Leesfragment: Succes

27 november 2015 , door Lion Feuchtwanger
| |

Dinsdag 28 augustus verschijnt Succes van Lion Feuchtwanger (Erfolg, uit het Duits vertaald door Anthonie Donker). In deze Nacht kunt u alvast een uitgebreid fragment uit het eerste deel van de roman lezen.

Succes is het verhaal van museumdirecteur Martin Krüger, die met de politiek in aanvaring komt als hij moderne schilderijen tentoonstelt die in de ogen van de machthebbers aanstootgevend zijn. Er wordt een proces wegens onzedelijk gedrag tegen hem op touw gezet, hij wordt door omgekochte getuigen beschuldigd van meineed, en veroordeeld tot drie jaar gevangenisstraf. Zijn geliefde en zijn vrienden, die er alles aan doen om hem te helpen, staan machteloos.

Succes wordt tegenwoordig beschouwd als een van de grootste antifascistische romans uit de Europese literatuur. Het boek verscheen in 1930 in Berlijn en werd drie jaar later door de nazi’s verboden en op de brandstapel gesmeten. Lion Feuchtwanger ontvluchtte toen zijn geboorteland en keerde er nooit meer terug.

Het recht, de justitie was in politiek bewogen tijden een soort besmettelijke ziekte waarvoor men moest uitkijken. De een kreeg de griep, de ander de justitie. In Beieren was die besmettelijke ziekte bijzonder kwaadaardig. Krüger, die er vatbaar voor was, had preventieve middelen moeten gebruiken, betoogde Tüverlin.

eerste boek
Justitie

1
Jozef en zijn broeders

In de openbare staatscollectie schilderstukken van moderne meesters in München bevond zich in het eerste jaar na de oorlog gedurende verscheidene maanden in zaal vi een groot schilderij, waarvoor zich dikwijls een groep toeschouwers vormde. Het stelde een krachtige man voor van middelbare leeftijd, die met een zelfbewuste glimlach om de vastberaden lippen de lange blik van zijn diepliggende ogen liet rusten op een groep mannen die gekrenkt voor hem stond. Het waren geen jeugdige mannen meer die een pose aannamen en er verschillend uitzagen: open, verbeten, bruut of met zichzelf ingenomen. Maar in één opzicht stemden allen overeen. Zij stonden daar in goeden doen en rechtschapen, overtuigd van zichzelf en hun goed recht. Er had zich blijkbaar een lelijk misverstand voorgedaan, zodat zij met recht gekrenkt, ja verbitterd waren. Slechts een van hen, een nog zeer jonge man, die door de politiedienaren op de achtergrond bijzonder scherp in het oog werd gehouden, zag er niet zo verontwaardigd uit. Integendeel, hij keek aandachtig en vol vertrouwen op naar de man met de lange blik, die klaarblijkelijk als heer en rechter fungeerde.
De mensen op het schilderij en hun doen en laten deden tegelijkertijd vreemd en vertrouwd aan. Hun kleding had ook heden ten dage gedragen kunnen worden, maar al het modieuze was er zo zorgvuldig in vermeden, opdat men niet kon zien bij welk volk en in welke tijd zij thuishoorden. Zocht men in de catalogus het schilderij op, dan vond men onder nummer 1437 als schilder een zekere Franz Landholzer opgegeven en als titel van het schilderij:

Jozef en zijn broeders
of: Gerechtigheid
(310 x 190)

Andere werken van de schilder Franz Landholzer waren niet bekend. De aankoop van het schilderij door de staat had opzien gebaard. De schilder had men niet te zien gekregen. Het verhaal ging rond dat hij een zonderling was, die door het land zwierf en er onaangename, agressieve manieren op nahield.
De critici hadden met het schilderij niet goed weg geweten. Het was moeilijk ergens onder te brengen. Een zeker restant van dilettantisme, van gebrek aan routine viel niet te loochenen en scheen zelfs met opzet gedemonstreerd. Verscheidene critici wonden zich op over de geheel uit de toon vallende, plompe schildertrant, hoewel die evenmin opzienbarend was als het thema zelf. Ook de ondertitel Gerechtigheid wekte agressie op. De conservatieve bladen schreven afkeurend. De nieuwlichters verdedigden het werk, maar zonder geestdrift.
Eerlijke mensen zeiden dat het ongetwijfeld sterke effect ervan niet binnen het kader van het gangbare vocabulaire van de kunstkritiek viel. Veel toeschouwers kwamen telkens weer voor het schilderij terug, velen dachten over het thema na, velen sloegen de bijbel op. Daar vonden zij het verhaal over wat Jozef met zijn broeders uithaalt nadat zij hem, omdat hij hun bij hun vader in de weg staat en in alles anders is dan zij, verkocht hebben en hij een machtig heer is geworden, minister voor Levensmiddelen in het rijke Egypte. Zij komen tot hem, herkennen hem niet en willen graan met hem verhandelen. Maar als zij weer huiswaarts keren, laat hij een zilveren beker tussen hun bagage moffelen en hen, onschuldig, wegens diefstal gevangennemen. Daarop zijn zij terecht verontwaardigd en ze houden vol dat zij fatsoenlijke mensen zijn.
Die fatsoenlijke mensen had dus de maker van schilderij Nr. 1437 geschilderd. Daar staan zij. Ze zijn verbitterd en verlangen dat hun recht gedaan wordt. Ze zijn gekomen om met een hooggeplaatst staatsambtenaar een voor beide partijen voordelige koop af te sluiten. En nu verdenkt men hen ervan een zilveren beker verdonkeremaand te hebben. Ze zijn vergeten hoe ze eens een knaap verkocht hebben die hun broeder was, want dat is al vele jaren geleden. Ze zijn zeer verontwaardigd maar nemen een waardige houding aan. En de man ziet hen met een lange blik glimlachend aan; op de achtergrond staan de politiedienaars er gewillig en enigszins verwezen bij, en dit schilderij heet ‘Gerechtigheid’.
Overigens verdween Nr. 1437 na enkele maanden weer uit het museum. Een paar kranten smaalden over die verdwijning, vele bezoekers betreurden het gemis van Jozef en zijn broeders. Maar toen kwamen de kranten tot zwijgen en geleidelijk namen ook de vragen van de bezoekers af. Schilder en schilderij raakten in het vergeetboek.

2
Twee ministers

Minister van Justitie dr. Otto Klenk stuurde ondanks de regen de auto, die op hem wachtte, naar huis. Hij kwam van het abonnementsconcert in de muziekacademie, dat hem in een aangename stemming had gebracht. Nu ging hij nog wat wandelen, en daarna misschien nog een glas wijn drinken. Met zijn favoriete wollen schoudermantel om en de melodie van de Brahmssymfonie nog in de oren, zijn pijp als steeds in de mond, stapte de krachtige, rijzige man door de gestage regen de juniavond in. Hij sloeg af naar het uitgestrekte stadspark, de Englischen Garten. De hoge, oude bomen dropen, het grasveld geurde verkwikkend. Het was prettig lopen in de zuivere lucht van de Beierse hoogvlakte.
Minister van Justitie dr. Klenk nam de hoed van zijn roodbruine schedel. Hij heeft een drukke werkdag achter de rug, maar nu heeft hij wat muziek gehoord. Goede muziek. De Nurksen mogen zeggen wat ze willen, men speelt in München goede muziek. Hij had zijn pijp in de mond en een nacht zonder beslommeringen voor zich. Hij voelde zich fris als op jacht in de bergen.
Eigenlijk ging het hem goed, ging het hem uitstekend. Hij hield ervan de balans op te maken, vast te stellen hoe hij ervoor stond. Hij was zevenenveertig jaar, nog geen leeftijd voor een gezond mens. Zijn nieren zijn niet helemaal in orde, vermoedelijk zal het die nierkwaal zijn waardoor hij er ooit tussen uitknijpt. Maar dat heeft nog vijftien, twintig jaar de tijd. Zijn beide kinderen zijn gestorven, van zijn vrouw, die goede, schriele, uitgedroogde geit, heeft hij geen nakomelingschap meer te wachten. Maar Simon, de jongen die hij bij Veronica heeft, die nu zijn landgoed Berchtoldszell in de bergen bestiert, groeit flink op. Hij heeft hem op het filiaal van de staatsbank in Allertshausen ondergebracht. Daar zal hij vooruit komen. De minister zal nog kleinzonen met goede posities beleven. In zoverre ging het hem niet goed en niet slecht. Maar in zijn beroep ging het hem beter dan middelmatig, daar ontbrak het hem aan niets. Sinds een jaar neemt hij nu zijn ministerie waar, beheert de justitie van Beieren, het land dat hij liefheeft. Het was er heftig toegegaan, dit jaar. Zoals hij met zijn reusachtige gestalte en de lange roodbruine schedel boven zijn merendeels kleine en rondhoofdige collega’s uitstak, zo voelde hij zich ook door afkomst, manieren en verstand hun meerdere. Sinds de revolutie was bedwongen, was het gewoonte geworden dat de knappe koppen van de heersende klasse zich buiten de regering van het kleine land hielden. Zij stopten tweederangsfiguren in het kabinet en stelden zich ermee tevreden zelf op de achtergrond aan de touwtjes te trekken. Men had zich erover verbaasd dat hij met zijn knappe kop en zijn voorname burgerlijke afkomst tot de regering toetrad. Maar hij voelde zich capabel en voerde aan het hoofd van Justitie een populaire politiek.
Welgemoed liep hij onder de druipende bomen door. In het kleine jaar dat hij nu minister was, had hij laten zien dat er niet met hem te spotten viel. Daar was het proces-Woditschka, waarbij hij de Beierse spoorwegen verdedigd en het Rijk in de luren had gelegd. Toen volgde het proces-Hornauer, waarin hij de inheemse brouwerijen voor een afschuwelijke blamage had gespaard. En nu is er in de eerste plaats het proces-Krüger. Voor zijn part had die Krüger onderdirecteur van het Museum voor Moderne Kunst kunnen blijven tot hij zwart zag; hij had niets tegen Krüger. Zelfs het feit dat hij die gewraakte schilderijen in het museum had opgehangen, nam hij hem niet kwalijk; hijzelf had gevoel voor schilderijen. Maar dat die Krüger snoefde, dat hij opsneed over zijn vaste, levenslange aanstelling en spotte dat de regering zijn gat kon likken, dat ging te ver. Eerst had men het zich moeten laten aanleunen. Flaucher, de minister van Eredienst, dat stuk ongeluk, had het met Krüger niet klaargespeeld. Maar nu is Klenk op het schitterende idee gekomen een proces tegen hem te beginnen.
Hij glimlachte breed, klopte op zijn pijp, bromde met zijn sterke bas melodieën uit de Brahmssymfonie en snoof de geur op van de weilanden en van de regen, die langzaamaan ophield. Telkens als hij aan zijn collega van het ministerie van Eredienst dacht, was hij in zijn sas. Die dr. Flaucher was een boerse, kleinburgerlijke ambtenaar, van het type dat de partij bij voorkeur in het kabinet zette. Hij, Klenk, had er plezier in Flaucher in het vaarwater te zitten. Het was amusant om te zien hoe die zware plompe kerel, wanneer hij geïrriteerd raakte, hulpeloos zijn nek naar voren stak, met de kleine oogjes in de dikke, vierkante kop boosaardig naar zijn tegenstander loerde en er een plompe, zouteloze grofheid uitgooide, die hij, Klenk, zonder moeite pareerde.
De man met de schoudermantel hield de hand op, constateerde dat de regen zo goed als opgehouden was, schudde zich eens en keerde om. Hij had een geestig plannetje bedacht. Flaucher had van begin af aan over het proces-Krüger zo veel mogelijk ophef willen maken, het tot een sensatiezaak willen opschroeven. De zwarten stuurden je tegenwoordig verschrikkelijke klungels als collega’s op je dak. Altijd moesten die verdraaide lummels getuigen, de troeven op tafel gooien en ‘daar heb je het dan’ schreeuwen. Hij, Klenk, wilde die zaak met Krüger zonder drukte, elegant afdoen. Tenslotte was het niet beschaafd om iemand van zijn beheerspost van het staatsmuseum naar de gevangenis te laten verhuizen omdat hij onder ede had ontkend bij een vrouw geslapen te hebben. Maar Flaucher begon met groot geblèr en liet alle kranten het geval-Krüger rondbazuinen. Nu had Klenk een ambtenaar van het ministerie naar het landgoed van dr. Bichler gestuurd en in vertrouwen de mening van die grote boerenleider, die achter de schermen Beieren regeerde, laten vragen. Natuurlijk had dr. Bichler, zoals van de schrandere boerenleider te verwachten was, Klenks mening gedeeld. Hij had van die ‘ezels’ in München gesproken, die altijd wilden laten zien dat zij de macht hadden. Alsof het op een schijn van macht en niet op feitelijk bezit daarvan aankwam. Dat van die ‘ezels’ kan Flaucher nog niet gehoord hebben, want de ambtenaar is pas vandaag teruggekomen. Flaucher zit vast nog in de Tiroler Weinstube, een restaurant in de oude stad, waar hij altijd later op de avond te vinden is, opsnijdend over het proces van morgen. Dat van die ‘ezels’, de mening van dat grootmachtige heerschap, moet Klenk hem zelf gaan overbrengen; die kapitale grap laat hij zich niet ontnemen.
Hij keerde om. Haastig liep hij terug en bij de uitgang van het park vond hij een rijtuig.
Ja, Flaucher was in de Tiroler Weinstube. Hij zat in een zijkamertje, waar een kwart liter wijn tien pfennig meer kostte, tussen louter kennissen. Klenk vond dat zijn collega in dit restaurant er veel schappelijker uitzag dan tussen de empiremeubels van zijn goed ingerichte werkkamer op het ministerie. Die uitgesproken burgerlijke gezelligheid, die lambrisering en die massieve, ongedekte tafels, die ouderwets stevige, voor gezette mannen bestemde banken en stoelen was het ware milieu voor dr. Franz Flaucher. Daar zat de zware man met zijn brede, eigenzinnige, stompe kop tussen andere mannen met vaste posities en ideeën, ieder op hun vaste plaats. In het lokaal hing een nevel van rook van goede sigaren en damp van krachtige spijzen. Uit een aangrenzend bierlokaal drong door het open venster gezang van een populaire troep volkszangers, de tekst een mengsel van aandoenlijkheid en ondubbelzinnige grofheden. Buiten lag nauw en hoekig het kleine plein met de wereldberoemde brouwerij. En daar zat dus op zijn vaste stevige houten stoel minister dr. Franz Flaucher, met zijn takshond Waldmann aan zijn voeten en schilders, schrijvers en mannen van de wetenschap om zich heen. De minister dronk, luisterde en bemoeide zich met zijn taks. Vandaag, aan de vooravond van het proces- Krüger, was hij bijzonder gezien. Hij had zijn haat tegen Krüger nooit onder stoelen of banken gestoken. Het bleek dat die man met zijn verdorven kunstopvattingen ook in het burgerlijke, zedelijke leven beurs en wormstekig was.
Toen zijn collega van justitie binnentrad, daalde de stemming van dr. Flaucher. Dat hij de overwinning op Krüger eigenlijk aan die Klenk te danken had, was een druppel gal in zijn wijn. Minister dr. Franz Flaucher laakte minister dr. Klenk, hoewel ze tot dezelfde partij behoorden en dezelfde politiek voerden. Hij laakte de aristocratische, superieure manier waarop Klenk met hem omging, hij laakte diens geld, zijn twee auto’s, zijn landgoed en zijn jachtterrein in de bergen, zijn hoge gestalte, zijn hoogmoedige en nonchalante verschijning, kortom de hele man en al wat van hem was. Klenk had het makkelijk. Zijn ouders en voorouders waren al belangrijke lui geweest. Wat wisten die van het gaan en staan van een ambtenaar? Hij, Franz Flaucher, geboren als vierde zoon van de klerk van de koninklijke notaris in Landshut in Neder-Beieren, had werkelijk iedere duimbreed op zijn weg van de wieg naar de ministerszetel met zweet en ootmoedig kruipen en wringen moeten veroveren. Wat een slapeloze nachten, wat een tanden op elkaar klemmen was er niet nodig geweest om niet als zijn broers schipbreuk te lijden op het Grieks, maar de middelbare school af te maken zonder een keer te blijven zitten. Aldus bestemd voor de loopbaan van een hogere ambtenaar, had hij nog altijd zijn slimheid en zelfoverwinning nodig gehad om op die weg niet te blijven steken. Hoe vaak had hij moeten soebatten om een klerikale beurs te krijgen. Hoe nederig had hij altijd weer de redacteuren moeten overreden om als lid van een katholieke studentenclub, die niet duelleerde, zijn artikelen geplaatst te krijgen, waarin hij van alle kanten het recht en de plicht van de student belichtte om genoegdoening met wapens te weigeren. En had hij niet het geluk gehad, dat een stel studenten na een vrolijke kroegentocht hem om zijn deemoedigheid op de proef te stellen een pak slaag hadden gegeven, dan was hij alsnog nog onderaan blijven hangen. Maar hoe vaak had hij nederig doch volhardend op dat martelaarschap moeten wijzen, waar tot zijn geluk de zoon van een invloedrijk persoon actief bij betrokken was geweest; wat had hij dikwijls bescheiden en halsstarrig op schadeloosstelling voor die historie moeten aandringen, eer hij er bovenop kwam. En hoe vaak moest hij de lippen op elkaar persen om altijd weer koest te blijven tegenover de belhamels der partij, terwijl hij het toch beter wist; maar hij moest oppassen dat niet een ander vanwege een grotere inschikkelijkheid meer voor minister geschikt bleek.
Met diep wantrouwen zag hij het aan hoe Klenk luidruchtig begroet aan de tafel plaatsnam, ruw maar charmant gezellige moppen tapte en deze of gene aan tafel nu eens gemoedelijk, dan weer kwaadaardig op de hak nam. Een misselijke kerel die Klenk, een verwende knaap, voor wie de politiek niets dan een pretje, liefhebberij en tijdpassering was, die gelijkstond met een pokeravondje op de herenclub of jagen op de Berchtoldszell. Wat wist Klenk ervan dat Franz Flaucher zich uit de grond van zijn hart verplicht voelde om de oude, gevestigde opvattingen en tradities te verdedigen tegen de slappe geest van deze genotzieke tijd. Oorlog en revolutie en het voortdurend toenemende verkeer hadden veel dijken doorgebroken; hij, Franz Flaucher, was er om de laatste zekerheden tegen de gevaarlijke stromingen van deze tijd te handhaven.
Wat konden Klenk die dingen schelen. Kijk de kerel daar nu zitten met zijn grote kop en zijn tengels met lange nagels. Natuurlijk was de gewone Tiroler wijn hem niet goed genoeg en moest hij uit een dure fles zuipen. Stellig was zelfs het proces-Krüger voor hem niets anders dan een spannend, amusant spelletje. Dat het onschadelijk maken van een man als Krüger iemand evenveel waard kon zijn als het kwijtraken van de schurft, daar had hij met zijn gebrek aan ernst geen idee van.
Want de beklaagde in het proces, dr. Martin Krüger, was een typisch product van de slechte tijden na de oorlog. Hij was tijdens de revolutie aangesteld, en had als onderdirecteur van het Museum voor Moderne Kunst schilderijen aangekocht die alle kerkelijke en weldenkende mensen aanstoot gaven. Dat dubbelzinnige, revolutionair getinte schilderij Jozef en zijn broeders was men gelukkig betrekkelijk spoedig weer kwijtgeraakt, maar de bloedige, sadistische Crucifixus van de schilder Greiderer en dat vrouwennaakt dat zo’n schaamteloze indruk maakte, omdat het een zelfportret van de schilderes voorstelde – moest iemand niet door en door verdorven zijn om zichzelf naakt te schilderen en als een hoer dijen en borsten te tonen? –, die beide schilderijen verpestten nog tot voor kort de sfeer in het museum. Zíjn museum, waar hij, Franz Flaucher, verantwoordelijk voor was. Als de minister aan die beide schilderijen dacht, bekroop hem een bijna lichamelijke walging. Hij kon de man van wie die smeerlapperij uitging, Krüger, niet luchten, de welving van diens wellustige lippen niet en zijn grijze ogen met de dikke wenkbrauwen niet. Toen hij hem eens had moeten begroeten en de warme behaarde hand van die Krüger in zijn eigen harde, geaderde hand had gevoeld, had hij er een oprisping van gekregen.
Hij had er dadelijk alles aan gedaan om die Krüger te verdelgen. Maar zijn collega-ministers, met Klenk natuurlijk aan het hoofd, hadden tegen gewelddadige maatregelen bezwaar gemaakt. Dr. Martin Krüger, die als kunsthistoricus alom bekend was, langs disciplinaire weg wegens ongeschiktheid wegjagen zou het prestige van de stad op kunstgebied benadeeld hebben en daar deinsde men op het ministerie destijds nog voor terug. En nu hij aan de tegenwerpingen dacht, waarmee zijn collega’s hem belet hadden zich al veel eerder van Krüger te ontdoen, gromde minister Flaucher zo luid, dat de takshond Waldmann aan zijn voeten onrustig werd. Prestige op kunstgebied! De staat die hij diende, was een landbouwstaat. En de stad München, in het midden van die staat gelegen, droeg daarvan in opzet en bevolking het karakter met een sterk agrarische inslag. Zijn collega’s hoorden dat te bedenken. Zij moesten hun residentie vrijwaren van die hoogmoedige en opgezweepte jacht naar genot, die opkwam en de grote steden in deze tijd zo verschrikkelijk bedierf. Maar in plaats daarvan praten zij bête over prestige op kunstgebied en dergelijke nonsens. Minister Flaucher gromde, zuchtte, goot wijn door zijn keelgat, kreeg oprispingen, leunde gemelijk met beide armen op tafel, liet zijn dikke kop hangen en keek met kleine oogjes naar Klenk, die er op zijn gemak bij zat. De kelnerin Zenzi, die al vele jaren deze tafel van de Tiroler Weinstube bediende, leunde tegen de toonbank, liet haar organisatorische blik over haar rechterhand Resi gaan en keek onderworpen en gedwee maar toch geamuseerd naar de luidruchtige mannen, terwijl zij tegelijkertijd op hun gemoedstoestand en het meer of minder leeg raken van hun glazen lette. De stevige vrouw, die platvoeten had door haar beroep maar breed en knap van gezicht was, kende haar gasten zeer goed, en had de verandering bij minister Flaucher opgemerkt toen minister Klenk binnenkwam. Zij wist dat dr. Flaucher om deze tijd als hij goedgeluimd was nogmaals worst, en als hij slecht te spreken was rammenas bestelde. Voor hij zijn order gebromd had, stond zijn rammenas al voor hem.
Prestige op kunstgebied! Alsof hij geen oor had voor muziek. Maar het was decadent en snobistisch om vanwege dat kunstprestige de aanstootgevende smeerlapperijen van iedere nieuwlichter zo maar toe te laten. Minister Flaucher trok verdroten en in gedachten het bord met spijsresten van zijn buurman naar zich toe en wierp de botjes naar zijn taks Waldmann. En terwijl hij volgens de regels van de kunst zijn rammenas klaarmaakte, ging het hem nog steeds aan zijn hart dat hij die onmens Krüger een eindeloze tijd op diens post had moeten dulden.
De taks aan zijn voeten smakte, knaagde aan de beenderen, schrokte en vrat. De minister wachtte, nadat hij de bereiding van zijn rammenas voltooid had, tot de sneetjes waterige wortel voldoende van zout doortrokken waren. Door de open vensters drong ondanks het lawaai in het tegenovergelegen bierhuis, door vele honderden stemmen met ontroering en welbehagen gezongen, het Münchense volkslied: ‘Zolang de oude Peter op de Petersberg staat, zolang de groene Isar nog door München gaat, zolang komt er in München aan gezelligheid geen eind.’ Ja, Flaucher had lang moeten wachten voor hij Krüger had verdelgd. Tot Klenk – het viel jammer genoeg niet te loochenen – hem de middelen had verschaft om die Krüger in handen te krijgen. Flaucher zag dat weer duidelijk voor zich: het was op een avond als vandaag, hier in de Tiroler Weinstube, aan de tafel schuin tegenover deze, onder de grote brandvlek in de lambrisering die de schrijver Lorenz Matthaï eens zo gemeen had uitgelegd. Daar had Klenk hem, terwijl hij zich moeite gaf zijn diepe, zware stem te dempen, eerst in toespelingen, op zijn bedekte, achterbaks smoezende manier, en daarna in onomwonden bewoordingen de zaak-Krüger aan de hand gedaan, die als uit de hemel gevallen meineedkwestie die hem het middel verschafte om Krüger terstond te schorsen en hem nu met dit proces voorgoed uit de weg te ruimen. Het was een grootse avond geweest, bijna had hij Klenk zijn protserige superioriteit vergeven, zo opgevrolijkt voelde hij zich door de ondergang van het kwade en de zege van het goede recht.
En nu zou het er dus van komen. Morgen ging het proces van start. Flaucher zou zich de overwinning laten smaken, hij zou er machtig en imposant bij staan, zoals hij dat soms dominees op dorpskansels had zien doen, en met een zware stem zou hij verkondigen: Ziet gij, zo zijn de goddelozen. Ik, Franz Flaucher, heb van het begin af aan in de gaten gehad dat hier de duivel in het spel was. Hij begon zijn voldoende ingezouten rammenas te verorberen; op elk sneetje legde hij een beboterd stukje brood. Maar hij at werktuiglijk; het genot dat hij zich had voorgesteld, bleef uit. Ja, dat kiplekkere gevoel waarmee hij anderhalf uur geleden zijn woning had verlaten, was weg, was volslagen weg sinds Klenk zich in het lokaal bevond. Deze, schijnbaar vreedzaam, bekommerde zich niet om Flaucher, maar dat simuleerde hij, aanstonds zou hij met zijn schijnheilige vriendelijkheid Flaucher ervan langs geven.
Hij hoorde de diepe stem van Klenk al. ‘Overigens, collega,’ sprak deze, ‘heb ik u nog iets te zeggen.’ Wat hij hem te zeggen heeft, is vast niet voor de poes. Die diepe basstem klonk doodbedaard, maar Flaucher hoorde er toch een boosaardige, honende bedoeling in.
Klenk had zich met omslachtige bewegingen in zijn volle reusachtige lengte opgericht. Flaucher bleef zitten, voor zijn laatste sneetje rammenas, maar Klenk wenkte vriendelijk, joviaal. Flaucher kwam met tegenzin maar toch nieuwsgierig overeind. Bij de toonbank stond buffetjuffrouw Zenzi naar hen te kijken. Ook haar vlugge hulp Resi keek, terwijl ze met een gast stond te praten en tegelijk op een ander tafeltje een bord verwisselde, de beide mannen na, die zich vertrouwelijk naast elkaar naar de wc begaven. Flaucher met een onzeker en warm gevoel, als een student die overhoord gaat worden.
In het betegelde hokje vertelde de minister van Justitie aan de minister van Eredienst hoe het onderhoud van zijn ambtenaar met de boerenleider Bichler was verlopen. Neen, Bichler was het bepaald niet eens met de procestactiek van collega Flaucher. ‘Ezel,’ had hij ronduit en onomwonden gezegd. ‘Ezel,’ volgens betrouwbare bron. Nu deelde ook Klenk de mening van zijn collega over de te volgen tactiek wel allerminst. Maar ‘ezel’ lag er wel wat al te dik op. En dat vertelde hij zonder zijn zware basstem te dempen en hij liet het zo hard dreunen, dat men hem ook buiten de wc kon horen.
Geslagen, de dikke schouders nog ronder en slapper dan anders, keerde de minister van Eredienst Flaucher aan de zijde van de vrolijk pratende Klenk uit het betegelde vertrekje terug. Hij had het wel geweten: men gunde hem niets. Als de econoom Bichler, de ware regent in Beieren, zijn wil uitsprak, dan was er niets meer tegen te doen. Dat wilde zeggen terugkrabbelen, zijn triomf uit handen geven. Belabberd vond hij alles nu, het hele proces. Zwijgend zat hij voor zijn restje rammenas, schoof de zacht jankende taks met zijn voet opzij en luisterde dof en grimmig toe hoe Klenk met zijn goed humeur aan tafel telkens opnieuw luidruchtigheid en gelach ontketende.
Zonder ook maar een greintje veerkracht keerde minister van Eredienst Flaucher knorrig terug naar zijn woning die hij, omdat het de vooravond van het proces-Krüger was geweest, korte tijd tevoren in een opgewekte stemming verlaten had. Moe en de trieste stemming van zijn meester schuw opmerkend, kroop Waldmann de taks in zijn hoekje.

[...]

© 1948 Aufbau Verlag
© 2012 Nederlandse vertaling: Anthonie Donker & Uitgeverij Wereldbibliotheek
© auteursportret

Uitgeverij Wereldbibliotheek

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum