Leesfragment: Post Mortem

08 mei 2012 , door Peter Terrin
| | |

8 mei verschijnt Post Mortem, de nieuwe roman van de Vlaamse schrijver Peter Terrin. Wij publiceren vanavond de proloog en zijn eerste hoofdstuk voor.

 

Proloog

Ze wordt geboren op 10 augustus 2004, Renée Steegman. Om 14 uur 56 verlaat ze met een diepe frons tussen de wenkbrauwen de moederschoot. Terwijl ik Tereza help ademhalen, hangt boven ons een vroedvrouw die tegen de gigantische buik duwt. Tereza wil niet bevallen, ze wil haar kind dicht bij zich houden, ze weet dat ze haar buik vreselijk zal missen. Ze is tien dagen over tijd, de gynaecoloog vindt dat het nu moet gebeuren. ‘s Morgens gaan we naar het ziekenhuis en de weeën worden met medicatie opgewekt. Ik heb een boek mee, waar ik maar een halve pagina in lees. Tereza is verdrietig, onrustig, bang. Dan komt de pijn, de epidurale verdoving is te laat. Het lijkt of ze midden in de bevalling flauw zal vallen, ik weet niet of het kan, met zoveel adrenaline in het bloed, vrouwen die tijdens een bevalling flauwvallen. Als het hoofdje tevoorschijn komt, zegt de gynaecoloog: kijk, het hoofdje, ze heeft veel haar. Maar ik wil het niet zien, ik wil pas kijken als ze echt is geboren, huilt, leeft. Naar mijn gevoel heb ik nog alles te verliezen.

1

Als een blinde zocht hij met gestrekte armen naar de handdoek. Zijn ogen openen zou het prikken erger maken.
Hoe lang was het geleden dat hij shampoo in zijn ogen had gekregen? Hij kon het zich niet herinneren. In zijn kindertijd, allicht. Misschien had hij wel vaker shampoo in zijn ogen, betere shampoo, die niet prikte. Of was dit ouder worden, kleinzerig? Zou hij straks de shampoo van Renée moeten gebruiken, geurend naar aardbei?
Je bent veertig, dacht Emiel Steegman. Veertig is niet oud.
Tot overmaat van ramp hing niet één handdoek aan het verchroomde rekje boven de radiator, binnen bereik. Steeds probeerde hij anderen, door het goede voorbeeld te geven, door handdoeken op te hangen aan het rekje, duidelijk te maken hoe zij hem met eenvoudige dingen een plezier konden doen. Hij faalde.
Zijn boodschap was niet duidelijk. Ze meenden dat hij steeds hún een plezier deed. Op den duur vonden zij het normaal.
Wat zou Otto Richter hiertegen beginnen? De beroemde, bestverkopende schrijver genoot vanzelfsprekend de voordelen van zijn gezegende leeftijd, wat echter toen hij veertig was? Had hij dan al een jongere, onderdanige vrouw, die nauw op dingen als handdoeken lette? Wat als het humeur van Richter door een handdoek danig werd verstoord, dat de woorden hem de rest van de dag in de steek lieten? Het was simpelweg ondenkbaar. Hij had een huishoudster in dienst. Net zoals de weidse etage die hij toentertijd betrok in het rijkste kwartier van de hoofdstad, maakte het niet uit of hij zich een huishoudster kon veroorloven. Een schrijver, dat was toch iemand die de wereld naar zijn hand zette?
Een flits van Tereza, zijn eigen vrouw, ze had een met kant afgezette voorschoot om, een kapje op het hoofd, meer niet; ze kwam niet voor de handdoek.
Hij wimpelde zijn gedachte af, er was geen tijd, maar hij voelde zich al minder door haar nalatigheid ontzet dan voordien.
Hij stootte flacons om, badzout, speelgoed, de grote plastic kikker met de kleine kikkertjes erin. Hij leunde op de badrand en tastte zo ver hij kon naar een handdoek die mogelijk op de radiator lag. Onwillekeurig bewogen zijn ogen achter de gesloten oogleden, volgden zijn handen, keken naar wat hij zich verbeeldde, en elke beweging verhevigde het prikken. Misschien was het een zenuwaandoening, die plots, door de warmte van het stortwater, was doorgebroken. Een remedie tegen deze zeldzame ziekte bestaat niet. Slechts pijnstillers kunnen hem helpen, maar ook verdwazen zij hem en maken het schrijven compleet onmogelijk.
Een paar zinnen per dag, hooguit, getikt met betraande ogen. De rest van de tijd suffen op de bank. Dik worden. Waarom zocht hij een handdoek? Hoe zou een handdoek de pijn verlichten? Waar zat hij met zijn gedachten?
Weer zag hij de kaart van Europa, dit keer versierd met vreemde, bewegende sterretjes, die door zijn oogspieren telkens in één richting werden geduwd, langzaam vertraagden, tot ze weer één kant op schoten. Vroeger, toen hij een kind was, in het eerste donker na het doven van het nachtlampje, verscheen precies dit soort sterretjes tegen de zwarte binnenkant van zijn ogen. Het waren er altijd twee. In die tijd had hij niet aan sterretjes gedacht, maar aan de oplichtende ogen van een uil, die voor de rest onzichtbaar bleef. Het was een wijs dier, dat over hem waakte en dat hij in gedachten, nooit hardop, aansprak met ‘Meneer de Uil’. Hij bleef de hele nacht bij hem, verdween pas vlak voor hij ’s morgens wakker werd. Hij vertelde het aan niemand; het kwam hem zo normaal voor als het hebben van een vader en een moeder.
Misschien was zijn Meneer de Uil, die in niets geleek op deze uit Fabeltjesland, een vroege indicatie geweest van een sluimerende oogaandoening.
Hij navigeerde de sterretjes over de kaart van Europa, naar boven, naar het noordoosten, richting Baltische Zee en het trio voormalige Sovjetrepublieken. Hij had zich reeds ten volle op het diner voorbereid, en wist, zou nooit meer vergeten, dat Estland de bovenste van de drie staten is, hoofdstad Tallinn.
Op internet had hij ook het portret gevonden van een van de genodigden. De schrijver, ongeveer zijn leeftijd, had zich op aangeven van de fotograaf met zijn minst vleiende kant naar de lens gekeerd. Tenzij hij ook aan de andere zijde geplaagd werd door een vleesknobbel ter hoogte van de neusvleugelplooi, wat zeer onwaarschijnlijk leek. Nog minder waarschijnlijk was het, dat de Estse schrijver met opzet zijn lelijke kant had laten fotograferen, een statement ten overstaan van al die lezers die het belangrijk vinden dat boeken door mooie mensen worden geschreven, omdat de man er voor het overige verzorgd uitzag, zelfs geamuseerd glimlachte, tevreden met de wereld. Conform het beeld van de intellectueel droeg hij een overhemd met losse boord en een corduroy colbertjasje. De fotograaf had beslist een esthetische toets, maar een klare kijk ontbrak.
De knobbel was geen klassieke wrat, eerder een vergroeiing, als de knopen in een boomstam, die naarmate de man ouder werd onvermijdelijk in omvang zou toenemen en steeds nadrukkelijker zijn gezicht zou bepalen.
Wellicht heeft hij, dacht Steegman, terwijl hij water van zijn kin op de tegelvloer hoorde druppen, de fotograaf geen weerwoord durven te bieden. Een onbekende schrijver, blij dat zijn portret wordt gemaakt.
Want dat waren ze tenslotte allemaal: onbekend. Een diner met onbekende, goede schrijvers. De helft uit Estland. Uitmuntend georganiseerd door samenwerkende culturele overheidsinstanties, die de literatuur van hun land onder de aandacht wilden brengen. Een select gezelschap – niet meer dan twaalf personen, was hem verzekerd. Gecharmeerd door de goede bedoelingen en de onbetwistbare eer van de uitnodiging, had hij niet meteen nee gezegd.
Nog nooit had hij meteen nee gezegd.
Nee kon altijd later nog. Je wist maar nooit waar iets goed voor was. Uit welke richting het duwtje in de rug zou komen. Wie het kleine niet eert. Et cetera. Hij gruwde van de kruideniersmentaliteit die hem telkens opnieuw, impliciet, door aardige mensen werd aangepraat.
Na tien jaar schrijven, na vijf boeken, moest hij zich nog steeds tevredenstellen met kleine blijken van welwillendheid, met dineetjes midden in de week met Estse schrijvers die hier vier weken in een kasteel resideerden, en morgenavond vermaakt dienden te worden op een cultureel verantwoorde wijze. Een uitwisseling van intellectueel kapitaal. Hoeveel van zijn collega’s hadden niet meteen voor de eer bedankt, voor men, uiteindelijk, aan hem had gedacht, aan Steegman, altijd erkentelijk?
Hij liet de rand van het bad los en richtte zich op. Bang om uit te glijden draaide hij langzaam om zijn as, en tastte naar de waterkraan. Een handdoek zou geen soelaas bieden.
Het stond in de sterren geschreven dat hij naast de man met de neusknobbel aan tafel zal komen te zitten. Gedurende de hele maaltijd kan hij van nabij de uitwas bestuderen. Het ontneemt hem alle appetijt en doet hem midden in de nacht met een schreeuw ontwaken uit de ergste nachtmerrie sedert lang. De man is natuurlijk zo beleefd als hij zelf is. Ze schenken elkaar water bij, bieden het broodmandje aan. Belangstellend informeren zij naar elkaars werk. Hij heeft het over zijn weldra te verschijnen roman, De moordenaar, ja, zijn zesde al, en onderling, met z’n tweetjes, of zij al jaren vrienden zijn, heffen zij plechtig het glas op het succes van zijn nieuwe boek. Hij belast de verminkte Est niet met zijn geringe vertrouwen in de goede afloop.
De douchekop sputterde, kort daarop gleed de hitte als een lang gewaad over zijn hoofd. Het water sloot zijn oren af. Zijn stem, inwendig, klonk zwaar en ernstig: ‘Wegens nogal moeilijke tijden in de familie.’ Hij wachtte even, en herhaalde toen de woorden. ‘Wegens nogal moeilijke tijden in de familie.’
Vooral het woord ‘nogal’ beviel hem.
Toen hij de zin een derde keer had herhaald, wist hij dat hij een bruikbaar excuus had geformuleerd, dankzij ‘nogal’. Het was tegelijk vaag en dringend. Relativerend en dreigend. Eerst leek het wel mee te vallen, nu was het toch ‘nogal moeilijk’. Dat het excuus zo laat kwam, zou het nog geloofwaardiger maken.
Het was ook of hij met dat ene woordje de directrice van de organisatie iets persoonlijks toevertrouwde, zonder te zeggen wat. Zijn openhartigheid zou meteen begrip opwekken, ze zou herinnerd worden aan haar eigen besognes. In haar antwoord op zijn e-mail, binnen het kwartier, zou ze hem sterkte toewensen, discretie beloven. Als ze iets kon doen...
Hij leunde met beide handen tegen de muur, licht voorovergebogen, alsof hij, door die moeilijke tijden getroffen, optrad in zijn eigen speelfilm. Hij was het prikken in zijn ogen bijna vergeten, richtte zijn gezicht naar de harde stralen, maar durfde niet te kijken.
Hij zag de directrice, de tulpen in het elegante vaasje op de met linnen gedekte tafel. Ze wacht op haar man, die voor haar gekookt heeft, snel haalt hij de pepermolen. Ze zou hem al kunnen toespreken, over het kookeiland heen, maar ze wacht, inhaleert dankbaar de kruidige dampen die opstijgen van haar bord. Ze is een vrouw van bijna vijftig, wekelijks bezoekt ze de kapper. Moet je horen, zegt ze tegen Hans of Henk, wanneer die monter aanschuift. Steegman, je weet wel, blond haar en een zwaar brilmontuur? Hij heeft afgezegd voor het diner. Ik kreeg vandaag een kort bericht. Er moet daar iets ernstigs aan de hand zijn. Iets met zijn vrouw of zijn kind. Steegman zegt nooit nee...
Hij besloot af te tellen, zoals hij bij Renée zou doen. Het was de enige manier. Maar al bij twee, om zichzelf te bewijzen dat hij een man is, opende hij zijn ogen. Hij moest ze opensperren om te weerstaan aan de reflex ze te sluiten. Hij dacht dat hij kon voelen hoe elk van de scherpe waterstralen een deukje maakte in zijn weke oogballen. Opnieuw besloot hij te tellen, tot tien, dan zouden de schuimresten helemaal verwijderd zijn. Hij telde tot twintig, omdat na vijf het staren in het bruisende waas hem aangenaam geworden was. Bij twintig veranderde het prikken in een nieuw, onbekend gevoel, dat sterk op uitdroging leek.
Na wat knipperen en knijpen keek hij bij wijze van test om zich heen. In de badkamer stond alles op zijn vertrouwde plaats. De lichte, blauwgroene muurtegels uit de late jaren vijftig, rondom schouderhoog, overheersten nog steeds de ruimte, riepen nog altijd beelden op van mooie zwembaden in de zomer. Het bidet met het kapotte kraantje. De bestofte potjes en flesjes op het houten rek, met onderin de handdoeken. De grote wastafel, de spiegel, bruin bespikkeld, de kleurige visjes en hun zwierige staartvinnen, die in een rij op het vensterglas zwemmen.
Van het prikken voelde hij niets meer. Zijn zicht was scherp, zonder bril. Scherper dan ooit zag hij de spullen die zich een weg hadden gebaand naar dit huis, zich hadden ingesleten in zijn leven.

© 2012 Peter Terrin
© bv 2012 Uitgeverij De Arbeiderspers, Utrecht

Uitgeverij De Arbeiderspers

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum