Leesfragment: Reizen zonder John

17 augustus 2012 , door Geert Mak
| | |

23 augustus verschijnt het nieuwe boek van Geert Mak, Reizen zonder John. Op zoek naar Amerika. Vanavond publiceren we een fragment voor. 

Altijd al was Amerika een ‘geheime liefde’ voor Geert Mak. Bijna ieder jaar reisde hij er rond, als journalist en zomaar, als toeschouwer en luisteraar. Het land hield hem een spiegel voor waarin hij Europa en Nederland telkens weer met een nieuwe blik kon bekijken. Nu richt hij zijn blik, eindelijk, op Amerika zelf. 

Geert Mak – gevierd en geliefd chroniqueur van Amsterdam (De engel van Amsterdam, Een kleine geschiedenis van Amsterdam) van Nederland (Hoe God verdween uit Jorwerd, De eeuw van mijn vader), en van Europa (In Europa, De hond van Tišma) – deelt zijn liefde voor en kennis over Amerika met ons in zijn nieuwste boek Reizen zonder John. Op zoek naar Amerika.

Hij volgt daarin het spoor van de legendarische schrijver John Steinbeck, die in het najaar van 1960 met zijn poedel Charley een ontdekkingsreis maakte dwars door het toenmalige Amerika. Zijn tocht beschreef hij in de klassieker Reizen met Charley. Geert Mak maakte diezelfde reis, precies vijftig jaar later.

In Reizen zonder John volgt Mak de Amerikaanse geschiedenis op een vergelijkbare wijze als de Europese geschiedenis in In Europa: een combinatie van een reis door het continent en een reis door de tijd. Tegelijkertijd onderzoekt hij, al kijkend en pratend met wie hij maar ontmoet, Amerika de afgelopen halve eeuw veranderd is. Zijn de dromen van toen nog de dromen van nu? Is Amerika nog ‘het beloofde land’? En wat bindt Amerika en Europa nog?

 

‘Niemand kon vertellen wanneer het grote feesten precies was losgebarsten. Er waren mensen die beweerden dat het al direct na de oorlog losging, onmiddellijk na VJ-Day op 14 augustus 1945, toen iedereen danste op straat en een gevluchte Duitse jood, Alfred Eisenstaedt van Life, op Times Square de plaat van zijn leven schoot: een matroos die, uitzinnig van vreugde, een kus drukt op de lippen van een verpleegster.

Het waren de maanden waarin uit alle hoeken van de wereld de GI’s terugkwamen, de jaren waarin iedereen plotseling zakken vol geld had, want ook in Amerika was alle luxe jarenlang schaars geweest, en op rantsoen. Nu kon je opeens weer wasmachines kopen, en radio’s, en de nieuwste Chevrolet. General Electric overspoelde het land met luxe uitvindingen: keukenmachines, broodroosters, elektrische vloerwrijvers, FM-radio’s, elektrische dekens en ga zo maar door. Ze werden aangeprezen door de tv-verkoper bij uitstek, Ronald Reagan – een geliefd acteur die met dit werk gaandeweg leerde ook zichzelf te verkopen. Oude idealen werden opgeschort, ‘selling out’ werd een begrip – je ging werk doen waarin je geen zin had, maar waarbij je wel prima verdiende. Het waren de maanden en jaren waarin de Britse Vera Lynn de Amerikanen in het hart raakte: A kiss won’t mean “goodbye” but “Hello to love”. Ja, toen begon het, met die kus op Times Square.

Een ander begin van die glorieuze tijden, een oudere Amerikaan vertelde me dat ooit: de auto’s. Voor hem begon het allemaal met de auto’s. Of, beter, de kleuren van de auto’s. Volgens hem was het de herfst van 1954. In dat najaar zag hij opeens drommen mensen voor de showrooms van de plaatselijke autodealers.

De aardse kleuren van voorheen waren vervangen door pastellen, roze en lichtblauw. De nieuwe modellen hadden ronde, panoramische voorruiten, en, bij de Cadillac, een vreemde achterkant, met staartvinnen als van een jachtvliegtuig. De verkopen vlogen omhoog, alleen al tussen 1954 en 1955 met 37 procent.

Nu braken er werkelijk andere tijden aan, zo’n gevoel gaven die auto’s. En dat klopte: ergens in dat decennium veranderde de Amerikaanse maatschappij abrupt in toon en mentaliteit, van een overlevingssamenleving in een consumptiesamenleving, van een wereld van zwoegers in een wereld van genieters. De interieurs stonden nog vol spullen uit de jaren dertig en veertig, maar tussen die bruinige meubels en gehaakte kleedjes groeide een nieuwe levensstijl, met alle elementen van de oude soberheid, en tegelijk met een soort vrolijke verbazing. ‘In welk sprookjesland zijn we nu terecht gekomen?’, dat was de algemene stemming.

Natuurlijk, ook in Europa nam de welvaart tijdens de jaren vijftig toe. Maar als er in het toenmalige Europa werd gesproken over ‘belangrijke aankopen’, dan ging dat om een winterjas, een leunstoel, een stofzuiger. In Amerika dacht men aan een nieuwe auto, een televisietoestel, een afwasmachine. Bijna zestig procent van de Amerikaanse gezinnen bezat een eigen huis – dat was nooit eerder vertoond. Op de ‘happiness-question’ antwoordde rond 1957 meer dan de helft van de Amerikanen: ‘Very happy’. Nooit was het meetbare geluk zo groot geweest, nooit zou het ook meer zo groot worden.

Wie nog eens teruggeslingerd wil worden naar het toenmalige Amerika moet op YouTube eens kijken naar het familiefilmpje Disneyland Dream, gedraaid in de zomer van 1956 door de enthousiaste amateurfilmer Robbins Barstow. Barstow legde jaar na jaar de belevenissen van zijn gezin vast, en hij deed dat zo leuk en origineel dat zijn filmpjes langzamerhand klassiekers zijn geworden.

In Disneyland Dream neemt het gezin – vader, moeder, drie kinderen van vier tot elf – deel aan een wedstrijd van het nieuwe Scotch-plakband. Voor de winnaars ligt een reisje in het verschiet – met een vliegtuig! – naar Anaheim, Californië, naar het toen net geopende Disneyland. En warempel, de jongste zoon, Danny, wint de hoofdprijs met de ijzersterke slogan: ‘Ik houd van Scotch cellofaan-plakband omdat, als dingen scheuren, ik het prima kan gebruiken.’

Opwinding alom, en alle buren van de Barstows – iedereen wordt bij naam genoemd, de vrouwen in losse bloemetjesjurken, de mannen in slobberbroeken en werkhemden – komen uit hun voortuinen om de familie uit te zwaaien. Vervolgens is er de spannende vliegreis van negen uur naar Californië, aan boord van een TWA-Super Constellation, met ruimte voor welgeteld 64 passagiers. Dan de simpele kermis van het beginnende Disneyland. In het hotel juicht Barstow over het feit dat het chique zwembad nu ook voor hen toegankelijk is, ja, de dagen zijn voorbij dat deze luxe alleen aan een elegante elite was voorbehouden. Het gezin lost het budgetprobleem op door niet in restaurants te eten, maar buiten te picknicken.

Cynisme of twijfel is nergens te bekennen, iedere minuut van het filmpje is vol zon, onschuld en een onophoudelijk enthousiasme. Inderdaad, zo besluit Barstow zijn film, Walt Disney heeft gelijk, Disneyland is ‘the happiest place on earth’. En het hele gezin is voor deze ervaring ‘voor altijd dankbaar jegens Scotch-cellofaan-plakband’.

Het slotkoraal van deze lieflijke Amerika-cantate: vanaf nu horen we allemaal bij elkaar, en iedereen kan het maken in deze nieuwe tijden.

Wij, Europeanen, hoorden die klanken vanuit de verte. Voor ons, kinderen in de provincie, was Amerika een droomland, met een losse levensstijl waarvan een enkele keer een flard over de oceaan kwam zeilen. Kort na de val van de Berlijnse Muur logeerde ik bij een familie in Armenië: jarenlang hadden de meisjes er lege parfumflesjes van Chanel en Lancôme verzameld, de hele badkamer stond er vol mee, ergens diep in de flacons hing nog het aroma van het rijke Westen.

Op dezelfde manier beleefden wij, Europese kinderen van de jaren vijftig, Amerika: via een paar glimmende tijdschriften, via een speelgoedauto van zacht en taai plastic – alleen al het vliegwiel was van verbluffende kwaliteit –, via een gratis Donald Duck die op een herfstdag opeens in de bus viel, en waarbij duizend horloges – omgerekend in de huidige jeugdeconomie: duizend iPads – werden verloot. En dan de inhoud van het nummer: ‘Donald Duck als schoolmeester’, de neefjes wagen het zelfs om een ijsje op het hoofd van hun vermoeide oom uit te drukken! Zomaar een ijsje kapotduwen!

Uit dat Amerika komen op een gegeven moment pakjes groen-witte poeder waaruit een huisvrouw zomaar een pan soep kan toveren: California heet het spul. California fluisteren we, California. In de provinciestad waar ik opgroei sjouwen we vanaf onze moestuin met zelfgeteelde kool, sla en aardappels langs een paar nieuwe fabriekjes over de Marshallweg, genoemd naar een generaal die, zo begrijp ik, al die bedrijfjes schijnt te hebben betaald: Amerika! Wij kopen van ons zakgeld platte pakjes kauwgom, mooi ingepakt, met een los plaatje van een filmster – die sparen we –, en alles ruikt vreemd en rozig: Amerika! Lionel Hampton komt naar Nederland, in september 1953, de saxofonist speelt liggend op zijn rug, Hampton zelf verlaat zijn vibrafoon om een potje te gaan drummen en een dansje te maken op de tekst: ‘Hey Ba Be Re Bop’. Het commentaar van het dagblad De Gelderlander: ‘Mateloos moet die leegheid des harten zijn waarin de hang naar hogere waarden dan die van negergekreun zoek is.’ Maar het publiek, niets gewend, is door het dolle heen. Amerika!’

En wie was John?

John Steinbeck was in 1960 58 jaar oud. Hij was getrouwd met Elaine Anderson, een keurige Texaanse dame die een zekere gelijkenis vertoonde met Lady Bird Johnson, de vrouw van de invloedrijke senator en latere president. Ze woonden de meeste tijd in Sag Harbor, een oud vissersstadje aan de Oostkust, tussen de krokodillenkaken van Long Island, twee uur oostwaarts vanaf New York. Hij had er een klein huis, met in de tuin een schrijfkoepeltje waarin hij de meeste tijd doorbracht.

Het is begrijpelijk dat Steinbeck vanaf het eerste moment viel voor Sag Harbor. Hij was een kind van de andere oceaan, van de Westkust, uit Californië. Hij was afkomstig uit Salinas, het centrum van een welvarend boerengebied in het midden van Californië, zo’n twee uur ten zuiden van San Francisco.

Daarna zou hij jaren doorbrengen aan de oceaan in Pacific Grove, een half uurtje vanaf Salinas, vlakbij de stinkende sardine-industrie op de pieren van Monterey.

In die jaren begon hij met een reeks novellen die over de hele wereld bekend zouden worden: Tortilla Flat (1935), The Red Pony (1938), Of Mice and Men (1937), Cannery Row (1945) – met zijn vriend Ed Ricketts in de romantische rol van ‘Doc’ - en The Pearl (1947). De verhalen speelden zich meestal af in Californië, en altijd gingen ze over eenvoudige levens, over moeizaam verworven geluk, over het noodlot, over de taaiheid van de overlevers.

Hij had een enorm gevoel voor titels. The Grapes of Wrath (1939)– over het ellendige lot van degenen die in de jaren dertig door de grote droogte in de Midwest van hun land waren verdreven – en East of Eden (1952)– een bijna bijbels drama over een worsteling tussen twee broers, min of meer gebaseerd op zijn eigen familiegeschiedenis in Salinas, werden klassiekers.

Naar roem en onsterfelijkheid streefde hij niet – al kwam dat allemaal wel op zijn pad. In zijn hart was hij een teruggetrokken ambachtsman, een timmerman met woorden. Toch groeide hij uit tot een van de bekendste Amerikaanse schrijvers. Rond zijn veertigste was zijn status onaantastbaar, ieder nieuw boek van zijn hand was een gebeurtenis.

Steinbeck zelf twijfelde in zijn latere leven steeds meer over de kwaliteit van zijn werk. Hij vroeg zich bijvoorbeeld af hoe het kwam dat de meest auteurs, na een bestseller, nooit meer met iets goeds kwamen. Pas later, zou hij ooit vertellen, begreep hij het. ‘Je wordt je bewust van jezelf, en dat is het einde van je schrijven.’

Zelf had hij in de jaren vijftig een indrukwekkend oeuvre op zijn naam staan, maar hij vond al dat succes maar dubieus: ‘Ben ik dit wel waard?’ ‘Beteken ik eigenlijk wel iets? Hij schreef over het ‘rusteloze Amerika’, maar hij was er zelf een toonbeeld van, altijd zoekend, altijd worstelend met zichzelf. En dat kon hij dan weer overschreeuwen met een zekere blufferigheid.

Hij werd ziek, kreeg zelfs een lichte attaque. ‘We naderen de leeftijd waarin we flink wat nieuws vinden in de pagina’s met overlijdensberichten,’ schreef hij zijn vriend Toby Street.

Daarna volgde er, zoals dat vaker gaat met oudere mannen die hun krachten voelen verminderen, opeens een explosie van activiteiten. Op de ochtend van Pasen 1960 ging hij in zijn schrijfkoepel zitten en schreef de eerste regels van een nieuwe roman, Winter of Discontent. En hij pakte nog een plan bij de kop. Terwijl hij ondergedompeld was in Winter had hij al een speciale truck besteld voor een grote rondreis door Amerika. Zijn hond zou meegaan, als enig gezelschap. In diezelfde brief aan Toby Street schreef hij: ‘Ik heb een vrachtwagen met daarop een huisje, als de kajuit van een kleine boot. Waar ik ook stop, ik zal er thuis zijn. Het heeft een kachel, een bank, een tafel en een ijskast. Onze poedel Charley gaat met me mee. Dit is absoluut noodzakelijk voor mij. Ik moet zien hoe het land eruit ziet en ruikt en klinkt.’

Het moest, kortom, de klassieke reis worden van de eenzame held, met Charley als Sancho Panza, de schildknaap, al bleef diens nuchtere commentaar beperkt tot het lichten van zijn poot, door heel Amerika heen, tegen duizend en één bomen.

Zo stond het ervoor met John Steinbeck en Charley toen ze samen op pad gingen, op de heldere vrijdagochtend van 23 september 1960, met het geelbruin van het herfst al in de lucht.

Hun reisverslag zou twee jaar later verschijnen onder de titel Travels with Charley. Het werd een van de populairste beschrijvingen van Amerika aller tijden. Maar het boek had ook een andere ondertoon, een stemming die pas gaandeweg voelbaar wordt voor wie John en Charley mijl na mijl nareist…

© Geert Mak
© auteursportret Merlijn Doomernik

Uitgeverij Atlas Contact

MINDBOOKSATH : athenaeum