeende resten van dat fysieke en emotionele trauma, al werd hij niet langer door zijn afkeer ervan beheerst. Hij zou onderweg even op dezelfde rotbank gaan zitten waar Bobby hem vaarwel had gezegd, louter voor de lol, en dan zou hij overdenken hoe afgrijselijk triest en belachelijk het was dat hun relatie was stukgelopen, dat alle stukjes van een uniek partnerschap net niet goed in elkaar pasten. Dan zou hij de stopwatch op zijn mobieltje instellen en vijf volle minuten aan de onverschillige wereld en zijn afwezige minnaar laten zien dat hij niet meer was wie hij was geweest.
Henry stapte vanaf Haight Street de eerste trede van de trap naar het park op, en bedacht opnieuw dat zijn metamorfose net zo wonderbaarlijk was als wanneer hij op een dag wakker zou worden met de ontdekking dat hij in een pony was veranderd. En hij dagdroomde even over Henry de pony, want ook al was hij uit de obsessieve kluisters van zijn verbeelding bevrijd, een verstokte dagdromer was hij nog steeds. Hij was ervan overtuigd dat er een wolkje uit zijn dagdroom was ontsnapt toen hij in de stenen muur naast de trap een gezicht meende te zien en een stem heel duidelijk ‘Poedel!’ meende te horen zeggen. Hij bleef staan om de muur te bekijken; het begon donker te worden, dus meer dan een vage indruk van een ruw steenoppervlak leverde zijn getuur niet op. Hij schudde zijn hoofd, deed een pony-huppeltje en liep het park in.
Iets verder naar het noorden probeerde Will een ingang te vinden. Hij was vanaf Waller Street de trap op gelopen en had verwacht bij een volgende trap uit te komen, maar er was alleen het trottoir rond het park met een vrij ondoordringbaar uitziende rij struiken tussen hem en een pad dat tegen de flank van de heuvel omhoogkronkelde. Hij dacht dat hij iemand aan de andere kant van de struiken zag lopen, en beschouwde dat als een aanwijzing dat er een ingang in de buurt was. Hij was geïrriteerd, te laat en bang om nog zo laat op de dag het park in te gaan, want na zonsondergang nam de kans om tegen een ongewenste betasting aan te lopen exponentieel toe. Hij woonde in de Castro in een zee van homo’s, en hij hield van zijn buurt en zijn buren en veroordeelde niemand. Hij voelde zelfs enige verwantschap met de eenzame zielen die door het verdoezelende donker dwaalden, tegen elkaar aan schurkten, elkaar per ongeluk met de punt van hun sigaret brandden. Nog niet zo langgeleden had hij zichzelf met vergelijkbare bezigheden ingelaten. Hij had dan wel in een andere vijver gevist, maar wist wat het was om eenzaam te zijn en intieme handelingen te verrichten die je alleen nog eenzamer maakten. Wat er verschrikkelijk aan was, en hem een nog treuriger type maakte dan de akeligste trol in het park, was het feit dat hij die dingen had gedaan terwijl hij samen was met de meest fantastische vrouw van de wereld. Hij had die hele relatie ondergraven met slijmerige tunnels die het uiteindelijk hadden begeven toen zijn bedrog en zijn ongegronde ongelukkigheid aan het licht kwamen.
Will zuchtte en besefte dat hij, afgeleid door nutteloze gedachten, roerloos op de stoep had gestaan, terwijl het heel donker begon te worden. Hij keek op zijn horloge en maakte zich weer ongerust dat hij zo laat was. Jordan Sasscock was bevriend met zowel Will als Carolina, en de enige gezamenlijke vriend die hij niet was kwijtgeraakt toen ze bij hem wegging, een van de weinigen in zijn hele vriendenkring die min of meer met hem meevoelde, vol afkeer en tegelijk vol begrip, op een manier die Will de indruk gaf dat ten minste íémand hem had vergeven. Het was best mogelijk – Jordan had erop gezinspeeld – dat Carolina er vanavond zou zijn. En Jordan had er verder op gezinspeeld dat ze wist dat Will misschien ook zou komen. Een jaar lang had Will niets gehad wat zo in de buurt van goed nieuws kwam.
Hij bukte zich en drong door de struiken; glibberend probeerde hij zijn evenwicht te bewaren aan een handvol bladeren. Na nog wat klauteren stond hij op het pad boven het hellinkje. Toen hij zijn handen aan zijn broek afveegde, hoorde hij gefluister, heel duidelijk, dat klonk als: ‘Poedel?’
‘Nee… ga weg!’ riep Will, in de veronderstelling dat iemand hem vroeg of hij wilde poedelen, en hij schaamde zich zelfs dat hij wist wat dat kon betekenen. Hij haastte zich over het pad langs de flank van de heuvel naar de plek waarvan hij zo goed als zeker wist dat er een weg dwars door het park liep die rechtstreeks uitkwam bij Jordans huis.
Verderop, aan de andere kant van de heuvel, kwam Molly, nadat ze wat door de mist rond de Ashbury Heights had gezworven, ten slotte bij de hooggelegen oostelijke ingang van het park. Als ze had geweten dat ze de verkeerde kant op liep en Jordans huis al een paar blokken voorbij was, had ze het hele idee om naar het feest te gaan misschien laten varen. Ze voelde zich al pijnlijk verlegen – dat had ze altijd wanneer ze haar huis verliet en dacht dat er overal waar ze kwam mensen achter haar rug dingen zeiden als: ‘Daar gaat dat arme meisje’ of: ‘Dat arme kind!’ – en de laatste tijd had ze geleerd allerlei kleinere rampen, tegenslagen en liefdesperikelen te vermijden door ze van grote afstand te signaleren; verdwaald raken op weg naar een feest waar je niet heen wilde, op weg naar een afspraakje waar je geen zin in had noch klaar voor was – dat was een teken van iemand dat je echt moest omkeren en naar huis moest gaan.
Ze ging op de stoeprand zitten en legde haar handen op haar gezicht – het was alsof ze het afgelopen anderhalf jaar bijna voortdurend zo had gezeten, maar de laatste tijd deed ze het eigenlijk meer omdat het haar hielp alles op een rijtje te zetten dan omdat het een goede houding was om te huilen – en dacht een ogenblik over dingen na. Ze voelde haar luie bank helemaal vanaf Judah Street aan haar trekken, maar ze wist dat ze, zowel in haar eigen ogen als in die van anderen, al te ver was gegaan om nog terug te keren. Als ze niet kwam opdagen, zouden ze denken dat ze maar steeds niet over Ryans dood heen kon komen. Dat kon ze ook niet, maar dat wilde ze niet laten merken aan de oude roddeltantes die kennelijk in het hart van al haar vrienden leefden. ‘Niet alles is verloren,’ zei ze, een mantra citerend waarmee ze voor de grap was begonnen toen ze die was tegengekomen in een belachelijk handboek over hoe je de zelfmoord van je vriend verwerkt. Het boek was haar toegestuurd door een verre tante, lid van het splintergroepje in haar uitgebreide familie dat niet dol was op Jezus, en hoewel het niet zo belachelijk was als de talloze christelijke overlevingshandboeken waarmee ze werd overstelpt, had Molly die eerste paar maanden toch gegniffeld om de afgezaagde, ongeloofwaardige lessen: niet alles is verloren; het was niet jouw schuld; je zult op een dag weer een nieuwe liefde vinden die niet suïcidaal is. Maar naarmate ze in de loop van de maanden dieper in de put raakte, werd het haar wereldse bijbel en beste vriend, en ze had zelfs een keer een natte droom gehad over de schrijfster, een dijk van een lesbo met dik grijs poedelhaar, die op de reusachtige achterflapfoto van kop tot teen in het paars was gehuld.
Haar vriendje voor vanavond was Jordan Sasscock in hoogsteigen persoon. Dat dit een eer was, liet haar koud, want ze kende hem nauwelijks. Hij was naar de winkel gekomen voor een van haar collega’s en daarna almaar teruggekomen om steeds duurdere bloemstukken en vervolgens steeds duurdere designartikelen te kopen, een gang van zaken die uitliep op de aankoop van een waanzinnig prijzige Scandinavische schuimplastic bank, zo vernuftig gemaakt dat hij precies op een zwerfkei leek. ‘Zo een zoek ik nu al jaren!’ riep hij toen hij erin lag. Hij zag er heel aantrekkelijk uit met zijn handen achter zijn hoofd; de zwelling van zijn biceps rijmde aangenaam met de contouren van de neprots.
Alle anderen in de winkel – de jongens net zo goed als de meisjes – zwijmelden van hem, maar Molly had hem aanvankelijk nauwelijks opgemerkt, en had een hele tijd aangenomen dat hij gewoon echt van bloemen en design hield, tot hij haar ten slotte mee uit vroeg. Dat was een raar moment. Het was alsof de tijd bleef stilstaan en alles trilde, niet alleen de bloemen, maar ook de kleuren erin, de lucht zelf, en de porseleinen belletjes boven de deur, die bijna leken te gaan rinkelen, zo heel subtiel was alles verstoord. ‘Ik nodig komende donderdag wat mensen uit en ik wil graag dat jij mijn eregast bent,’ had hij gezegd. Toen ze hem alleen maar aanstaarde, verwonderd over de vreemde rilling die over zijn gezicht en lichaam gleed, voegde hij eraan toe: ‘Anders kom je op een gegeven moment gewoon binnenwaaien. Je hoeft geen eregast te zijn als je dat te veel verantwoordelijkheid vindt. Hoe dan ook, denk erover na.’ Hij gaf haar zijn adres, dat ze onmiddellijk verkeerd onthield.
‘Goed,’ zei ze zonder er ook maar even over na te denken. ‘Dan zie ik je daar.’ Ze had zijn nieuwste aankoop, een doorschijnende porseleinen schaal met een handbeschilderde rand van blauwe bloemetjes, ingepakt en gaf hem die zonder te glimlachen aan. Misschien omdat hij voelde dat hij anders zijn hand zou overspelen, hield hij verder zijn mond en glimlachte en knikte hij alleen maar. Toen hij weg was, slaakte haar bazin een gilletje van vreugde. ‘Je hebt een afspraakje met Jordan Sasscock!’ schreeuwde ze terwijl ze Molly bij de schouders pakte en als een idioot op en neer sprong.
‘Het is geen afspraakje,’ zei Molly. ‘Ik ga gewoon naar zijn feestje.’ Het zou nog een uur duren voordat ze grondig spijt kreeg van haar beslissing om ja te zeggen, en toen leek het meteen het stomste wat ze ooit had gedaan. In de dagen erna hield ze zichzelf steeds voor dat ze dit nog niet aankon, en wel aankon, en niet aankon. Nu ze met haar handen voor haar gezicht op de stoeprand zat, wist ze zeker dat ze het niet aankon, louter omdat ze nog steeds verliefd was op Ryan, of nog steeds íéts op hem was. Het gevoel dat haar dag en nacht beheerste, was niet dezelfde heerlijk inspirerende obsessie die ze elke dag voor zijn dood had gevoeld, toen hij het absolute begin en einde van haar bewustzijn leek en zijn geest, lichaam en ziel ieder een bron van blijvende vreugde was. Vanaf het moment dat ze hem bij thuiskomst met een touw om zijn nek aan een boom in hun tuin zag hangen, was alleen de aard van het gevoel veranderd, niet de intensiteit. Ze was al met hem getrouwd zodra ze hem ontmoette en nu behoorde ze hem nog met al haar vezels toe.
‘Jordan Sasscock!’ schreeuwde ze, toen ze haar gezicht uit haar handen wegtrok, en op de een of andere manier luchtte dat op. Ze was er zeker van dat een stem antwoordde, maar die zei niet: ‘Hou je kop!’ of: ‘Ja, schat?’ maar zei heel zachtjes: ‘Poedel.’
‘Laat me met rust!’ zei ze, al wist ze niet goed of ze het tegen Jordan of Ryan of tegen sardonische stemmen had, die geen echte hallucinaties waren, maar ook geen stemmen die zij alleen kon horen. Het is maar een feestje, zei ze bij zichzelf, toen niets of niemand antwoord gaf. Wat is het ergste dat me kan overkomen? Ze stond op, zonder allerlei ergs te bedenken, draaide zich om en merkte dat ze de overschaduwde ingang voorbij was gelopen en er vlakbij had gezeten. Ze sloeg haar armen om zich heen, boog haar hoofd en liep het park in.

Copyright © 2011 Chris Adrian
Auteursportret © John Earle

Uitgeverij Nieuw Amsterdam

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum