Leesfragment: Oorlogsparadijs

27 november 2015 , door Nico Dros
| | |

24 oktober verschijnt de nieuwe roman van Nico Dros, Oorlogsparadijs. Wij publiceren voor uit deze Texelse oorlogsroman, aansluitend aan de voorpublicatie op Dros' eigen site. 'Het was een ijzeren gewoonte van Frank om onder hun periodieke maaltijd verslag te doen van zijn huwelijksleven. Hij had vijf leuke kinderen, maar zijn vrouw en hij leefden al jaren als kat en hond. Adriaan luisterde steeds gewillig naar deze ontboezemingen en liet de ander dan even uitpussen. Die avond negeerde Frank zijn perikelen thuis en begon over Nieuw-Guinea, een kwestie die hem blijkbaar hoog zat. De situatie was dat voorjaar dan ook verontrustend.'

In het najaar van 1942 begint een jonge arts zijn werk als assistent in het noodhospitaal van Texel. De ondergrondse heeft hem een nieuwe identiteit en persoonsbewijs gegeven nadat hij bij verstek ter dood is veroordeeld. Luc Walraven luidt zijn alias. De Duitse bezettingsmacht op het eiland bestaat uit soldaten die mogen bijkomen van beproevingen aan het front. De Inselkommandant is een beroemd archeoloog die opgravingen in het dorp laat verrichten. En daarnaast zijn er de legioenen van uitheemse krijgsgevangenen die in Duitse dienst zijn getreden. Respectievelijk Brits-Indiërs, Noordkaukasiërs en Georgiërs bewaken er de kust. Het eiland blijkt werkelijk een oase van rust te zijn. Er is geen SS, geen Grüne Polizei, geen terreur. Op Texel verblijven honderden onderduikers van het vasteland, maar ze worden met rust gelaten.

Luc Walraven ervaart het eiland als een klein paradijs. Hij is er kostganger bij een hartelijke boerenfamilie en vat een grote liefde op voor de dochter Mila. De geneesheer van het noodhospitaal leert hem de beginselen van de chirurgie. Het ziet er naar uit dat de eilanders, ver van het front, zonder ontberingen het einde van de oorlog kunnen afwachten. Maar dan, begin april 1945, luidt een nachtelijk bloedbad de opstand van het Georgische bataljon in. In de weken daarna verandert het lieflijke eiland in een onbeschrijflijk inferno.

Voorjaar 1962 – een nieuwe oorlog dreigt - krijgt de man die ooit Luc Wakraven heette een brief van een Texelse vrouw, die hem na al die jaren naar het eiland doet terugkeren. Het is onvermijdelijk de gebeurtenissen van voorjaar ’45 onder ogen te komen. Hij weet niet welke herinneringen meer pijn doen: de gruwelijkste of juist de mooiste. 

Deze voorpublicatie sluit aan bij die op de website van Nico Dros (pdf).

[...]

'Wanneer u straks,' besloot Wiering, 'als arts humane keuzes wilt blijven maken, zal dit u niet door iedereen in dank worden afgenomen. Maar ik zeg u, geachte collega's: gedenk de eed, en blijf er steeds naar handelen, ook omwille van uw eigen behoud, na de oorlog.'

Harm Eerens bood Adriaan na de bijeenkomst een lunch aan. De prof voelde zich hiertoe verplicht, omdat de spreker een ochtend van zijn vakantie had opgeofferd. De kantine voor het faculteitspersoneel, overwoog Eerens, was te eenvoudig en alledaags voor zo'n uitnodiging. Gelukkig was er een nabijgelegen restaurant waar een groentesoepje en uitsmijter ook niet al te veel kostten. Hij keek met gemengde gevoelens terug op Wierings voordracht van die ochtend. De prof was tevreden omdat de bijeenkomst hoe dan ook een goede reclame voor zijn medische faculteit was geweest. Maar diep in zijn hart maakte het hem afgunstig dat iemand van zijn team een gezelschap dermate had kunnen imponeren.
'Die legerartsen hebben blijkbaar tot nu toe maar een lui leventje gehad,' sprak Eerens met een mond die nog niet helemaal leeg was. Hij deklasseerde de toehoorders van die ochtend om daarmee ook de spreker omlaag te halen. 'Die zijn helemaal niet voorbereid op een oorlog.'
'Daar kun je je ook niet echt op voorbereiden,' reageerde Adriaan droog. 'Geen zorg: ze leren snel, als eenmaal het schieten is begonnen.' Hij had de ontstemdheid van Eerens opgemerkt en betreurde het nu dat hij diens invitatie eerder niet met een smoes had afgewimpeld.
'Toch zal het niet voor niets zijn dat ze zo'n dringend beroep op veteranen zoals jij doen,' zei Eerens. Hij had zijn uitsmijter reeds half verslonden en keek de ander aan alsof hij hem wilde aansporen alsnog bij te tekenen.
'Weet je, ik kan een beetje opereren,' zei Wiering. 'Maar ze vroegen me om leiding te gaan geven, een heel veldhospitaal te bestieren. Dat is natuurlijk niets voor mij.' Hij wachtte even en zei toen: 'Nee, dat is meer iets voor jou, Harm. Waarom bied jij je eigenlijk niet aan?'
Eerens staarde ietwat verbluft naar zijn tafelgenoot, die met een uitgestreken gezicht tegenover hem zat. Van Wiering wist hij nooit zeker of hij serieus was of je in het ootje nam. Er zat hem trouwens nog iets anders dwars: die relativering van het begrip vijand, waarover Wiering had gesproken. De prof had nooit geweten dat de ander met zijn patricische smoelwerk een rooie was. En dan te bedenken dat deze man bijna een leerstoel had gekregen. Goed dat hij daar achter de schermen een stokje voor had gestoken. Als hij, Eerens, de leiding kreeg over zo'n veldhospitaal zou hij meteen decreteren dat eerst de eigen mensen geholpen werden. Dan konden ze daarna nog altijd bekijken wat er met resterende gewonden van de vijand moest gebeuren. Er was nog een gedachte die hem kwelde. Hij vermoedde dat Wiering de barmhartigheid van de medicus had overdreven met het doel Eerens' eerdere optreden tegen vermeende Indonesische infiltranten onder de toehoorders belachelijk te maken. Het zat Eerens allemaal niet lekker en het was reden voor hem om over de lezing na te kaarten op een toon die varieerde tussen collegiale lof en professorale geringschatting.
Adriaan hield zich er Oostindisch doof voor. Hij zorgde dat de lunch geen moment langer duurde dan nodig was en ging na een minzaam knikje zijn vrijheid tegemoet.

Eenmaal thuisgekomen kleedde hij zich om. Hij nam zich voor de brief van Merel nog eens te lezen, maar voelde zich zo moe dat hij eerst even op de bank wilde liggen. Het was al na vieren toen hij wakker werd met de brief in zijn wazige gedachten. Hij schoot overeind en zocht er vergeefs naar in zijn bruinleren tas. Daarna liep hij naar de klerenkast waarin hij het jacquet had opgehangen en viste de envelop uit de binnenzak ervan.
Toen hij merkte dat het al tegen vijven liep, stopte hij de brief bij zijn persoonlijke papieren in een ladenkast van zijn werkkamer. Daar lagen ook enkele foto's van zijn zoons die hij vorig jaar had gemaakt tijdens een uitstapje naar Djokjakarta. Gehaast ging hij op zoek naar zijn sportkleding en tennisracket. De tennisbaan lag aan de rand van de stad, en om op tijd voor zijn afspraak te komen reed hij twee keer met zijn Volvo door een oranje licht. Onder het kunstlicht speelde hij enkele partijen met Frank Royaards. Frank was een collega-chirurg en oude dienstmaat uit de Oost, met wie hij de laatste jaren weer contact had. Na het tennissen reden ze elk in hun eigen auto naar het badhotel in Noordwijk om er, zoals ze vaker deden, samen iets te eten.
Het was een ijzeren gewoonte van Frank om onder hun periodieke maaltijd verslag te doen van zijn huwelijksleven. Hij had vijf leuke kinderen, maar zijn vrouw en hij leefden al jaren als kat en hond. Adriaan luisterde steeds gewillig naar deze ontboezemingen en liet de ander dan even uitpussen. Die avond negeerde Frank zijn perikelen thuis en begon over Nieuw-Guinea, een kwestie die hem blijkbaar hoog zat.
De situatie was dat voorjaar dan ook verontrustend. Het laatste Nederlandse rijksdeel in Azië vormde het toneel van troebelen en schermutselingen sinds Indonesië haar aanspraken op dit gebied nadrukkelijker deed gelden. Groepjes vrijwilligers uit het Indonesische leger waren heimelijk in Nieuw-Guinea aan land gegaan om de Papoea's op te ruien. Nederlandse mariniers maakten jacht op de infiltranten. Het kwam herhaaldelijk tot vuurgevechten, aan Indonesische kant waren al dodelijke slachtoffers gevallen. De Amerikanen wisten de kijvende partijen aan de gesprekstafel te krijgen, hoewel de onderhandelingen na enkele zittingen alweer in het slop raakten. Intussen maakte president Soekarno de Indonesische volksmassa's met vlammende redevoeringen rijp voor oorlog. Joseph Luns, minister van Buitenlandse Zaken, deed hetzelfde, zij het met beduidend minder geestvervoering. Op nasale toon verklaarde hij dat Nederland de Indonesische provocaties desnoods met alle militaire middelen zou pareren. En inderdaad stuurde de regering vliegtuigen, onderzeeboten, jagers en fregatten naar het betwiste gebied. In het kielzog hiervan volgden een aantal landmachtbataljons, bestaande uit mariniers en dienstplichtigen.
'Heb jij gelezen,' wierp Frank op toen ze over de wederzijdse troepensterkte praatten, 'dat er een konvooi Russische schepen in de haven van Soerabaja ligt? Ze zeggen dat ze die schepen bij een rechtstreekse aanval op Nieuw-Guinea zullen inzetten. Let wel, met een Russische bemanning!'
'Dan zullen de VS eindelijk onze kant kiezen,' zei Adriaan. Het bericht was nieuw voor hem.
Ze waren het erover eens dat de oorlog op uitbreken stond. En militaire bemoeienis van beide grootmachten kon de zaak alleen maar erger maken. Adriaan zag ineens beelden van een verschroeide aarde voor zich. Voor de zoveelste keer nam hij zich voor beide jongens tijdig in veiligheid te brengen.
Enige tijd zaten ze zwijgend te eten. Toen zei Frank: 'Kun jij je nog herinneren dat we in '48 het gebouw van een inlandse huishoudschool tot een medische post inrichtten?'
Adriaan dacht na en zei: 'Was dat in Salatiga? In dat provincieplaatsje... weet de naam niet meer, vlakbij de djatibossen, aan de voet van dat gebergte?'
'Ja daar. Het was er bloedlink.'
Adriaan wist het nu weer. Het stadje was in handen van Nederlandse troepen, maar in de omgeving hielden zich allerlei Indonesische milities op. Ze legden Japanse mijnen of vliegtuigbommen bij bruggen en langs wegen, om de aanvoer te belemmeren. Ze slopen 's nachts door de kampongs, sloegen aan het rampokken, en sneden vermeende Indonesische collaborateurs letterlijk aan plakken. Toen kwam het bericht dat een groot Republikeins leger - de Siliwangidivisie - onderweg was naar het stadje. Iedereen dacht dat de Nederlandse versterking onder de voet zou worden gelopen.
'En kun jij je die avond herinneren,' vervolgde Frank, 'dat we ieder met een revolver binnen handbereik op de binnenplaats zaten te praten? Er waren jochies die voor een paar duiten gras op de alang-alang sneden. Daarvan stookten ze een rokerig vuurtje voor ons om de muskieten op afstand te houden.'
Adriaan knikte, hij wist het nog vagelijk.
'Overal in de omgeving klonken de slagen op het houten blok, de tongtong, als teken van alarm. Dat ging maar door, je kreeg er de zenuwen van. Soms was het even stil, hoorde je opeens schietpartijen in de verte.'
Adriaan keek hem onderzoekend aan.
'En dan was er die branderige geur van klapperolie,' zei Frank. 'Weet je, soms komt die geur zomaar terug in mijn neus, alsof het kort geleden is dat we daar waren.'
Adriaan zag beelden voor zich van een rivier. Was dat ook daar geweest of vergiste hij zich? Iets van de beklemming van toen speelde op in zijn gemoed.
'We hebben daar toch niet onder vuur gelegen?' wilde hij van Frank weten.
Frank schudde het hoofd en begon over de Indonesische Siliwangidivisie. Wekenlang was dit leger in het eigen Republikeins gebied in de weer om opstandige troepen, communisten, tot de laatste man te verdelgen. Soldaten van de divisie overschreden zelfs de demarcatielijn om het slagerswerk te voltooien. 'Nee maar,' riep Frank uit, 'die hebben elkaar afgemaakt zeg. De rivier was dagenlang rood van het bloed. Dat weet je toch nog wel?'

Om elf uur 's avonds was Adriaan weer thuis, in zijn riante woning aan de Hooglandse Kerkgracht. Op de bank hangend probeerde hij de avondkrant te lezen, maar hij kon zijn aandacht er moeilijk bijhouden. Na enig zoeken vond hij een jazzprogramma op de lange golf. Onder het luisteren dacht hij: Frank heeft er ook last van.

Uitgeverij Van Oorschot

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum