Leesfragment: Praagse winter

27 november 2015 , door Madeleine Albright
| | | |

16 augustus verschijnt het nieuwe boek van Madeleine Albright, Praagse winter. Het verhaal van mijn jeugd in oorlogstijd 1937-1948 (Prague Winter, vertaald door Corrie van den Berg en Carola Kloos). Wij publiceren voor uit het hoofdstuk over de aanslag op Reinhard Heydrich.

Madeleine Albright is in 1997 net benoemd tot minister van Buitenlandse Zaken van de VS als ze tot de ontdekking komt dat haar grootouders van vaderszijde Joods waren en zijn omgebracht in de Tweede Wereldoorlog. Het is een grote schok; haar ouders hebben dat deel van hun familiegeschiedenis altijd voor haar verzwegen.

De ontdekking is het begin van een zoektocht naar de wortels van haar familie, maar ook naar de gecompliceerde geschiedenis van Tsjecho-Slowakije, het land waarin Albright de eerste jaren van haar leven opgroeide en dat haar familie bij het utibreken van de oorlog is ontvlucht. Haar jeugd bracht ze door in ballingschap, eerst in Londen en later in de Verenigde Staten.

16
De dag van de sluipmoordenaars

Marie Moravcová (Moravec) was een grote, gezette vrouw van in de veertig. Ze had bruin haar, bolle wangen en een onbezorgde lach, die sinds de invasie van de nazi’s niet vaak meer te zien was. Ze woonde in een driekamerflat in Žižkov, een arbeiderswijk aan de rand van Praag, zo genoemd naar de hussitische strijder Jan Žižka, een buurt waar het wemelde van de cafés. Marie deelde het flatje met haar man Alois, een gepensioneerde spoorwegarbeider, en hun eenentwintigjarige zoon Ata. Het was een goedhartig mens; ze werkte als vrijwilligster bij de Bond tegen Tuberculose en was secretaresse van de Zusters van het Rode Kruis. Dit was een invloedrijke organisatie in Praag, en de leden trokken het zich natuurlijk aan als vrienden moesten onderduiken om niet door de nazi’s te worden gearresteerd. Zulke gezinnen durfden geen distributiebonnen aan te vragen, zodat behalve de gevangenis ook nog verhongering dreigde. De vrijwilligers van het Rode Kruis gingen de problemen te lijf met besloten vergaderingen en voedselsmokkel, een handwerk dat ze zich snel eigen maakten. Mevrouw Moravcová was niet politiek geïnteresseerd, maar ze kende veel mensen en zei tegen de voorzitster van de vereniging: ‘Als u iets nodig hebt, sta ik tot uw dienst.’
Het was februari 1942. Heydrich was nu vijf maanden in Praag. De Tsjechische illegaliteit bestond nog, maar de mensen waren nerveus. Elke arrestatie leidde tot speculaties: wie was tegen de martelingen bestand en wie niet? Hoeveel wist de arrestant? Wie van ons is de volgende? Op een dag kregen de Zusters een dringende oproep: konden ze een paar jongelui onderbrengen? De eerste die zich aanbood was Marie Moravcová.
Het waren er aanvankelijk drie, allemaal achter in de twintig; ze stelden zich aan haar voor als Kleine Ota, Grote Ota en Zdenda. Marie vond onderdak voor hen en liet hen geregeld verhuizen; verder zorgde ze voor kleren, scheermesjes, sigaretten en eten. Ze stelde hen voor aan de conciërge van haar flatgebouw, František Spinka, een muntenverzamelaar die beneden woonde; hij beloofde de deur voor hen open te doen als ze ’s nachts thuiskwamen en het juiste wachtwoord fluisterden. Verder zou Spinka voor Zdenda’s grote zwarte herder zorgen. De vreemdelingen leidden kennelijk een ongeregeld leven.
Wat voerden ze in hun schild? De mannen besteedden veel tijd aan het verkennen van de routes die van de hoofdstad naar Panenské Bàežany leidden, de voorstad waar Heydrich met zijn gezin in een schitterend kasteel woonde. Zdenda en zijn kameraden sjokten zo onopvallend mogelijk langs de wegen, onderwijl het struikgewas en de boomgroepen aan de kant van de weg inspecterend. Ze letten speciaal op bochten in de weg en kozen ten slotte voor een glooiend stuk, waar auto’s op weg naar Praag vaart moesten minderen voor een scherpe bocht naar rechts, om dan de brug naar de stad over te steken. Het was hier een woonwijk met smalle straatjes en kleine huizen, zonder politiebureau. Via hun contacten in de Tsjechische staf van kasteel Hradèany kwamen ze te weten hoe Heydrichs rooster eruitzag. Ze wisten dat hij dat punt elke ochtend en avond in zijn auto passeerde, soms met bewakers, maar meestal niet.
Als mensen uit het verzet vroegen waar ze mee bezig waren, zeiden de mannen lachend dat ze ‘de eenden in de Vltava moesten tellen’. Ze hadden alle drie een zorgvuldig verborgen aktetas. Kleine Ota kreeg een vriendin, een kennisje van mevrouw Moravcová. Grote Ota vroeg de negentienjarige dochter van het gezin waar hij logeerde ten huwelijk. Af en toe vroegen de mannen Marie, of ‘tantetje’, zoals ze haar noemden, om iets bijzonders: een stuk touw, een plek om een seintoestel te verstoppen, een fiets waar het serienummer vanaf was gevijld.
Kleine Ota was in werkelijkheid Gabèík; Grote Ota was Kubiš; Zdenda was sergeant Josef Valèik, een radiotelegrafist wiens team afzonderlijk was toegevoegd op dezelfde avond als de andere twee. Begin april kregen ze gezelschap van luitenant Adolf Opálka, de hoogste officier van een afdeling die eind maart per parachute was gearriveerd. Hij werd vergezeld door iemand die zich Vrbas noemde, wiens echte naam, die later bezoedeld zou raken, Karel Èurda was. De parachutisten stonden met Londen in contact via een seintoestel in het dorp Pardubice, dat door andere leden van hun team werd bewaakt. De koeriers verplaatsten zich lopend of op de fiets en hanteerden een hele reeks speciale klopjes, wachtwoorden en codes. Elk gedecodeerd bericht werd, met handhaving van de inhoud, in andere bewoordingen herschreven, zodat het, zelfs als het werd onderschept, niet kon worden gebruikt om de code te kraken. Soms kwamen de instructies van Beneš zelf.
Eind april vroeg mevrouw Moravcová haar zoon op een ochtend om met Zdenda mee te gaan naar een plek buiten de stad, om een radiobaken op te halen dat daar was verstopt door een ander parachutistenteam, dat onlangs gearriveerd was en bij de landing in moeilijkheden was geraakt. Nog voor ze hun taak hadden kunnen volbrengen werden de twee mannen aangehouden door een Tsjechische politieagent, die zei dat ze terug moesten gaan; het gebied werd namelijk zwaar bewaakt door de Duitsers. Ata, die toch al erg geschrokken was van de woorden van de agent, raakte nog meer in de war door een waarschuwing van Zdenda: ‘Zie je die kist, Ata? De Hunnen zouden daar zo hard tegenaan kunnen trappen dat hij gaat praten; maar als dat jou overkomt, zeg je niets, geen woord, begrepen?’
Hoewel het doel van Operatie Antropoïde geheim was, vermoedden allerlei figuren in de ondergrondse wat er aan de hand was; er ontstonden verhitte discussies tussen de parachutisten – die onder orders stonden – en de plaatselijke leiders, die vreesden dat hun eigen plannen door de – al dan niet geslaagde – actie in het honderd zouden lopen. Het verzet drong er in een boodschap aan Londen op aan de operatie niet te laten doorgaan, of anders een minder provocerend doelwit te kiezen. Op 15 mei leek Beneš in een toespraak voor de bbc het antwoord te geven:

In deze situatie kan een blijk van kracht in eigen land – rebellie, openlijke actie, sabotage en demonstraties – wenselijk of noodzakelijk worden. Op het internationale vlak zou dit soort acties bijdragen aan het behoud van de natie zelf, ook al zouden ze vele offers kosten.

De instructie leek wel duidelijk: het aftellen was begonnen. In Londen luidde de boodschap: ‘Het vuurtje niet aanwakkeren, nu Beneš zich heeft uitgesproken.’ Op 21 mei ontving mijn vader een niet ondertekend memo op een verder blanco vel papier: ‘In de uitzendingen van de bbc wordt te veel aandacht besteed aan sabotage. Er vindt nog steeds sabotage plaats, maar hoe minder erover gezegd wordt, hoe beter.’ In Praag moest het team haast maken; uit het kasteel kwam het bericht dat het doelwit binnenkort naar Frankrijk zou worden overgeplaatst.

Op 26 mei 1942 opende Heydrich ’s avonds het Praagse Muziekfestival, waar kamermuziek zou worden uitgevoerd die door zijn vader was gecomponeerd; de trotse zoon schreef de tekst voor het programma. Het was een gedenkwaardig moment.
De volgende ochtend, een woensdag, werd de waarnemend Protektor per auto van zijn landgoed naar zijn kantoor in Praag gebracht. Ondanks de waarschuwingen uit Berlijn had hij geen politie-escorte; hij dacht dat geen enkele Tsjech het zou aandurven om een aanslag op hem te plegen. Toch reed zijn open Mercedes met hoge snelheid, totdat hij bij het naderen van de haarspeldbocht gedwongen was vaart te minderen. Opálka en Valèik, die op de uitkijk stonden, gaven een teken dat hij eraan kwam. Toen de auto de bocht in ging, kwam er aan de kant van de weg iemand tevoorschijn; deze figuur schudde zijn regenjas af en richtte een machinegeweer op het voertuig. Er gebeurde niets: het wapen van Gabèík blokkeerde. Je zou denken dat Heydrich zijn chauffeur opdracht gaf om snel door te rijden, maar in plaats daarvan trok hij zijn pistool; hij stond op en liet de chauffeur remmen. Op dat moment kwam Kubiš uit de schaduwen aan de overkant tevoorschijn en gooide hij een van zijn zware antitankgranaten naar de rechterachterband. Een luide explosie verbrak de ochtendstilte. De bom had de band net niet geraakt, maar door de kracht van de ontploffing werden stukjes metaal, glas en vulling van de autobanken weggeslingerd, die de passagier in zijn buik troffen.
Heydrich viel achterover; met zijn ene hand greep hij naar zijn buik, terwijl hij met de andere met zijn pistool zwaaide. Hoewel Kubiš zelf granaatsplinters in zijn borst en zijn voorhoofd had gekregen, sprong hij op zijn fiets en reed hij als een razende naar de aangrenzende wijk Liben. De chauffeur kwam de auto uit; hij was te laat om Kubiš tegen te houden, maar ging achter Gabèík aan, die zijn machinegeweer had verwisseld voor een revolver en met fladderende das de heuvel op rende in de richting van waaruit de auto gekomen was. Al schietend holden de beide mannen door, totdat Gabèík buiten adem een steegje in schoot en een slagerij binnenglipte, die helaas gerund werd door een fascist. De slager schrok zich dood en vloog naar buiten, waar hij wild gebaarde naar de chauffeur; deze stelde zich op achter een paal en begon de winkel te beschieten. Gabèík schoot terug en de chauffeur greep grommend naar zijn been. De jongeman zag zijn kans schoon, liep weer naar buiten en rende weg, ditmaal achtervolgd door de slager, die hij algauw achter zich liet.
Valèik en Opálka wisten ongezien te ontkomen. Die avond en in de angstige dagen erna hielden mevrouw Moravcová en de leiders van het verzet zich stilletjes bezig met het verstoppen van de samenzweerders, het verbinden van de wonden van Kubiš en het beramen van plannen voor de komende tijd.
Heydrich was intussen ijlings naar het Bulovka-ziekenhuis gebracht in een gevorderde bestelwagen, een tweecilinder Tatra, waarin hij achterin was neergelegd tussen kratten vol vloerwas en blikken meubelwas. De angstige bestuurder zag een gewonde die ‘er niet best uitzag, geel als een citroen en nauwelijks in staat om op zijn benen te staan’5. Een Tsjechische dokter maakte de acht centimeter diepe wond schoon, maar direct daarna namen Duitse artsen het over. Ze besloten dat de patiënt moest worden geopereerd, en die middag pompten ze zijn linkerlong op, verwijderden ze de punt van een gebroken rib, hechtten ze het gescheurde middenrif en haalden ze de milt eruit, die doorboord was door granaatsplinters en vezels van de bekleding van de auto.


Heydrichs beschadigde auto.

Himmler kwam zijn gevelde protegé direct in het ziekenhuis opzoeken en stuurde zijn lijfarts om de zorg voor hem op zich te nemen. Even leek Heydrichs toestand zich te stabiliseren, maar toen kreeg hij koorts. Op 3 juni raakte hij in coma; de volgende dag overleed hij om halfvijf in de ochtend. De doodsoorzaak was naar het scheen bloedvergiftiging. Zijn lichaam werd opgebaard in de Praagse burcht, en op 9 juni werd hij in Berlijn begraven. Hitler hield een toespraak en eerde hem door een eenheid van de Gestapo aan het oostfront naar hem te vernoemen.

‘De schoten die op 27 mei in Praag weerklonken,’ verklaarde mijn vader drie dagen na de aanslag voor de radio, ‘waren geen opzichzelfstaande gebeurtenis […] maar het gevolg van de spanning die op 15 maart 1939 was ontstaan. […] Geen enkel volk kan het lot van slaven aanvaarden of afstand doen van zijn bestaansrecht. Het trotse Tsjechische volk kan dat niet.’
De moord op de Slager van Praag, zoals hij in het Westen werd genoemd, was aan weerskanten van de Atlantische Oceaan voorpaginanieuws. Intussen eiste niemand de verantwoordelijkheid op. De Duitsers slaagden er niet in verdachten op te sporen en beschikten niet over concrete aanwijzingen. In Londen hield Beneš zijn mond. In New York was Jan Masaryk minder zwijgzaam. Op de vraag van nbc of Heydrich misschien vermoord was door een rivaal bij de Gestapo, antwoordde hij met een overduidelijke hint. ‘Uit bepaalde aanwijzingen waarover ik nu niet wil uitweiden,’ zei hij, ‘maak ik op dat het Tsjechische volk dit kunststukje heeft volbracht. Ik durf zelfs te beweren dat inwoners of mensen uit een vrij land, misschien uit Engeland, deze verplichting jegens de mensheid nagekomen zijn.’ Alsof dat niet duidelijk genoeg was, voegde Masaryk eraan toe: ‘Weet u […] er bestaat zoiets als een parachute.’
De moord veroorzaakte een definitieve breuk tussen de ballingen in Londen en de marionettenregering van het Protektoraat. Hácha was aanwezig bij een herdenkingsdienst voor Heydrich in Praag, spoorde het publiek aan om aan de opsporing van de aanslagplegers mee te werken en droeg zijn steentje bij aan de beloning die werd uitgeloofd voor het vinden van de moordenaars. Verder gaf hij Beneš de schuld van alle ontberingen van het Tsjechische volk; hij noemde de president zelfs staatsvijand nummer één. Dat werd mijn vader te veel. In zijn uitzending van 30 mei verklaarde hij dat de regering in ballingschap Hácha er nooit van had beschuldigd dat hij ‘een verrader of een quisling was, omdat we ons realiseerden onder welke omstandigheden het zogeheten Protektoraat tot stand was gekomen’. Maar hij zei dat het kabinet had moeten aftreden, liever dan ook maar één dag naast Heydrich te regeren. ‘Het zou beter zijn geweest als ze op het juiste moment waren vertrokken, waarmee ze zichzelf deze zware verantwoordelijkheid en deze schande hadden bespaard.’
Voor de regering in ballingschap in Engeland was het een spannende periode. Beneš en zijn inlichtingendienst waren blij dat de missie geslaagd was, maar tastten in het duister omtrent het lot van de moordenaars. Zoals uit hun groeiende vijandigheid jegens Hácha bleek, was het van essentieel belang om het publiek in het vaderland op hun hand te krijgen. Dag in dag uit werden de Tsjechen en de wereld in de uitzendingen van de bbc herinnerd aan Heydrichs wandaden. ‘De leiders van het huidige Duitsland en het hele Duitse volk zijn verantwoordelijk,’ zei mijn vader. De woorden van Stalin aanhalend voegde hij eraan toe: ‘Willen we onze vijand verslaan, dan moeten we hem haten, met heel ons hart en uit het diepst van onze ziel.’
Op 5 juni was mijn vader ’s avonds bezig een nieuw bulletin over de dood van Heydrich voor te lezen, toen de Britse censor de uitzending midden in een zin onderbrak. De tekst was blijkbaar niet volledig gekeurd. De geschiedenis vermeldt niet hoe mijn vader reageerde, maar ik trof wel het volgende gegeven aan. In een klacht die de censor indiende bij de bbc, staat: ‘Kunnen jullie niet tegen Korbel zeggen dat hij zijn geschreeuw vóór zich moet houden?’ De emoties liepen kennelijk hoog op.

Zodra Hitler van de schietpartij hoorde, gaf hij opdracht alle Tsjechische politieke gevangenen te executeren en nog eens tienduizend mensen op te pakken. Toen zijn adjudanten hem erop wezen dat zulke omvangrijke represailles niet wenselijk waren, zag hij ervan af en koos hij voor een meer tactische, maar niet minder barbaarse zet.
Lidice was een mijnwerkersdorp, zo’n dertig kilometer ten noorden van Praag, niet ver van het landhuis van de familie Masaryk. De Gestapo had een tip gekregen over hulp van de dorpelingen aan de parachutisten, misschien zelfs aan Heydrichs moordenaars. Dit was niet waar, maar op 9 juni, een paar uur na Heydrichs begrafenis, omsingelden ss-troepen ’s avonds het dorp. Ze doorzochten elk huis, namen kostbaarheden in beslag en dreven de inwoners bij elkaar. Bij zonsopgang werden de mannen, 173 in totaal, van hun gezinnen gescheiden en doodgeschoten.
De vrouwen en kinderen werden naar een gymnastieklokaal in een naburige plaats vervoerd, waar ze ondervraagd en gefouilleerd werden. Een aantal van de jongste kinderen, degenen met blond haar en noordse gelaatstrekken, werden aan arische gezinnen gegeven om als Duitsers te worden grootgebracht. De resterende kinderen (een stuk of tachtig) gingen naar Polen, eerst naar £ódŸ, vervolgens naar Chelmno, waar ze op 2 juli in de gaskamers werden vermoord. De vrouwen werden naar concentratiekampen gestuurd. De inwoners van Lidice die ten tijde van de massamoord weg waren of nachtdienst hadden, werden opgespoord en gedood. Elk gebouw werd in brand gestoken of opgeblazen en de begraafplaats werd omgeploegd. De plaatsnaam werd van de landkaarten verwijderd. Zelfs een rivier die erdoorheen stroomde werd omgeleid.
Op foto’s van Lidice die voor de massamoord zijn genomen is een kerktoren te zien, en de schuine daken die zo typerend zijn voor de huizen op het Boheemse platteland. De huizen zijn ruim en liggen onregelmatig verspreid in een halve cirkel rondom de kerk, op een zacht glooiende heuvel. Een rij populieren biedt bescherming tegen de noordenwind. Op foto’s die na de moordpartij zijn gemaakt zie je slechts grasland, met middenin een vierkant stuk waar niets groeit. Verder is er niets te zien, geen stuk hout, geen verkoolde resten, geen stenen funderingen of andere tekenen van bewoning. De rij populieren is blijven staan, maar ze zijn even boven de grond afgehakt. De nazi’s hebben het allemaal gefilmd. Na zijn terugkeer in Praag vertrouwde een ss’er een Tsjechische veiligheidsbeambte toe: ‘We hebben geen verraders gevonden, maar het was een prachtige dag.’


Het afbranden van Lidice.

De aanslag op Heydrich was voor de nazi’s een provocatie die zelfs door de verwoesting van Lidice niet werd goedgemaakt. Uit Berlijn kwamen orders dat de moordenaars moesten worden gestraft. Duizenden huizen, winkels en pakhuizen werden doorzocht. Er werden honderden potentiële verdachten opgepakt en verhoord. De bewijsstukken – Gabèíks aktetas en Kubiš’ fiets – werden voor het publiek tentoongesteld. Wie informatie verstrekte die tot opsporing van de moordenaars zou kunnen leiden, kon op de dankbaarheid van de Führer en een royale beloning rekenen. Intussen kon een verkeerde opmerking in een bar of op straat iemands dood betekenen. ‘Goedkeuring van de moord’ werd als een halsmisdaad beschouwd, waarvoor 477 Tsjechen zouden worden terechtgesteld.
Tereza Kašperová, moeder van een kind van zeven, vertelde hoe ‘de Gestapo en de ss in heel Praag flats en huizen doorzochten, schreeuwend en brullend, op zoek naar de mannen die verantwoordelijk waren voor de aanslag’. Ze doorzochten ook haar huis, maar verzuimden achter het grote blauw-gele kussen te kijken dat tussen een bank en de muur was gepropt, zodat ze niet zagen dat achter het kussen een kast zat en in die kast luitenant Opálka.
Hoe fanatiek er ook werd gezocht, vóór de verwoesting van Lidice werden er geen parachutisten opgepakt. Zeven van hen waren ondergedoken in Praag, onder wie de vier aanslagplegers (Kubiš, Gabèík, Opálka en Valèik). Het verzet vond het het verstandigst om hen, nu de veiligheidspatrouilles de stad uitkamden, op één plek bij elkaar te zetten in plaats van verspreid over de stad. Jan Sonnevend, de plaatselijke leider van de christelijk-orthodoxe kerk, had opgemerkt dat de nazi’s godshuizen niet al te uitgebreid doorzochten. Hij stelde voor dat de mannen zich zouden verbergen in de crypte onder Karel Boromejsky (Carolus Borromeüs), een kerk die gewijd was aan Cyrillus en Methodius, de heiligen die zo’n duizend jaar geleden het Tsjechische land hadden gekerstend.
Toen Marie Moravcová zich ervan had verzekerd dat de parachutisten op een veilige plek zaten, vertrokken zij en haar gezin voor een paar dagen uit Praag. Ze ging onder andere naar Pardubice, waar het seintoestel was verstopt; daar kreeg ze op haar verzoek een cyanidecapsule. Na haar terugkeer begon ze zich weer nuttig te maken; ze bracht pakketten met voedsel, koffie, tabak en petroleum naar tussenpersonen, die ervoor zorgden dat ze de kerk bereikten. Soms nam de vrouw van de conciërge de pakketten mee; ze gingen steeds langs andere routes en werden op steeds andere plaatsen overhandigd. Marie vertelde niemand waar de mannen waren, maar zei wel tegen intimi dat ze opgewekt waren, ook al wist ze dat dat niet waar was. De mannen sliepen in holten die in de muur waren uitgehakt, waar de doodkisten van monniken hadden gestaan. Zelfs in juni was het nog koud in de crypte. De vluchtelingen hadden alleen maar een paar kleine kacheltjes om op te koken en zich aan te warmen. Het moreel was een groter probleem. De mannen kregen kranten onder ogen; ze wisten dat honderden Tsjechen als gevolg van de aanslag werden gedood en nog eens duizenden werden vastgehouden en mishandeld. Gabèík en Kubiš bespraken de mogelijkheid om de volle verantwoordelijkheid op zich te nemen en dan zelfmoord te plegen.
De leiders van het verzet zeiden dat ze zulke gedachten uit hun hoofd moesten zetten; ze konden zich beter concentreren op mogelijkheden om te ontsnappen. Er werd een plan bedacht: vier van de zeven parachutisten zouden in een politieauto naar een naburige stad worden gebracht, terwijl de andere in doodkisten naar een andere stad zouden worden getransporteerd. Daarna zou de hele groep naar een clandestiene airstrip in de bergen worden gebracht, waarvandaan een vliegtuig hen naar Londen zou brengen. De operatie zou op vrijdag 19 juni plaatsvinden.
Die maandag ging mevrouw Moravcová er weer opuit met een pakket. Toen ze terugkwam, zei ze tegen de conciërge dat ze voor woensdag iets speciaals zou klaarmaken – een van de parachutisten was jarig.

Een van de opvallendste beelden in de Sint-Vituskathedraal, die uitkijkt over Praag, stelt de duivel voor, die de ziel van Judas Iskariot uit zijn mond rukt.
Karel Èurda was nu twee maanden in het Protektoraat. Zijn parachutistenteam had radiobakens moeten plaatsen ter ondersteuning van geallieerde bombardementen op de Škoda-fabriek, maar die missie was mislukt. Daarna was hij naar Praag gegaan, waar hij een aantal andere parachutisten had ontmoet; maar hij had niet deelgenomen aan de aanslag. Na de aanslag week hij uit naar Zuid-Bohemen, naar het huis van zijn familie, waar hij zich verborg in een schuur. Terwijl de uren en dagen tergend langzaam verstreken, overwoog hij welke opties hij had. Hij was op de hoogte van de gebeurtenissen in Lidice en van het dreigement van de nazi’s om nog meer onschuldige Tsjechen te doden. Hij was zelf op het nippertje ontsnapt en bracht door zijn aanwezigheid zijn hele familie in gevaar. Ook had hij gehoord van de hoge beloning die was uitgeloofd voor informatie die naar de moordenaars leidde. Op 16 juni nam hij een besluit en vertrok hij naar Praag en het hoofdkwartier van de staatspolitie. Hij was bereid zijn land en zijn vrienden te verraden. Maar hoeveel schade kon hij aanrichten? Hij wist niet precies wie van zijn medeparachutisten aan het complot tegen Heydrich hadden deelgenomen. Hij had geen idee waar de samenzweerders ondergedoken zaten. Hij kende slechts één naam die er misschien toe deed, de naam van een vrouw van middelbare leeftijd die voor korte tijd onderdak voor hem had geregeld in Praag, een vrouw uit de wijk Žižkov die ‘tantetje’ werd genoemd, Marie Moravcová.

[...]

Uitgeverij Ambo|Anthos

MINDBOOKSATH : athenaeum