Leesfragment: Stoner

27 november 2015 , door John Williams
| |

Het is volgens velen een van de beste boeken van 2012: John Williams' Stoner, vertaald door Edzard Krol. Een slapende klassieker over een zwijgende, anonieme universiteitsdocent, ‘een boek dat de ziel raakt’ volgens NRC. 'Hij staarde naar zijn handen toen hij ze omdraaide, verbaasde zich erover hoe bruin ze waren, over de ingewikkelde wijze waarop de nagels op zijn ruwe vingertoppen pasten. Hij meende te kunnen voelen hoe het bloed onzichtbaar door de kleine aderen en bloedvaten stroomde, zwak en onbestendig vanuit zijn vingertoppen door zijn lichaam klopte.'

William Stoner wordt aan het einde van de negentiende eeuw geboren als zoon van een arme boerenfamilie. Tot groot verdriet van zijn ouders kiest hij voor een carrière als docent Engels. Hij wijdt zijn leven aan de literatuur en aan de liefde – en faalt op beide fronten. Zijn huwelijk met een vrouw uit een gegoede familie vervreemdt hem verder van zijn ouders, zijn carrière verloopt moeizaam en zijn vrouw en dochter keren zich tegen hem. Een nieuwe liefdesrelatie wordt verbroken om een schandaal op de universiteit te voorkomen. Stoner sterft uiteindelijk in anonimiteit, zoals ook zijn hele leven zich in de marge heeft afgespeeld. 

Stoner is een onwaarschijnlijk mooi geschreven roman over het weinig opzienbarende leven van een weinig opzienbarende man.

Dit fragment sluit aan op dat op de site van Uitgeverij Lebowski.

[...]

Hij kwam naar Columbia met een nieuw zwart kamgaren pak, uit de catalogus van Sears & Roebuck en betaald met het spaargeld van zijn moeder, een versleten overjas die van zijn vader was geweest, een blauwe wollen broek die hij een keer per maand naar de methodistenkerk in Booneville had gedragen, twee witte overhemden, twee stel schone werkkleren en vijfentwintig dollar cash, die zijn vader als voorschot op de tarweoogst van de komende herfst van een buurman had geleend. Nadat zijn vader en moeder hem vroeg in de ochtend met hun door een ezel getrokken boerenkar hadden weggebracht, begon hij vanaf Booneville aan de wandeltocht.
Het was een warme herfstdag en de weg van Booneville naar Columbia was stoffig. Na bijna een uur wandelen kwam er een vrachtkar naast hem rijden, en de voerman vroeg hem of hij een lift wilde. Hij knikte en klom op de stoel van de kar. Zijn wollen broek was tot zijn knieën rood van het stof, en op plekken waar het stof van de weg zich met zijn zweet had vermengd, zat zijn door zon en wind gebruinde gezicht onder het vuil. Tijdens de lange rit bleef hij zijn broek met zijn onbeholpen handen schoonvegen en zijn vingers door zijn recht overeind staande zanderige haren halen, die maar niet plat op zijn hoofd wilden blijven liggen.
Tegen het eind van de middag kwamen ze in Columbia aan. De voerman liet Stoner in de buitenwijken van de stad afstappen en wees op een groep gebouwen in de schaduw van grote iepen. ‘Dat is jouw universiteit,’ zei hij. ‘Daar zul je naar school gaan.’
Nadat de man was weggereden, bleef Stoner minutenlang naar het gebouwencomplex staan staren. Zoiets imposants had hij nog nooit gezien. Vanaf een weids groen veld, onderbroken door stenen muren en kleine lapjes tuin, strekten zich de gebouwen van rode baksteen naar boven uit. Onder zijn ontzag werd hij plotseling een geborgenheid en kalmte gewaar zoals hij nog niet eerder had meegemaakt. Hoewel het laat was, wandelde hij vele minuten langs de randen van de campus, alleen om te kijken, alsof hij het recht niet had om naar binnen te gaan.
Het was bijna donker toen hij een voorbijganger vroeg in welke richting Ashland Gravel lag, de weg die hem naar de boerderij van Jim Foote zou leiden, de neef van zijn moeder voor wie hij zou werken. En het was al donker toen hij bij het witte twee verdiepingen hoge houten huis kwam waar hij zou wonen. Hij had de Footes niet eerder gezien, en het voelde vreemd aan om hen zo laat te benaderen.
Ze begroetten hem met een knik en namen hem zorgvuldig op. Na een ogenblik, waarin Stoner onbeholpen in de deuropening bleef staan, gebaarde Jim Foote hem in de kleine halfduistere woonkamer te komen, volgepropt met meubels en snuisterijen op mat glanzende tafels. Hij ging niet zitten.
‘Al gegeten?’ vroeg Foote.
‘Nee, meneer,’ antwoordde Stoner.
Mevrouw Foote kromde een wijsvinger naar hem en trippelde weg. Stoner liep achter haar aan, verschillende kamers door, een keuken in, waar ze hem gebaarde aan een tafel plaats te nemen. Ze zette een kruik met melk voor hem neer en gaf hem enkele sneden maïsbrood. Hij nipte aan de melk, maar zijn mond, droog van de opwinding, kreeg het brood niet weg.
Foote kwam binnen en ging naast zijn vrouw staan. Hij was klein, niet groter dan een meter zestig, met een mager gezicht en een scherpe neus. Zijn vrouw was tien centimeter groter, en dik. Haar ogen gingen schuil achter een randloze bril en ze kneep haar dunne lippen op elkaar. Met z’n tweeën keken ze hongerig toe terwijl hij van de melk nipte.
‘Geef het vee ’s ochtends te eten en te drinken, ook de varkens,’ zei Foote vlug.
Stoner keek hem recht in zijn gezicht aan. ‘Wat?’
‘Meer hoef je ’s ochtends niet te doen,’ zei Foote, ‘voordat je naar school gaat. Dan geef je ze ’s avonds weer te eten en te drinken, verzamel je de eieren en melk je de koeien. Als je tijd over hebt, ga je brandhout hakken. In het weekend help je me met alles wat ik doe.’
‘Ja, meneer,’ zei Stoner.
Foote bestudeerde hem even. ‘Universiteit,’ zei hij en hij schudde zijn hoofd.
Dus voor negen maanden kost en inwoning gaf hij het vee te eten en te drinken, ook de varkens, verzamelde hij de eie - ren, molk de koeien en hakte brandhout. Verder ploegde en egde hij akkers, groef boomstronken op (in de winter moest hij door een centimetersdikke laag bevroren aarde heen breken) en karnde boter voor mevrouw Foote, die met een meebewegend hoofd nors instemmend toekeek hoe de houten karnstok op en neer door de melk plonsde.
Hij werd ondergebracht op een bovenverdieping die ooit een voorraadkamer was geweest. De enige meubels waarover hij beschikte, waren een zwart ijzeren bed met een doorgezakt frame waarop een dun donsmatras lag, een kapotte tafel met een petroleumlamp, een wiebelende keukenstoel en een grote kist die hij als bureau gebruikte. In de winter kreeg hij alleen maar warmte voor zover die door de vloer van de kamers eronder opsteeg. Hij wikkelde zich in de sleetse dekens en lakens, en blies op zijn handen, zodat hij de pagina’s van zijn boek kon omslaan zonder ze te scheuren.
Hij deed zijn werk aan de universiteit zoals hij zijn werk op de boerderij deed: grondig, plichtsgetrouw, zonder plezier of zorgen. Aan het eind van het eerste jaar had hij heel redelijke cijfers. Hij was blij dat ze niet lager waren en maakte zich er niet druk om dat ze niet hoger waren. Hij was zich ervan bewust dat hij dingen had geleerd die hij nog niet kende, maar voor hem hield dit slechts in dat hij in het tweede jaar even goed zou presteren als in het eerste.
In de zomer na zijn eerste jaar aan de universiteit keerde hij terug naar de boerderij van zijn vader en hielp met de oogst. Eenmaal vroeg zijn vader hem wat hij van de opleiding vond en hij antwoordde dat die hem beviel. Zijn vader knikte en bracht het onderwerp niet nog eens ter sprake.
Pas na zijn terugkeer voor het tweede jaar kwam William te weten waarom hij naar de universiteit was gekomen.

Na aanvang van het tweede jaar was hij op de campus een bekende verschijning. Elk seizoen droeg hij hetzelfde zwarte kamgaren pak, een wit overhemd en een smalle stropdas. Zijn polsen staken uit de mouwen van het jasje en zijn broek slobberde raar om zijn benen, alsof het een uniform was dat ooit aan iemand anders had toebehoord.
Naarmate zijn baas luier werd, nam het aantal uren dat hij werkte toe, en hij bracht de lange avonden in zijn kamer door met zorgvuldig zijn huiswerk te maken. Hij was begonnen aan de colleges waarmee hij een bachelordiploma van de landbouwhogeschool zou behalen, en in dit eerste semester van het tweede jaar had hij twee hoofdvakken, een vak van de landbouwhogeschool over bodemchemie, en een voor alle universitaire studenten verplicht vak: een inleiding in de Engelse letterkunde.
Na de eerste paar weken kreeg hij enige moeite met de natuurwetenschappelijke colleges. Er was zoveel te doen, hij moest zoveel onthouden. Het college bodemchemie wekte in algemene zin zijn belangstelling. Hij had niet vermoed dat de bruinige klonten waarmee hij het grootste deel van zijn leven had gewerkt iets anders waren dan ze leken te zijn, en het begon vaag tot hem door te dringen dat zijn toenemende kennis bij terugkeer naar de boerderij van zijn vader nuttig kon zijn. Maar de verplichte inleiding in de Engelse letterkunde kostte hem moeite en verontrustte hem zoals dat hem niet eerder was overkomen.
De docent was een man van middelbare leeftijd, begin vijftig. Hij heette Archer Sloane, en hij benaderde het lesgeven ogenschijnlijk met minachting, alsof hij vond dat er zo’n reusachtige kloof zat tussen wat hij wist en wat hij kon zeggen dat hij zich de moeite bespaarde om die te dichten. De meeste studenten vreesden hem en mochten hem niet, iets waar hij koel en ironisch geamuseerd op reageerde. Hij was een man van gemiddelde lengte, met een lang en keurig geschoren gezicht met diepe rimpels. Hij kon ongeduldig met zijn vingers door zijn dikke bos grijs krullend haar strijken. Zijn stem klonk vlak en droog, en kwam naar buiten door nauwelijks bewegende lippen, zonder uitdrukking of intonatie. Maar zijn lange, dunne vingers bewogen elegant en vol overtuiging, alsof ze de woorden van een vorm voorzagen waartoe zijn stem niet in staat was.
Buiten het klaslokaal, als hij zijn werk op de boerderij deed of met zijn ogen in het flauwe lamplicht knipperde terwijl hij op zijn raamloze zolderkamer studeerde, was Stoner zich er vaak van bewust dat hij het beeld van deze man voor zich zag verschijnen. Hij kon zich alleen met moeite het gezicht van andere docenten voor de geest halen of zich iets specifieks van een van zijn andere colleges herinneren. Maar ergens aan de rand van zijn bewustzijn wachtte altijd de figuur van Archer Sloane, en zijn droge stem, en zijn minachtende terloopse uitspraken over een of andere passage uit Beowulf, of een couplet van Chaucer.
Hij merkte dat hij het inleidende college niet op dezelfde manier kon aanpakken als andere vakken. Hoewel hij zich de schrijvers, hun werk, hun jaartallen en hun invloeden herinnerde, zakte hij bijna voor het eerste tentamen. Bij het tweede presteerde hij nauwelijks beter. Hij las en herlas zijn huiswerk voor letterkunde zo vaak dat zijn andere vakken eronder begonnen te lijden. En toch kwamen de woorden die hij las niet los van het papier en kon hij het nut niet inzien van wat hij deed.
En hij piekerde over de woorden die Archer Sloane in de klas sprak, alsof hij onder hun vlakke, droge betekenis een aanwijzing kon ontdekken die hem zou brengen waar hij moest zijn. Hij hing voorovergebogen boven het bureaublad van een stoel die te klein was om comfortabel op te zitten, en omklemde dat blad zo stevig dat zijn knokkels vergeleken met zijn bruine taaie huid wit kleurden. Op zijn voorhoofd stond een geconcentreerde frons en hij beet op zijn onderlip. Maar terwijl Stoner en zijn klasgenoten steeds wanhopiger werden, werd de minachting van Archer Sloane steeds dwingender. En op een keer barstte die minachting uit in woede, alleen gericht op William Stoner.
De klas had twee toneelstukken van Shakespeare gelezen en sloot de week af met het bestuderen van de sonnetten. De studenten waren zenuwachtig en onzeker, bijna angstig onder de oplopende spanning tussen hen en de gebogen gestalte die hen vanachter de lessenaar aankeek. Sloane had hun hardop het drieënzeventigste sonnet voorgelezen. Zijn ogen dwaalden door het lokaal en zijn lippen waren tot een humorloze glimlach samengeknepen.
‘Wat betekent het sonnet?’ vroeg hij plotseling, en hij zweeg even, en zijn ogen tastten ondertussen onverbiddelijk en met een bijna vergenoegde hopeloosheid het lokaal af. ‘Meneer Wilbur?’ Er kwam geen antwoord. ‘Meneer Schmidt?’ Iemand kuchte. Sloane liet zijn donkere schrandere ogen op Stoner rusten. ‘Meneer Stoner, wat betekent het sonnet?’
Stoner slikte en probeerde zijn mond te openen.
‘Het is een sonnet, meneer Stoner,’ zei Sloane droog, ‘een dichterlijke compositie van veertien regels, met een vorm die u volgens mij vast en zeker wel uit het hoofd hebt geleerd. Het is geschreven in de Engelse taal, die u naar ik meen al enkele jaren hebt gesproken. De schrijver ervan is William Shakespeare, een dode dichter, die evenwel volgens sommigen tamelijk belangrijk is.’ Hij keek Stoner nog even aan, en toen werd zijn blik leeg en keek hij nietsziend aan de klas voorbij. Zonder in zijn boek te kijken, sprak hij het gedicht opnieuw uit, en zijn stem verdiepte zich en werd zachter, alsof hijzelf even de woorden, geluiden en ritmen was geworden:

‘Dat jaargetij brengt mij in beeld voor jou
als een of twee, of geen, geel blad nog hangt
aan takken die zich schudden in de kou –
naakt koorskelet, eens zoet van vogelzang.
Jij ziet in mij de schemer van de dag
wanneer, ver west, het laatst, veeg licht vertrekt
al haast vertreden door de zwarte nacht
Doods schaduwbeeld, die ’t al in doodsrust dekt.
Jij ziet in mij het gloeien van de gloed
die jeugdig vuur nog aanhoudt op zijn as
als op het doodsbed waar het sterven moet
verteerd met dat wat eerst zijn voedsel was.
Het sterkt je liefde, zou je daarvan leren
te minnen wat jou weldra zal mankeren.’ *

Tijdens een korte stilte schraapte iemand zijn keel. Sloane herhaalde de zinnen, zijn stem werd vlak, weer van hemzelf.

‘Het sterkt je liefde, zou je daarvan leren
te minnen wat jou weldra zal mankeren.’

De ogen van Sloane keerden terug naar William Stoner, en hij zei droogjes: ‘Van meer dan driehonderd jaren geleden spreekt meneer Shakespeare u aan, meneer Stoner. Hoort u hem?’
William Stoner merkte dat hij zijn adem enige tijd had ingehouden. Hij ademde voorzichtig uit, zich er scherp van bewust dat zijn kleren met het ontsnappen van lucht uit zijn longen over zijn lichaam bewogen. Hij keek weg van Sloane het vertrek in. Door de ramen viel het licht schuin naar binnen en het bescheen de gezichten van zijn medestudenten, zodanig dat het uit henzelf leek te komen en in een schemering uitdoofde. Een student knipperde met zijn ogen en er viel een smalle schaduw op een wang, waarvan de haartjes door het zonlicht werden bestreken. Stoner merkte dat de stevige greep van zijn vingers om het bureaublad ontspande. Hij staarde naar zijn handen toen hij ze omdraaide, verbaasde zich erover hoe bruin ze waren, over de ingewikkelde wijze waarop de nagels op zijn ruwe vingertoppen pasten. Hij meende te kunnen voelen hoe het bloed onzichtbaar door de kleine aderen en bloedvaten stroomde, zwak en onbestendig vanuit zijn vingertoppen door zijn lichaam klopte.
Sloane sprak opnieuw. ‘Wat zegt hij tegen u, meneer Stoner? Wat betekent dit sonnet?’
Langzaam en met tegenzin sloeg Stoner zijn ogen op. ‘Het betekent,’ zei hij, en hij bewoog zijn handen met een kleine beweging omhoog. Hij voelde zijn blik glazig worden toen hij de gedaante van Archer Sloane zocht. ‘Het betekent,’ zei hij weer, maar hij kon de zin waaraan hij was begonnen niet afmaken.
Sloane keek hem nieuwsgierig aan. Waarna hij abrupt knikte en zei: ‘Jullie kunnen gaan.’ Zonder iemand aan te kijken draaide hij zich om en liep het lokaal uit.
William Stoner was zich nauwelijks bewust van de studenten om hem heen, die morrend en mompelend uit hun stoelen omhoogkwamen en het lokaal uit schuifelden. Na hun vertrek bleef hij minutenlang bewegingsloos zitten, voor zich uit starend naar de met smalle planken afgewerkte vloer, waarvan de lak door de rusteloze voeten van de studenten, die hij nooit zou zien of kennen, was afgesleten. Hij liet zijn eigen voeten omlaagzakken op de vloer, hoorde het droge schuren van hout onder zijn zolen en voelde door het leer heen hoe ruw het was. Toen stond ook hij op en verliet langzaam het lokaal.
De waterige kilte van de late herfstdag sneed door zijn kleren. Hij keek om zich heen, naar de kale knoestige boomtakken die tegen de achtergrond van de bleke hemel kronkelden. Studenten die zich over de campus naar hun college haastten, streken langs hem. Hij hoorde het gemompel van hun stemmen en het geklak van hun hakken op de stenen paden, en zag hun gezichten, blozend van de kou, voorovergebogen tegen de wind. Hij bekeek hen nieuwsgierig, alsof hij hen niet eerder had gezien, en voelde zich ver van hen verwijderd en erg nabij. Dat bleef hij voelen toen hij zich naar zijn volgende college haastte, en dat bleef zo tijdens het college door de professor in de bodemchemie, in weerwil van de dreunende stem die dingen declameerde om in aantekeningenboekjes op te schrijven en zich met een geestdodend proces in te prenten, dat hem juist nu vreemd begon voor te komen.
In het tweede semester van dat collegejaar stopte William Stoner met zijn natuurwetenschappelijke colleges en onderbrak zijn opleiding aan de landbouwhogeschool. Hij nam deel aan een inleidend college filosofie en antieke geschie denis en aan twee colleges Engelse letterkunde. In de zomer keerde hij terug naar de boerderij van zijn ouders, hielp zijn vader met de oogst en sprak niet over zijn werk aan de universiteit.

[...]

* Vertaling: H.J. de Roy van Zuydewijn

 

© John Williams
Vertaling © Edzard Krol
Auteursportret © Special Collections University of Arkansas Libraries

Uitgeverij Lebowski

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum