Leesfragment: Slopers

27 november 2015 , door Stijn van der Loo
| |

12 januari verschijnt de nieuwe roman van Stijn van der Loo: Slopers. Wij publiceren voor.

De gebroeders Pek ploeteren met hun bedrijf in sloop- en terrazzowerkzaamheden hun bestaan bij elkaar. Het is de tijd van de wederopbouw na de Tweede Wereldoorlog en het leven is strijd. Met elkaar, met hun opdrachtgever, met hun weekloners en met zichzelf. Alleen Tinus, de op zijn tong kauwende imbeciel, schommelt tevreden op zijn pony over de dijk langs de Mieze. De jaarlijkse kermis is in aantocht, waarop alle strijd wordt beslecht maar ook alle verlangens vleugels krijgen, door de drank misschien, maar toch, vleugels. Het komt er maar op aan een droom te hebben, om daar je lot, je afkomst, je leven mee te ontstijgen.


Van der Loo bij Knetterende Letteren.

I

Dat ik beter enig kind was geweest is wel duidelijk, en zo heb ik mij ook altijd gevoeld, al vanaf het moment dat ik in mijn wonderlijke couveuse zo ogenschijnlijk vredig lag te vechten voor mijn eerste adem. Alles wat ik was aan gevecht, levensstrijd, was binnen, de wereld was aan de andere kant van het glas. Hoe eenvoudig kan ik dat gevoel nog oproepen, die melkwitte omgeving, waarbinnen de tijd stilstaat en waarbuiten de werkelijkheid gemoffeld en in vertraging voortgaat, als een verre wereld buiten een droom. Broer is weliswaar ouder dan ik, negen maanden om precies te zijn – meer het gevolg van mijn benauwde vroeggeboorte dan van de ontembaarheid van de lusten van onze moeder, tenminste, zo heb ik mij dat altijd voorgehouden, maar toch ben ik zolang ik mij herinner ouder geschat. Een andere manier van kijken misschien (alerter? meer op mijn hoede?), een besef dat tegelijk met die naar adem snakkende longen in mij moet zijn gegroeid, dat leven niet vanzelfsprekend is, dat elke ademtocht dient te worden bevochten en dat er niets op de wereld bestaat dan dit: je eigen gevecht tegen de verstikking.
Ik scheur mij los uit mijn overpeinzing en richt mijn blik naar buiten. Hier sta ik, vechter, overlever, in het modderland van Mortel, op de dijk, in mijn maffe jasje van velours, zoals de mannen het noemen, vuil van aarde en stof, de opzichter van de sloopwerkzaamheden van het bedrijf Pek, in sloop en terrazzo, excuus, de Gebroeders Pek, in sloop en terrazzo.

‘Van onderen!’ Broer, zittend op de nok van de schuur van Van Montfoort, steekt zijn hand op.
Tinus geeft zijn pony een tik, het dier schiet overeind uit haar eeuwige dommel en zet zich schrap, spant het touw, begint te trekken, haar hoeven krabben in de klei-aarde. Aan de andere kant van het krot hangen Vollemondt en Volcker aan hun touw. De kracht moet gelijkmatig zijn, dan gaat zo’n geval het mooiste neer. Mijn broer springt overeind en dirigeert, staande op de nokbalk. Zijn zwarte lok danst over zijn bezwete voorhoofd, de aderen in zijn keel staan strak als de kabels waaraan Vollemondt en Volcker hangen, als die waaraan Tinus zijn pony heeft vast getuigd.
‘Beer, Scharrelaar, laten vieren, kom maar... En trek!’
Het deint en kraakt onder de kap. De muurankers verschuiven, zwoegend, worden losgewrikt, dat hoog zingende geluid van het schuren van metaal over steen, de klank van gevaar. De schuur wankelt, zwikt, en daar gaat-ie, luid krakend, hij zakt in het midden door. Een stofwolk hoest zich door scheuren en gaten naar buiten.
Volcker en Vollemondt keren hun roodaangelopen koppen af en kuchen in hun mouwen. Ik sta naast de boer en houd mijn zakdoek voor mijn gezicht, net als hij, op mijn advies.
Alleen Tinus hoest niet. Staat stoïcijns naast zijn pony, beklopt haar nek, braaf beest. Als je hem zo serieus ziet zou je niet zeggen dat hij achterlijk is. Toch is juist dat toegewijde een aanwijzing. Ons maakt het niets uit, voor ons is-ie goed. Geef hem één ding te doen, geen twee. Anders loopt-ie vast en gaat-ie drentelen en zweten en in zichzelf mompelen.
Broer heeft zich ondertussen sierlijk met het dak mee naar beneden laten glijden, vallen, lefgozer. Op het laatste moment springt hij eraf. Soepele landing, alles in één beweging. Schooiertje. Dwaas. Elke keer dat-ie de luchtacrobaat uithangt draait mijn maag om, staat de wereld stil. Ik hou mijn adem in, tot-ie is neergeploft, op beide poten, zonder ze te verzwikken, of zijn nek te breken, die idioot. Ben ik mijn broeders hoeder? Nee, is hij zijn broeders hoeder? Geen greintje verantwoordelijkheid, die zak.
Als je hem zo bezig ziet zou je niet zeggen dat hij mijn broer is. Een heel ander type, zeiden ze vroeger al. Hij de wildebras en ik de zuinige. En dan die lok van hem, moeder kon niet ophouden erdoorheen te strelen. ‘Prinsje,’ zei ze. ‘Hou op, je maakt het vet!’ riep-ie dan. Hij werd er gestoord van. Net als ik, trouwens.
Tinus heeft zijn pony verlost van haar oogkleppen en streelt haar door haar manen. ‘Hoe heet de koning van Wezel?’ zou ik hem horen fluisteren als ik dichterbij stond. Aan liefde geen gebrek. We hebben hem te leen van zijn vader, die gek van hem werd. Nu komt-ie iedere ochtend op zijn pony aangesjokt, helemaal vanaf De Wel, achter Meersel, over de dijk langs de Mieze. En ’s avonds weer terug. Zij kent de weg met haar ogen dicht, een prachtbeest. Op sloop spannen we haar voor de kar en gebruiken haar om de muren om te trekken. En als we ’s middags op de plaats bezig zijn staat ze in de voortuin te grazen, tot Tinus er weer op naar huis rijdt. Voor het lenen van zoon en pony geven we Tinus af en toe wat aardappelen mee, of wat we maar over hebben. Zo houden we ons heel eigen economietje draaiend.
Volcker en Vollemondt zijn weekloners. Volcker met zijn littekengezicht – als kind is hij door een hond recht in zijn gezicht gebeten, die pestkop, met als gevolg dat afschuwelijke litteken van hem, waardoor geen meid hem ooit zal kussen, en Vollemondt, een beer van een jongen met zijn goeiige dikke lijf vol zelfverbouwde wijn, altijd licht geurend naar stront. Volgens Broer is hij te dik om zich schoon te kunnen houden van achteren, maar volgens mij ruikt hij het zelf niet. Het een sluit het ander niet uit.
We hebben ze van de vroege lente tot de late herfst. In de winter werken ze in de steenfabriek in Giers, aan de andere kant van de Mieze, op ’t Zand, zoals we dat hier noemen. Wij van Mortel zijn van de Klei, zij van Giers zijn van ’t Zand. Daar spelen diepe vetes tussen, van oudsher. Maar er zijn er wel meer die ’s winters de rivier oversteken en betrekking zoeken in de steenfabriek. Alles wat hier in de aardappelen zit bijvoorbeeld, of in de boomgaarden, moet de winter zien te overbruggen. Dat heeft het wantrouwen tussen de twee dorpen flink verdiept. Als er in de winter in Giers wordt ingebroken dan zijn het die lui van de Klei, als vanzelf. Als er in de zomer hier iets voorvalt zullen het die types van ’t Zand wel weer zijn. Volcker is zelf ook van ’t Zand, van oorsprong, zulke dingen worden nooit vergeten. Van Montfoort begon er vanochtend meteen over, terwijl hij hem wantrouwig stond te bekijken. ‘Die met dat litteken. Is dat er niet één van ’t Zand?’ Maar zolang we niet naar zijn dochter loeren en onze klompen uitdoen als we koffie drinken in de deel, zal het hem gezouten wezen. We zijn de goedkoopste slopers van de streek, hij moet van zijn schuur af, wij doen het.
Van Montfoort staat er content bij. Mooi zo, weer een tevreden klant. Valt er nog wat kapot te smijten in de streek? Vraag ons, niets dan tevreden klanten... Ik kijk naar Broer, heeft-ie nou toch zijn voet verzwikt?
De kwestie met Broer is dat je hem niet in de weg moet lopen, dat zegt hij altijd. ‘De dingen die me niet interesseren interesseren me niet,’ zegt hij. ‘Maar wie me voor de voeten loopt...’ Dan beklopt-ie heel stoer zijn riem, waar zijn slagmes achter steekt... Allemaal branie, want een slechte jongen is-ie niet, hooguit wat driftig. Een zorg, dat wel, vooral voor moeder, vroeger.
Maar dat mes van hem is bot, het is een klein formaat slagmes om de plooien in het behang mee glad te strijken en de banen op maat af te slaan. Hij heeft het ooit gevonden in een huis, vergeten door de behanger. Het is een ongevaarlijk mes, net als Broer zelf, die oogt ook scherper dan-ie is.
‘Ik sla je ballen eraf!’ riep hij vroeger om de haverklap. Moeder mopperde erover. ‘Er komt een keer iemand die dat niet pikt,’ zei ze.
‘Die sla ik ook zijn ballen eraf,’ zei Broer dan.
Hij heeft zich nooit veel van moeder aangetrokken. Een jaar na de oorlog is-ie er zelfs eens vandoor gegaan, weggelopen van huis, hij was twaalf, ik elf... Dat maakte wel indruk op mij. Hij wilde naar Frankrijk liften en zich aan gaan melden bij het vreemdelingenlegioen, dacht waarschijnlijk dat ze hem daar wel zouden laten paardrijden. Hij had het allemaal van die plaatjes die je in die tijd bij de koffie kreeg. Soldaten van het vreemdelingenlegioen te paard... Heel heldhaftig... Hij zat er altijd naar te kijken, maar ik had nooit gedacht dat-ie zoiets ook zou doen, datie hem echt zou smeren. Binnen een dag had de politie hem thuisgebracht.
‘Rotzak!’ riep moeder. Ze was ziek van ongerustheid. Mij gaf ze ook nog de schuld. Ze dacht dat ik er wel meer van zou weten. ‘O, rotjongens. Jullie worden nog eens mijn dood.’ Ik was bepaald gepikeerd, natuurlijk. Maar Broer draaide zich onder haar gescheld vandaan en stampte het erf over, ging achter de schuur zitten roken.
‘Ik heb met niemand iets van doen,’ zei die, toen ik hem moest halen voor het eten.
‘Fantast! Idioot!’ riep ik. Ik gaf hem een flinke trap met mijn klomp tegen zijn enkel, zijn zere plek. ‘Ik sla je ballen eraf,’ jankte hij.

Broer komt naast me staan, neemt me mijn lap af en wrijft ermee over zijn gezicht.
‘Die ligt. Honderd punten,’ gromt hij grijnzend, veegt zijn lok uit zijn ogen, spuugt een stoffluim op het erf en stapt op de mannen af, begint samen met de zwaar hijgende en hoestende Vollemondt de witbestofte touwen uit het puin te trekken. Volcker rommelt wat tussen de brokstukken. Het punt met dat smoel van hem is dat hij er altijd verdacht uitziet. Bij alles wat-ie doet zie je zijn scheve bek en vertrouw je hem voor geen cent. Hij is zich er ook naar gaan gedragen, als vanzelf, dat dan weer wel. Ach wat. Ik maak me op voor mijn babbelpraatje met Van Montfoort, offreer hem een sigaar.
‘Zo,’ zegt-ie terwijl hij mijn sigaar aanneemt. ‘Jullie maken er een hele show van, is het niet?’ Hij pelt een paar briefjes van een rol papiergeld uit zijn borstzak.
‘We doen ons best,’ zeg ik. Het geld verdwijnt in één beweging dubbelgevouwen in mijn kontzak en ik kijk met hem mee de verte in naar de lucht. De herfst valt vroeg dit jaar. Het is pas eind september maar de wolken boven de rivieren zijn zwaar en donker. Ochtendrood, regen in de sloot, zei vader vroeger. Hij was het ook die zei: familiebedrijven zijn de toekomst.
Nu dan, zie hier onze handel. Een boer moet zijn schuur weg hebben. Een ander wil zijn huis afgebroken zien. Of een steiger gesloopt. Wij doen het. Goed en goedkoop, dat is algemeen bekend. Maar een vloertje leggen doen we ook. Zeker sinds de regering de terrazzovloeren verplicht heeft gesteld in alle badkamers en plees van Nederland. Verordening van vorig jaar, 1953 A. D., afgevaardigd bij decreet. Ik heb het er gewoon bij geschilderd, op het bord aan het hek. Gebroeders Pek in sloop, stond erop, En terrazzo, schilderde ik eronder. Hupsakee, daar stond het, mouwen opstropen en eropaf. Zo moeilijk is het niet.
Van Montfoort wilde zijn stal weg hebben. Hij wil iets in de nieuwe tijd, zei die. Het zal wel weer zo’n mooie grote varkensstal worden, zoals Perrer die heeft, ook eerst een aardappelboer, tenslotte, zoals iedereen hier in de streek. Maar varkens schijnen in de nabije toekomst meer op te brengen dan aardappelen, dus een slimme boer schakelt over. De gemeente wou hem zijn bouwvergunning niet geven. ‘Zolang die stal van je nog staat stop je daar je varkens maar in,’ schijnen ze hem gezegd te hebben. Dus beslootie dat die stal van hem vanzelf was ingestort. Daar heeft-ie ons voor gevraagd. Geen probleem natuurlijk. Wij helpen uw bezit graag tegen de vlakte, meneer Van Montfoort. Wijs maar aan waar u hem wil hebben liggen... Hier heeft u een sigaar...
Hij steekt hem belangrijk in gang en paft een eindje weg, tuurt over de rivier. ‘Straks hebben we regen en morgen is het storm,’ zegt hij. Ik volg zijn blik. Boven het kruispunt van Mieze en Lije is het al begonnen te betrekken. Daar begint de storm altijd, boven het kruispunt van de twee rivieren. Het is zoals alles altijd begint, op het kruispunt van twee stromen. Een leven, een handel, een liefde, Broer en ik.

[...]

Copyright © 2012 Stijn van der Loo
Auteursportret © Simon van Boxtel 

Uitgeverij Querido

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum