Leesfragment: Terras 3: Masker, ontmasker

27 november 2015 , door David Albahari
| | | | |

7 december verschijnt het nieuwe nummer van literair tijdschrift Terras: 'Masker, ontmasker'. Een tijdschrift in drie gedaanten - een kleine selectie op papier, een pdf-e-book met alles, en de inleidingen en lekkermakertjes op de site. Wij publiceren voor uit David Albahari's verhaal 'De basiliek van Lyon', in de vertaling van Reina Dokter. 'Deze vertelling begint in Lyon, maar ze kan waar dan ook eindigen. Er komen vier mannen, twee politieagenten, vijf vrouwen, twee fototoestellen, een fiets (die je niet ziet) en een oude voetbal in voor. De vertelling bestaat uit tien delen van ongelijke lengte.'

De volledige line-up van 'Masker, ontmasker':

  • Laurens Ham, Introductie
  • Frans Oosterholt, inleiding op Quim Monzó
  • Quim Monzó, Gregor
  • Kim Andringa, inleiding op Suzanne Doppelt
  • Suzanne Doppelt, fragmenten uit La plus grande aberration
  • Laurens Ham, inleiding op Kamau Brathwaite
  • Kamau Brathwaite, gedichten
  • David Sneek, 'De laatste ontmaskering'
  • Suzanne van Geuns, inleiding op David Albahari
  • David Albahari, 'De basiliek van Lyon'
  • Christiaan Ronda, 'Exeunt, het doek valt nooit'
  • Piet Devos, inleiding op Aimé Césaire
  • Aimé Césaire, gedichten
  • Laurens Ham, inleiding op Jean-Jacques Rousseau
  • Jean-Jacques Rousseau, essayfragment
  • Mari Alföldy, inleiding Hongaarse schrijvers
  • Kárintyi, Weöres en Frigyes, teksten
  • Ger Groot, 'Het masker van Zorro'

Dit nummer van Terras verschijnt in drie formaten. Het verhaal van Monzo, het essay van Groot en de poëzie van Doppelt en Césaire verschijnt in een kleine papieren uitgave. Daarnaast komt er een pdf met alle stukken én inleidingen, in de volgorde die je hierboven ziet. Ten slotte komen alle inleidingen, plus enkele fragmenten, losse gedichten en een enkele hele tekst op onze site.

 

De basiliek in Lyon

1.

Deze vertelling begint in Lyon, maar ze kan waar dan ook eindigen. Er komen vier mannen, twee politieagenten, vijf vrouwen, twee fototoestellen, een fiets (die je niet ziet) en een oude voetbal in voor. De vertelling bestaat uit tien delen van ongelijke lengte. Het grootste deel van de vertelling, dat meer dan één segment omvat, speelt zich af vóór de basiliek; het kortste segment speelt zich af op een van de pleinen van Lyon; één segment verloopt in bijna volmaakte stilte; alle segmenten zijn een vrucht van de verbeelding. Op een gegeven moment, nog voordat ze begon, bevond de vertelling zich aan de rand van de stad. Ze stond daar enige tijd, totdat het begon te regenen. Ze veegde de druppels die langs haar gezicht stroomden af en stak haar duim op. In de auto die stopte zaten twee vrouwen. Ze kauwden allebei kauwgom. 'Je kunt achterin gaan zitten,' zei de vrouw die niet reed, 'of hier tussen ons in, wat je wilt.' Ze haalde haar schouders op en blies een bel van haar kauwgom. De vertelling bedacht dat ze op de achterbank verdrietig en alleen zou zijn en kroop tussen de twee vrouwen in. De vrouw die niet reed sloeg het portier dicht en de auto trok op. 'Waar gaan jullie heen?' vroeg de vertelling. 'Waar dan ook,' zei de vrouw die reed. Goed, dacht de vertelling, ik ben in Lyon begonnen, maar ik kan waar dan ook eindigen. Ze lachte eerst naar de ene, toen naar de andere vrouw, deed haar ogen dicht en viel in slaap.

2.

Ze droomde dat er mieren over haar heen liepen, maar toen ze haar ogen opendeed, zag ze dat het de vingers waren van de vrouw die niet reed. Die had haar blouse losgeknoopt en raakte met de vingertoppen haar huid aan. Het meisje duwde vol walging de hand van de vrouw weg en begon haar blouse dicht te knopen.
'Wat is er?' zei de vrouw, 'ik wilde alleen maar zien wat voor huid je hebt. Je hebt een mooie huid,' vervolgde ze, 'maar dat weet je zelf vast ook.'
Het meisje zei niets. Ze ging verder met het dichtknopen van haar blouse en propte die toen in haar spijkerbroek. Goed dat ik geen rok heb aangetrokken, dacht ze. Die ochtend had ze er bijna twee uur mee verdaan om te kiezen tussen een rok en een spijkerbroek, en hoewel ze daarom toen boos op zichzelf was geweest, was ze nu blij. Ze keek om, om te controleren of haar rugzak nog op de achterbank lag: hij lag er, misschien een beetje opzij geduwd, maar naar het zich liet aanzien had er niemand aan het hangslot gezeten. Toen pas keek het meisje door de voorruit en zag dat het buiten niet bewolkt was, zoals ze had gedacht toen ze wakker werd, maar dat de nacht was gevallen. De koplampen verlichtten de weg, maar als het meisje naar links en naar rechts keek, zag ze helemaal geen lichtjes. Wie weet hoe ver ze al van Lyon waren, dacht ze en ze waarschuwde zichzelf dat ze niet tegen hen mocht zeggen dat ze moesten stoppen. Toen hoorde ze zichzelf zeggen: 'Stop, ik wil eruit!'
De vrouw die niet reed begon te janken.
'In godsnaam,' schreeuwde de andere vrouw, 'wil je je stilhouden?'
De vrouw die niet reed hield zich inderdaad stil, hoewel ze af en toe beledigd snufte.
De vrouw die reed keek het meisje aan: 'En jij, wat wil jij?'
'Ik wil eruit,' zei het meisje.
'Hier?' zei de vrouw die reed, 'ben je er zeker van?'
'Ja,' antwoordde het meisje. In feite was ze nog nooit ergens zo onzeker van geweest.
De vrouw trapte op de rem. 'Ik ben niet van plan om terug te komen om je op te halen,' zei ze tegen het meisje, 'is dat duidelijk?'
'Ja,' zei het meisje. Ze draaide zich om en reikte naar haar rugzak.
De vrouw die reed raakte haar arm aan. 'De rugzak blijft hier,' zei ze.
Het meisje kon haar oren niet geloven. 'Hoe bedoel je, die blijft hier? Maar al mijn spullen zitten erin.'
'Daarom juist,' zei de vrouw.
De vrouw die niet reed begon toen opnieuw te janken. Ze jankte harder dan daarnet, en met iedere inademing werd het gejank nog harder.
'Oké,' riep de andere vrouw, 'oké, laat ze die verdomde rugzak meenemen, wat kan het mij ook schelen!'
Het meisje trok de rugzak met moeite over de leuning van de bank. Ze wachtte tot de vrouw die niet reed uit de auto was gestapt en kroop er toen achter haar aan uit. 'Dank je,' zei ze tegen haar en stak haar hand uit. De vrouw die niet reed staarde naar die hand en begon nog harder te janken.
'Vooruit,' schreeuwde de vrouw die achter het stuur zat, 'stap nou eens in!'
De auto trok op voordat het de vrouw die niet reed was gelukt om te gaan zitten. Het meisje keek hoe de auto zich verwijderde, hoe zijn achterlichtjes steeds kleiner werden, en toen ze verdwenen waren, draaide ze zich om in tegengestelde richting, hees de rugzak op haar rug en ging met vaste tred op weg, alsof ze wist waar ze heen ging.

3.

Ze werd wakker, in elkaar gedoken, op het vochtige gras, in een greppel naast de weg. Ze wist niet hoe ze daar terecht was gekomen. Ze herinnerde zich de angst, die steeds meer bezit van haar had genomen terwijl haar voetstappen weergalmden in het duister. Ze zou er alles voor geven, had ze gedacht, om weer tussen die twee vrouwen te zitten, een beetje betast worden kon niemand schaden, maar het was te laat om daar iets aan te veranderen. Ze kon alleen maar lopen en hopen dat er een auto langskwam, waar ze al aan begon te twijfelen, en intussen moest ze wennen aan de nachtelijke geluiden die van alle kanten op haar afkwamen. Ze was er enige tijd van overtuigd geweest dat er iemand aan de andere kant van de weg liep, toen had ze vlak naast zich takjes horen knappen en ze was blijven staan, buiten zinnen van angst. De takjes bleven nog een poosje knappen, maar ze wist zichzelf ervan te overtuigen dat ze zich van haar verwijderden, en ze was doorgelopen. Er waren ook verschillende nachtvogels te horen, maar die kon ze niet van elkaar onderscheiden. Voor haar waren het allemaal uilen, hoewel ze van het schepsel dat voor haar gezicht langs vloog volkomen terecht dacht dat het geen vogel, maar een vleermuis was. Was zij maar een vleermuis, verzuchtte ze, dan kon ze de weg in het donker vinden. De vermoeidheid hing om haar heen als een gescheurde jurk en waarschijnlijk was ze toen gestruikeld, naast de weg gaan zitten en in slaap gevallen. Ze stond op en keek om zich heen. Het was nog vroeg, de mist gleed over de velden, de bladeren aan de bomen trilden, de weg was vochtig. Ze durfde er niet eens aan te denken hoe haar kapsel eruitzag, het kon niet anders of haar make-up was uitgelopen, ze leek hoogstwaarschijnlijk wel een clown. Toen hoorde ze het geluid van een motor en ze zag een auto. Ze stak allebei haar armen in de lucht, voelde dat haar blouse weer uit haar spijkerbroek kwam en vroeg zich af of dat een teken was, maar inmiddels was de auto gestopt en een man van middelbare leeftijd met grijzend haar en een grijze snor gluurde naar buiten.
'Zo te zien zijn we er vanochtend vroeg bij,' zei de man.
'Dat is een lang verhaal,' zei het meisje.
'Zal het duren tot Lyon?' vroeg de man, 'of althans tot de stadsgrens?'
'Geen probleem,' zei het meisje, 'langer kan ook. Ik heb mijn verhalen altijd onder absolute controle.'
'Goed,' zei de man, en pas toen nam hij haar van hoofd tot voeten op. Hij zei dat ze haar rugzak op de achterbank kon zetten, wachtte tot ze naast hem was gaan zitten en de gordel had omgedaan, en toen reed hij verder. Hij reed behoedzaam, misschien zelfs langzamer dan noodzakelijk, omdat de mist eerst uitzonderlijk dicht was geworden. Later, toen die dunner werd en vervolgens verdween, reed hij sneller, maar nog steeds voorzichtig, terwijl hij elke risicovolle verkeerssituatie vermeed, zodat het meisje haar ogen voelde dichtvallen. Als ze in slaap viel, dacht ze, zou hij dan ook haar blouse losknopen? Ze stelde zich zijn hand op haar buik voor en dat stoorde haar niet, maar toch wilde ze hem noch zichzelf in verleiding brengen.
'Hoe gaat het,' vroeg de man, 'zijn we eindelijk goed wakker? Je lichamelijke en mentale ritmes kunnen werkelijk verstoord raken wanneer je een nacht in het bos doorbrengt.'
Het meisje wreef haar ogen uit. Aan beide kanten schoven gevels van huizen langs en ze besefte dat ze toch in slaap was gevallen. Ze keek omlaag naar haar blouse, maar er was geen knoopje los. Ze controleerde ook de gesp van haar riem, hoewel ze meteen dacht dat ze een beetje overdreef. Ze gaapte een keer of twee en vroeg waar ze waren.
'In Lyon,' zei de man, 'waar zouden we anders kunnen zijn?' Hij wierp een blik op het meisje. 'U wilde toch naar Lyon, ik hoop dat ik me niet heb vergist?'
'O nee,' antwoordde het meisje, 'ik bedoel, o ja, ik wilde naar Lyon, u heeft zich niet vergist.'
De man lachte en zei: 'Waar wilt u dat ik u achterlaat?'
'Me achterlaten?' vroeg het meisje, 'hoezo?'
'Nou, u bent waarschijnlijk ergens heen op weg,' zei de man, 'en daar wil ik u naartoe rijden.'
Het meisje kreeg toen een klein tentenkamp in het oog. Aan een groot aantal van de witte tenten hingen kleurige vlaggen. Er waren er al een paar open en daarvóór vormden zich groepjes mensen. 'Hier,' zei het meisje, 'hierheen was ik op weg.'
De man zei niets. Hij minderde vaart en stopte toen, wachtte tot het meisje was uitgestapt en gaf haar toen haar rugzak aan. Hij haalde zijn portemonnee te voorschijn, vond daarin een visitekaartje en overhandigde dat aan het meisje. 'Ik werk in het museum,' zei hij, 'en als u vóór de middag uw verplichtingen heeft afgehandeld, kunt u mij opzoeken, dan kunnen we misschien samen lunchen.' Hij keek hoe het meisje het visitekaartje bekeek, en lachte. 'Het museum is niet ver hiervandaan,' zei hij, 'iedereen zal u de weg kunnen wijzen.'

4.

Het meisje zwaaide naar hem toen hij optrok en daarna draaide ze zich om naar de tenten. Ze had geen flauw idee wat zich daar afspeelde. De tenten glansden in de ochtendzon, er kwam ergens weemoedige muziek vandaan, kiezeltjes rolden weg rond haar gympen, ze bedacht dat ze niet eens wist hoe ze eruitzag en probeerde met haar vingers haar haren te kammen, toen liep ze tussen de mensen van de beveiliging door en ging van de ene tent naar de andere. In elke tent zat een ander land en het meisje las algauw ergens dat hier een consulaire tentoonstelling werd gehouden, dat al die staten iets probeerden te laten zien van wat ze op economisch en cultureel gebied tot stand hadden gebracht, inclusief volkskunst, muziek en dans. Het meisje legde de reclamefolder weg en liep verder tussen de tenten. Ze probeerde een patroon vast te stellen in de open en gesloten tenten, in een poging om dat te zien als een product van nationale eigenschappen, maar ze zag algauw in dat er niet zo'n patroon bestond. De Kroatische en de Servische tent waren bijvoorbeeld open, terwijl de Bulgaarse en de Griekse gesloten waren, hoewel die landen, als ze zich niet vergiste, allemaal tot dezelfde ruimte, de Balkan, behoorden. Ze ging de tent van Servië binnen en bekeek aandachtig de reproducties van middeleeuwse fresco's. De jongen die aan een van de tafeltjes zat kuchte zachtjes, ten teken dat hij zich voorbereidde om te antwoorden op haar vragen, voor zover ze die had, natuurlijk.
'Ik heb geen vragen,' zei het meisje.
Dat zei ze half omgedraaid, over haar schouder, en de jongen was er niet zeker van wat ze had gezegd. Hij stond op en liep op het meisje af. 'Als ik u goed heb begrepen,' zei de jongen, 'heeft u iets te vragen?'
Het meisje draaide zich om en zag dat de jongen dezelfde ogen had als een van de engelen. 'Nee,' antwoordde ze, 'ik zei dat ik geen vragen had.'
De jongen spreidde zijn armen en glimlachte. 'Neemt u me niet kwalijk,' zei hij, 'dat komt allemaal door de muziek.'
En inderdaad, uit een van de tegenovergelegen tenten daverde muziek. Het meisje wist niet uit welk land die muziek kwam. Ze dacht aan China, aan Korea, aan Indonesië, maar later, toen de muziek was afgelopen, dacht ze nergens meer aan. Ze draaide zich om en zag dat de jongen weer aan de tafel zat. Ze liep naar hem toe, snel, alsof ze niet van plan was om te blijven staan, en hij keek haar onverwachts aan met die engelenogen. 'Ik heb toch een vraag,' zei het meisje, 'waar is dit museum?' Ze haalde het visitekaartje uit haar zak en stak het de jongen toe.
'O,' zei de jongen, 'dat is niet ver, daar kunt u ook naartoe lopen.' Hij keek om zich heen. 'Ik moet hier ergens een kaart van Lyon hebben,' zei hij, 'dan zal ik het u wijzen.'
'Als het zo dichtbij is,' vroeg het meisje, 'waarom brengt u me er dan niet naartoe?'
De jongen hield op met zoeken tussen de spullen op de tafel. Hij staarde een poosje naar zijn handen, alsof hij daarvan een antwoord verwachtte, en toen haalde hij zijn mobieltje uit zijn zak en belde iemands nummer. Terwijl hij sprak in een onverstaanbare taal, bladerde het meisje in een boek over de kloosters van Servië. De jongen sloot het gesprek af en rekte zich uit. 'Zodra ze komt,' zei hij alsof het meisje wist om wie het ging, 'kunnen we gaan. U zult zien, het is echt dichtbij,' vervolgde hij, 'maar als u niet zeker van uw zaak bent, moet u geen risico nemen. In Lyon verdwalen mensen gemakkelijk en verdwijnen spoorloos.'

5.

De jongen ging weg toen ze het museum hadden bereikt. Hij zei dat hij haastig terug moest, dat de secretaresse van het consulaat hem maar een halfuur kon vervangen, dat de consuls van Japan, Canada en Australië een bezoek aan de tent van Servië hadden aangekondigd, dat het meisje alleen maar over de binnenplaats hoefde te lopen, dan zou ze bij de ingang van het museum uitkomen. Het meisje wilde hem nog iets vragen, maar hij liep al haastig weg en verdween tussen de voorbijgangers. Ze haalde het visitekaartje te voorschijn, liep over de binnenplaats en ging het museum binnen. Ze liet de caissière het visitekaartje zien en daarna, terwijl de caissière belde naar de man die het meisje wilde zien, ging ze op een stoel in de hoek zitten om op hem te wachten.
De man die een minuut of tien later verscheen, naar de caissière liep en vervolgens, toen de caissière met haar kin naar het meisje had gewezen, naar haar toekwam en vroeg waarmee hij haar van dienst kon zijn, was niet de man die het meisje die ochtend naar Lyon had gereden. Het meisje haalde opnieuw het visitekaartje te voorschijn en overhandigde het aan de man.
'Ja,' zei de man, 'dat ben ik.'
'Nee,' zei het meisje, 'u bent het niet.'
In de ruimte viel een stilte.
'Ik zal toch wel weten wie ik ben,' zei de man. Zijn stem werd opeens stug en hard.
'Hoe kom ik dan aan uw visitekaartje?' vroeg het meisje.
'Dat zou ik ook weleens willen weten,' zei de man. Hij draaide zich om naar de caissière en riep haar toe: 'Zij weet niet waar ze het visitekaartje vandaan heeft.' De caissière schudde medelevend het hoofd.
'Ik heb het gekregen van de man die me vanmorgen naar Lyon heeft gereden,' antwoordde het meisje.
'U bent vanmorgen pas naar Lyon gekomen,' zei de man verbaasd, 'dat is ongelooflijk!' Hij draaide zich weer om naar de caissière en riep haar toe: 'Stelt u zich eens voor, zij is vanmorgen pas naar Lyon gekomen!' De caissière knikte medelevend.
'Wat is er zo vreemd aan,' vroeg het meisje, 'dat ik vanmorgen naar Lyon ben gekomen?'
'U bent vanmorgen gekomen,' zei de man, 'maar u praat al alsof u hier geboren bent. Dat is simpel gezegd ongelooflijk. Zou u het goedvinden dat wij u testen?'
'Nee,' zei het meisje, 'ik moet gaan.'
'Ze moet gaan,' riep de man naar de caissière. De caissière kneep alleen even haar ogen dicht en pakte de hoorn van de telefoon.
Het meisje begreep opeens wat dat allemaal zou kunnen betekenen. Ze stond plotseling op, gaf de man uit alle macht een duw en terwijl hij viel, naast de fauteuil, rende ze naar buiten. Op de binnenplaats vol groen en schaduwen was niemand; er lag alleen een oude voetbal op een bank naast de ingang. Het meisje bleef niet staan; ze liep door naar buiten, de straat op, sloeg rechtsaf, tegengesteld aan de richting waarin de jongen van het Servische consulaat was verdwenen, ging vervolgens de eerste straat links in, toen weer rechts en nog eens links, totdat ze voelde dat ze was verdwaald. Toen kwam ze uit op een pleintje en wilde ze graag even zitten.

6.

Het meisje ging zitten aan een tafel van een restaurant op het pleintje. Af en toe hoorde ze kerkklokken slaan, maar ze begon nooit vanaf het begin te tellen, zodat ze helemaal niet wist hoe laat het was. De laatste keer telde ze drie slagen, maar toen ze daarvóór had geteld, waren het er vijf. Ze stak haar hand op om de kelner te roepen, maar toen ze het hem vroeg, had hij ook geen horloge.

[...]

Literair tijdschrift Terras

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum