Leesfragment: Op weg naar Vladivostok

27 november 2015 , door Herman Vuijsje
|

Volgende week verschijnt Op weg naar Vladivostok, het nieuwe boek van Herman Vuijsje. Vanavond leest u op Athenaeum.nl al een hoofdstuk.

Iedereen kan tegenwoordig op reis naar Rusland, maar velen durven dat toch nog niet aan. Reisbureaus benadrukken dat een Ruslandreis op eigen houtje riskant en gevaarlijk is. Journalisten berichten over een corrupt en failliet land met norse en dronken bewoners. Journalist en schrijver Herman Vuijsje ondernam een twee maanden durende treinreis van Sint-Petersburg naar Vladivostok en ontdekte een heel ander Rusland. Muren, poorten, hekken en schuttingen die ontmoetingen met Russen in de weg kunnen staan, verdwijnen er in hoog tempo. En hoe verder je naar het oosten komt, hoe toegankelijker de mensen! Juist in Siberië en Ruslands Verre Oosten, in steden als Krasnojarsk, Irkoetsk en Chabarovsk, wordt een open, jeugdig en energiek Rusland zichtbaar, dat spot met onze vooroordelen.

Herman Vuijsje schreef diverse reisboeken, waaronder het succesvolle Pelgrim zonder god, het verslag van zijn omgekeerde pelgrimage van Santiago de Compostela naar Amsterdam, en het eerder bij Uitgeverij Bas Lubberhuizen verschenen Een grens van steen - op avontuur langs de Muur van Hadrianus.

[...]

Neckchen mit mangele: nekjes met amandelen
Birobidzjan

Herhaaldelijk oogsten we verbaasde blikken en opgetrokken wenkbrauwen als we vertellen dat we op bezoek gaan in Birobidzjan, hoofdstad van de Joodse Autonome Oblast, drie uur rijden van Chabarovsk. Joden zijn in Rusland niet meer het slachtoffer van pogroms en haatcampagnes – tegenwoordig richt het etnisch geweld zich tegen Afrikanen en Tsjetsjenen – maar een vanzelfsprekende positie hebben ze nog steeds niet.
Misschien is Birobidzjan de enige poging die ooit is ondernomen om hun zo’n positie te verschaffen. Niet religieus-joods opgevoed maar wel afkomstig uit een half joods gezin, ben ik al jaren geïntrigeerd door die geheimzinnige joodse enclave, door Stalin gesticht aan het eind van de wereld, Siberië nog voorbij.
In mijn omgeving hadden weinigen gehoord van dit ‘Sovjet Zion’. Uitzondering was mijn bejaarde oom Jaap, de jongste broer van mijn vader: ‘O, Birobidzjan bedoel je,’ zei hij meteen. Hij sprak de naam foutloos uit. Toen dit eerste joodse ‘thuisland’ ter wereld een toevluchtsoord werd voor berooide joden uit de sjtetls van Oost-Europa, was oom Jaap lid van de socialistisch-zionistische jeugdbeweging in Amsterdam. Had Birobidzjan in zijn herinnering de gevoelswaarde van een soort substituut-Palestina?
Zo werd het wel gepresenteerd, destijds. Na de Oktoberrevolutie van 1917 wilden de Russische joden een eigen staat. Alle volken in de Sovjet-Unie hadden een eigen deelrepubliek, dus waarom de joden niet? In Europees Rusland kregen ze geen voet aan de grond, maar in het Verre Oosten was ruimte genoeg en in 1928 kwamen op het verlaten stationnetje van Tichonkaja de eerste joodse kolonisten aan. Zes jaar later werd de Jevrejskaja Avtonomnaja Oblast Birobidzjan een feit.
Jiddisj was en is de officiële tweede taal van de Joodse Autonome Oblast. Dat was een bewuste keuze van Stalin: Hebreeuws hoorde bij godsdienst en zionisme, maar Birobidzjan moest een seculiere proletarische staat worden, waar de joden alleen hun cultuur zouden behouden. Jiddisj paste daarbij.
Propagandaposters voor Birobidzjan leken veel op die voor de zionistische beweging, en trouwens ook op die voor de Komsomol in dezelfde tijd: dezelfde frisse, opgewekte jongelui, maar dan met een brilletje op. Tussen 1928 en 1938 kwamen ruim twintigduizend joodse kolonisten aan, voornamelijk uit de oude, door onderdrukking en hongersnood geteisterde joodse vestigingsgebieden in de Oekraïne, Moldavië en Wit-Rusland. Maar ook uit Zuid-Amerika, de Verenigde Staten, andere westerse landen en zelfs uit Palestina arriveerden idealistische pioniers. Was Birobidzjan dus een serieus en door joden enthousiast gesteund experiment? Of was het een cynische truc van Stalin om van de Russische joden een soort vrijwillige ballingen te maken, die bovendien mooi konden meehelpen de dunbevolkte grensstreek met China te koloniseren?
Niemand die het ons vooralsnog kan vertellen. Ook Larissa niet, die ons als tolk vergezelt op de tocht naar Birobidzjan. ‘Joodse kwestie was Frage,’ zegt zij. ‘Nicht Problem. Maar moest wel worden aufgelöst.’

Ouwe mannetjes misgelopen
Een dorpsachtig stadje met beschaduwde, niet al te brede straten waaraan vergrijsde en gebutste gebouwen met Hebreeuwse opschriften de tijd trotseerden. Het was er stil, een ingekeerde sfeer. Zo had ik me Birobidzjan onwillekeurig voorgesteld. Een mix, bedenk ik achteraf, van de beelden van getto-Oost-Europa die zich in mijn achterhoofd hadden opgestapeld. Een kruising van Roman Visjnjak, Anatevka en Met jouw tanden in mijn nek.
Maar de versie van Stalins Zion die wij aanschouwen, lijkt niet op de wereld van de joodse diaspora. Birobidzjan heeft mooie parken, sportvoorzieningen en ruime pleinen. De straten zijn er breed, zoals in alle nieuwe steden van Ruslands Verre Oosten. Er was immers alle ruimte toen de kolonisten zich hier vestigden. Voor die ruimte – fysiek én overdrachtelijk – waren ze juist gekomen.
Ook mijn beeld van de ontmoeting met joodse Birobidzjanen in het joods cultureel centrum blijkt te nostalgisch. Ik stelde me een ruimte voor, donker en rommelig, waarin ik in steenkolen-Jiddisj zou praten met ouwe joodse mannetjes – de ‘mannetjes’ uit de verhalen van oom Jaap en Meyer Sluyser, de mannetjes die ik intussen bijna in leeftijd heb geëvenaard.
Maar wat ik zie, is een licht en modern cultuurcentrum en een nieuwe, frisse synagoge. Niets dan lucht en leegte, verdorie! Terwijl heel Rusland vergeven is van de donkere, afgesloten plekken waar mensen elkaar bij voorkeur ontmoeten, vind ik op de enige plaats waar ik de schemer en het verborgene hoopte te treffen, de sfeer van een doorzonwoning in een Vinexwijk.
En we worden niet opgewacht door een kring van hardhorende oude mannen met openstaande witte kraag en een keppeltje op hun verweerde kop, maar door... niemand. Een kleine stoet van buikige mannen plus een enkele vrouw in power dress komt net aangelopen om de synagoge binnen te gaan. Maar het zijn mijn ouwe kereltjes niet – ze zijn te jong en hebben verkeerde pakken aan. En ze lopen véél te zelfverzekerd achter hun buiken aan.
De vrouw, in slechtgesloten blouse onder een weinig toeschietelijk gezicht, blijkt de vicevoorzitter van de joodse gemeente. Zij is degene die ons volgens afspraak zou ontvangen en te woord staan. Maar helaas, op het laatste moment hebben de gouverneur en de burgemeester laten weten de joodse gebouwen te willen bezoeken om te inspecteren of alles er wel pico bello bij staat in verband met het bezoek van president Medvedev, komende week.
De stoet marcheert naar binnen, en weer naar buiten... voor ons geen tijd. Maar we kunnen toch in ieder geval even een kijkje nemen, opper ik. Nou, dat moet ik dan maar alleen doen. Zowel Larissa als Masja, onze plaatselijke gids, is als een konijn in een koplamp gebiologeerd door de daar voortstappende vleesgeworden autoriteit. Die op haar beurt weer bezig is het de allerhoogste macht naar de zin te maken.
Binnen in de verlaten synagoge zie ik talliets, gebedskleden, over de banken hangen, alsof de gelovigen net even weg zijn. Maar Masja vertelt dat er al een tijd geen diensten meer worden gehouden; de rabbijn is vertrokken.
Na een tijdje is de vicevoorzitter, Albina Michailovna, toch bereid ons binnen te laten en bits een vraag of wat te beantwoorden. Veel komt er niet uit. Eigenlijk alleen dat er tot voor kort een eigen joodse lagere school was, maar nu alleen nog een op zondag. Waarom? Waardoor? Geen antwoord – ‘waarom’ is een vraag die in Rusland nog altijd niet populair is.
‘Nou!’ snuift Masja als we weer buiten staan. ‘Dan zijn de Russen toch een stuk sympathieker!’

‘Je leest het van rechts naar links, hè’
Wat rest er verder van joods Birobidzjan? Een groot naambord als je de stad binnenkomt in Russische en Hebreeuwse karakters. Ook de plaatsaanduiding op het station is tweetalig. Op het stationsplein staat een pontificale koperen menora, een joodse zevenarmige kandelaar, in een fontein. Op hoge joodse feestdagen wordt hij ontstoken. Ook elders in de stad zijn davidssterren en menora’s te zien, als ornament op culturele gebouwen.
In een winkeltje annex café aan de splinternieuwe, Chinees-strakke promenade langs de Bira zijn joodse spulletjes te koop, zoals vier soorten koosjere wodka. De jiddisje sfeer wordt verhoogd door schilderijen met folkloristische taferelen door de plaatselijke kunstenaar Vladislav Tsap, in een stijl die het midden houdt tussen Chagall en volksdansen in de kibboets.
Ook het standbeeld van de joodse schrijver Sjolom Aleichem tegenover ons hotel is door Tsap ontworpen. Sjolom Aleichem beschreef het joodse leven in Oost-Europa en was de schepper van het dorpje Anatevka met zijn beroemde melkboer Tevje. Hij kreeg zijn eigen straat in Birobidzjan. De entree van de markt, even verderop aan de Sjolom Aleichemstraat, heeft eveneens een joods tintje: het opschrift is in het Jiddisj.
’s Avonds wacht een verrassing als we gaan eten in ons hotel. Het ontcijferen van de menukaart is altijd een enerverende bezigheid. We hebben weliswaar het Russische alfabet geleerd, maar restaurants hebben de gekmakende gewoonte om voor hun spijskaart schrijfletters te gebruiken, die weer heel anders zijn. Vandaar dat het pas geleidelijk tot me doordringt wat ik aan het spellen ben. Gefillte fisch, staat er, in Russische schrijfletters maar fonetisch Jiddisj. Even later dringen gehackte leber en neckchen mit mangele (kippennekjes met amandelen) tot me door. En hoor ik de stem van mijn vader, die op zaterdagavond bakjes kesause mangele – zoute pinda’s – uitdeelt.
Ja – aan joodse nostalgie geen gebrek in Birobidzjan. Maar hoe zit het met de joden zelf? Een joodse meerderheid is er nooit geweest, ook de eerste jaren niet. In het gebied woonden al Nanai, de oorspronkelijke bewoners, aangevuld met Kozakken, Oekraïeners en Koreanen.
Stalin had een joodse boerenstaat voor ogen. In Europees Rusland mochten joden geen land bezitten; in Birobidzjan stichtten ze kolchozen. Maar wat na de oorlog in Israëlische kibboetsen wel zou lukken, kwam in Stalins Zion niet van de grond. Birobidzjan was een van muggen vergeven moeras met vochtige hete zomers en ’s winters temperaturen tot veertig graden onder nul. Veel pioniers waren binnen een paar jaar weer vertrokken. Van de blijvers hielden de meesten vast aan de beroepen die ze vroeger al hadden uitgeoefend: kleine handel, ambacht en ongeschoolde arbeid.
Kort na de oorlog zochten zo’n tienduizend joden die de nazivervolging hadden overleefd, een nieuwe toekomst in Birobidzjan. Het aantal joodse inwoners steeg naar dertigduizend, maar na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie in 1991 trokken de meesten weg naar Israël. Tegenwoordig resteren er in de stad nog drieduizend joden, merendeels op leeftijd – niet meer dan een paar procent van de bevolking.

Aan één monument van joods Birobidzjan kan geen bezoeker voorbijgaan: de Birobidzjaner Sjtern. Twee keer per week verschijnt dit oudste (sinds 1930) en lange tijd enige Jiddisje nieuwsblad van Rusland. Tegenwoordig in het Russisch, met op vrijdag twee Jiddisje pagina’s in Hebreeuwse karakters. Een afspraak maken voor een bezoek aan de burelen was niet gelukt, meldde Larissa kort voor ons vertrek naar de stad.
Ook de krant zelf blijkt niet makkelijk te bemachtigen. In de paar boekwinkels die Birobidzjan rijk is, hebben ze hem niet. In de stationskiosk denkt men dat hij niet meer bestaat en in het toeristenbureautje aan de Leninstraat kijken de meisjes me in opperste verbazing aan. Maar als we een dag later langs een vervallen gebouw aan de Sjolom Aleichemstraat lopen, wijst Masja naar boven. ‘Hier zit de redactie. Ik ga even een paar nummers voor jullie halen.’
Natuurlijk sneaken we snel achter haar aan. Een hol en desolaat trappenhuis door en we komen uit in precies zo’n schemerdonkere, afgetrapte ruimte als ik me in mijn droombeeld had voorgesteld. We staan oog in oog met een tandeloze oude vrouw achter een balie van triplex en spaanplaat. Eindelijk! Niets is hier mooi, fris of nieuw, stel ik opgelucht vast.
Er liggen krantjes op de balie. Het vrouwtje roept naar achteren en er verschijnen meer gezichten, het soort gezichten dat bij deze kale omgeving past. Een jonge vrouw spreekt Jiddisj. Jelena Sarasjevskaja heet ze, ze is de redactrice die de twee Jiddisje pagina’s maakt.
‘Lees eens wat voor,’ bedel ik. Verlegen lachend doet ze het, en daar horen we de zachte en zangerige klanken door die holle ruimte zweven. We praten nog wat, ik moet zoeken naar woorden om een soort Jiddisj-Duits te fabriceren. Zij ook, merk ik.
‘Spreek je normaal geen Jiddisj?’
‘Nee, alleen oude mensen doen dat nog. Ik ben niet joods, ik heb het geleerd op de Jiddisje faculteit van de pedagogische academie hier in de stad. Ik moest er wel erg aan wennen hoor, met die rare letters. En je leest het van rechts naar links. hè.’

Birobidzjans jojobeweging
Natuurlijk heeft Birobidzjan ook een Overwinningsplein met een monument waarin de namen van de gevallenen uit de Tweede Wereldoorlog staan gegraveerd. Twaalfduizend soldaten uit de oblast Birobidzjan vochten in het Rode Leger, meer dan de helft kwam daarbij om.
Zijn er ook gevallenen bij met joodse namen? Natuurlijk, Masja wijst ze bereidwillig aan: Cohen, Kupferschmidt, Grün, allemaal op z’n Russisch gespeld. Een even vreemde gewaarwording als het ontcijferen van de joodse gerechten op de menukaart.
Gesneuvelde joodse soldaten... tegen een vijand die een miljoen Russische joden heeft vermoord. Werd de strijd tegen nazi-Duitsland hier anders beleefd dan elders in de Sovjet-Unie? Ik moet de vraag een paar keer herhalen, maar een antwoord blijft uit. Larissa en Masja snappen niet wat ik bedoel, of doen alsof. Als ik aandring, vertaalt Larissa Masja’s uiteindelijke reactie: ‘Ja, ook de joden haatten de fascisten.’
Zo echoot de officiële sovjetdoctrine klaarblijkelijk nog na. De Grote Vaderlandse Oorlog werd gevoerd tegen ‘de fascisten’. In dat beeld was geen plaats voor de joden als aparte categorie slachtoffers. Stalin zag in iedere aandacht voor de jodenvervolging een vorm van verderfelijk joods nationalisme. Dat typeert de dubbelzinnige houding die in Rusland tegenover de joden werd aangenomen, een dubbelzinnigheid waarvan Birobidzjan het merkwaardigste product is.
Joods Birobidzjan was de afgelopen eeuw ten prooi aan een surrealistische jojobeweging. In de sjtetls waren de joden onderworpen aan discriminatie, die herhaaldelijk uitliep op vervolging en moord. De laatste grote pogrom (een Russisch woord dat de wereld veroverde) vond plaats tijdens de burgeroorlog na de revolutie van 1917. ‘Witte’ troepen brachten toen honderdduizend joden om het leven.
Pionieren in Birobidzjan bracht dus bevrijding – maar niet voor lang. In 1936 begonnen Stalins zuiveringen, die een sterk antisemitische ondertoon hadden. Alle joodse scholen en instellingen werden gesloten en veel joodse leiders verdwenen in de kampen.
Na de oorlog draaide de kopeke weer om. De toevloed van nieuwe immigranten had de instemming van Stalin, die opnieuw kans zag een ‘joods probleem’ naar het Verre Oosten door te schuiven. Het leidde tot een paar jaar van ongekende culturele bloei. Jiddisj werd weer een verplicht schoolvak, het joodse theater trok topacteurs uit het hele land.
Maar in 1949 was het theater alweer gesloten, waren verschillende acteurs doodgeschoten en was de dertigduizend delen tellende judaïcacollectie van de bibliotheek in vlammen opgegaan. Zeven jaar later onderging de synagoge hetzelfde lot. Gevolg van Stalins haatcampagne tegen joodse artsen en intellectuelen. Joden waren ‘kosmopolieten’ die heulden met de klassenvijand en met de sinistere zionisten van het net opgerichte Israël. Joodse scholen werden gesloten en religieus levende joden werden alle rechten en mogelijkheden ontnomen.
Die klap kwam Birobidzjan niet meer te boven. Naast massale emigratie bracht het begin van de jaren negentig een bescheiden wederopbloei. Jiddisj is weer een schoolvak, er is een joodse zondagsschool en de joodse feestdagen worden weer gevierd, maar het spreekt niet meer vanzelf. Joods Birobidzjan is ‘cultureel erfgoed’ geworden.
En de toekomst? In het toeristenbureau zie ik foldertjes over mooi Birobidzjan liggen met vreemde karakters erop. Is het schrijfletter-Russisch? Hebreeuws? Nee, vertellen de meisjes – Koreaans. Ze hebben trouwens ook folders in het Japans en het Chinees.
Van de Aziatische tijgers is China het dichtstbij en dat is goed te merken. In de eetzaal van het hotel hangt aan de ene wand een menora, aan de andere een thorarol – allebei uitgevoerd in kunststof en in de kleuren rood en goud. Direct uit China ingevoerd, ongetwijfeld. Het beeld van Sjolom Aleichem is een geschenk van de Chinese stad Harbin en de joodse zondagsschool kreeg een compleet computercentrum van Birobidzjans Chinese zusterstad Hegang, even over de grens. Ook de marmeren ark waarin de wetsrollen worden bewaard, werd daar – volgens alle joodse voorschriften – vervaardigd en cadeau gedaan bij de opening van de nieuwe synagoge in 2004.
Ligt de toekomst van joods Birobidzjan dus in Chinese handen? Misschien, maar ook andere sponsoren laten zich niet onbetuigd. De synagoge zelf werd deels betaald door een Amerikaans-joodse hulporganisatie, deels – in een unieke geste – door de Russische federale overheid. Voorlopig gaat joods Birobidzjan dus niet verloren. De zorgvuldig gecultiveerde joodse identiteit geeft naamsbekendheid, trekt toeristen en staat garant voor subsidies uit Moskou.
Zoals ook andere exotische groepen in het Verre Oosten kunnen rekenen op bijdragen voor het behoud van eigen taal en cultuur. In het Chinees-Russische grensgebied nabij Birobidzjan wonen nog tienduizend Nanai, van wie vierduizend vooral oudere mensen de eigen taal nog beheersen. Er verschijnt nog één keer per maand een Nanai-krant. Het Nanai-radiostation stopte ermee in 2004.

[...]

Uitgeverij Bas Lubberhuizen

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum