Leesfragment: Uit de tijd vallen

27 november 2015 , door David Grossman
| |

Eind augustus verschijnt het nieuwe boek van David Grossman, Uit de tijd vallen. Een verhaal in stemmen, vertaald door Ruben Verhasselt. Wij publiceren voor.

Na het avondeten staat hij plotseling op, neemt afscheid van zijn vrouw en vertrekt naar ‘daar’ om – één keer, heel kort – hun dode zoon te zien. Anders is het verdriet niet meer uit te houden, nadat hij er vijf jaar over zweeg. Onderweg sluiten zich tot zijn verbazing meer en meer mensen bij hem aan, allemaal vaders en moeders die geen vrede kunnen vinden met de dood van hun kinderen.

In de veelstemmige stoet bevinden zich een stadschroniqueur, die alles moet optekenen, een hertog, een oude rekenonderwijzer, een vroedvrouw en een schoenmaker. Zij passeren in een lange optocht de centaur. Deze ongelukkige – ‘half schrijver, half schrijftafel’ – probeert het verdriet om de dood van zijn zoon al jaren in woorden te vatten. Schrijven, zegt hij, is de enige manier om iets te begrijpen. Tegen de stadschroniqueur met zijn droge aantekeningen brult hij: ‘Schrijf nu dan alsjeblieft op in koeienletters: ik moet het herscheppen in de vorm van een verhaal! Begrepen?’

Het lukt hem uiteindelijk om daar de juiste woorden voor te vinden, maar de prijs die hij betaalt is hoog. Met het afronden van zijn verhaal, is hij zijn zoon definitief kwijt.

Uit de tijd vallen verkent in precieze en tegelijkertijd poëtische taal de pijn en het verdriet van ouders die een kind verloren hebben. Vijf jaar na de dood van zijn in de oorlog gesneuvelde zoon Uri slaagt David Grossman op ongeëvenaarde wijze in deze bijna onmogelijke onderneming. Waar het nodig is zelfs met vertwijfelde humor.

Uit de tijd vallen ontleent zijn overweldigende kracht en meesterschap paradoxaal genoeg aan de combinatie van ontroostbaarheid over het verlies en de distantie daartoe. Zoiets, mompelt de centaur, kan alleen in een verhaal lukken. Grossman heeft al lang naam en faam als een groot verteller. Uit de tijd vallen leest als een onsentimenteel verhaal, dat ons tot lang na de laatste bladzijde niet loslaat.

N.B. We brachten eerder al een groot fragment uit Een vrouw op de vlucht voor een bericht.

stadschroniqueur: Als ze ’s avonds aan tafel zitten te eten, verandert plots het gezicht van de man. Met een bruuske beweging schuift hij het bord van zich weg. Messen en vorken rammelen op tafel. Hij staat op en lijkt niet te weten waar hij is. De vrouw schrikt terug op haar stoel. Zijn blik zweeft om haar heen zonder houvast te vinden en zij – ze is al eens eerder getroffen door een ramp — voelt meteen aan: daar is het weer, het raakt me al aan, zijn koude vingers op mijn lippen. Maar wat is er gebeurd? vraagt haar blik, en de man kijkt haar verbijsterd aan —

— Ik moet weg.
— Waarheen?
— Naar hem.
— Waarheen?
— Naar hem, daarheen.
— Naar de plek waar het gebeurd is?
— Nee, nee. Daarheen.
— Wat bedoel je met daar?
— Weet ik niet.
— Je maakt me bang.
— Nog één keer hem even zien.
— Maar wat zul je daar nu zien? Wat valt er nog te zien?
— Misschien kan ik hem daar zien. Misschien zelfs met hem praten.
— Praten?!

stadschroniqueur: En nu gaan ze beiden open, worden wakker.

— Je stem.
— Die is terug. Ook die van jou.
— Ik heb je stem zo gemist.
— Ik dacht dat we… Dat we nooit meer —
— Meer dan mijn eigen stem heb ik jouw stem gemist.
— Maar zeg me, wat is ‘daar’? Zo’n plek is er niet, er is geen daar!
— Als je ernaartoe gaat, is er een daar.
— En je komt er niet meer vandaan, niemand is er ooit van teruggekeerd.
— Omdat alleen doden erheen zijn gegaan.
— En jij, hoe ga jij?
— Ik ga er levend heen.
— En je komt niet terug.
— Misschien is hij aan het wachten op onze komst.
— Dat is hij niet. Al vijf jaar is hij alleen maar niet en nog eens niet.
— Misschien begrijpt hij niet hoe we hem zo hebben kunnen opgeven, meteen, op het moment dat ze ons inlichtten…
— Kijk naar me. Kijk me in de ogen. Wat doe je ons aan? Ik ben het, zie je het? Wij zijn het, wij tweeën. Dit is ons huis. De keuken. Kom, ga zitten. Ik schep soep voor je op.

man:
Mooi, zo mooi is de keuken
op dit moment, nu je soep opschept,
en het hier warm en zacht is,
nu door de damp de koude ruit beslaat.

stadschroniqueur: Misschien vanwege zijn jarenlange zwijgen is zijn stem hees en wordt die gedempt tot een fluistertoon. Hij wendt zijn blik niet van haar af. Hij kijkt haar zo indringend aan dat haar hand trilt.

man:
En het mooist zijn je armen,
je ronde, zachte armen.
Het leven is hier, lieveling,
ik was even vergeten:
het leven is op de plek
waar jij soep opschept
in een ronde vlek van licht.
Goed dat je me eraan herinnert:
wij zijn hier
en hij is daar,
en een aloude grens
loopt tussen hier
en daar.
Ik was even vergeten —
wij zijn hier
en hij —
Maar het kan niet langer —
het kan niet!

vrouw:
Kijk naar me. Nee,
niet met die holle blik. Stop.
Keer weer naar mij, naar ons,
kom terug. Het is zo makkelijk
om ons te loochenen en ook de ronde vlek
van licht, deze zachte armen,
de gedachte dat wij zijn teruggekeerd
tot het leven — en dat de tijd
ondanks alles
dunne noodverbanden legt.

man:
Nee, het kan niet langer zo,
het kan niet langer dat wij,
dat de zon,
dat de klokken, de winkels,
dat de maan,
de verliefde paren,
dat bomen in de lanen groen worden,
dat bloed in de aderen,
dat lente en herfst,
dat mensen, nietsvermoedend,
dat er ‘zomaar’ is op deze aarde.
Dat kinderen
van anderen,
dat hun licht en warmte —

vrouw:
Pas op, je zegt dingen.
Het web heeft zulke dunne draden —

man:
’s Nachts kwamen mensen,
in hun mond een bericht.
Ze hadden een lange weg afgelegd,
ernstig gezwegen en wellicht
ondertussen steels geproefd, gelikt.
Kinderlijk verbaasd erkenden ze:
je kon de dood in de mond houden,
als was die een snoepje van gif,
en waren zij door een wonder immuun.
Wij openden de deur voor hen, deze deur,
hier stonden wij, jij en ik,
schouder aan schouder,
daar, op de drempel, zij,
wij tegenover hen,
en zij, met mededogen,
afgemeten, stil,
stonden er
en bliezen ons
de geest der doden in.

vrouw:
Er heerste een verschrikkelijke stilte.
Rondom likte een koud vuur.
Ik zei: ‘Ik wist het,
vanavond zouden jullie komen.’
Ik dacht: kom, woestenij en ledigheid.

man:
Ergens, van ver weg,
hoorde ik je stem.
Je zei: ‘Geen angst,
toen ik van hem beviel,
heb ik niet geschreeuwd,
en nu zal ik dat ook niet doen.’

vrouw:
Ons oude leven groeide
nog even in ons door.
Het praten, de gebaren,
de gelaatsuitdrukkingen —
man en vrouw:
Nu, heel even, gaan we erin onder.
We zwijgen beiden in dezelfde woorden.
Niet hem bewenen we op dit moment,
de melodie van het oude leven bewenen we,
het wonderbaarlijk simpele, de lichtheid,
het gezicht, dat vrij was nog van rimpels.

vrouw:
Maar we hebben aan elkaar beloofd,
elkaar gezworen dat wij zouden blijven
lijden aan hem, missen, leven.
Wat is er gebeurd, opeens,
dat jij alles zo verscheurt?

man:
Na die nacht kwam er een vreemde man,
hij pakte me bij de schouders beet en zei:
‘Red wat er nog rest.
Vecht, probeer te helen.
Kijk haar in de ogen,
hou je voortdurend vast
aan haar ogen — laat niet los.’

vrouw:
Ga niet terug daarheen,
keer niet weer naar die dagen,
kijk niet achter je —

man:
In die duisternis zag ik twee ogen voor me,
en het ene weende,
in het andere: waanzin.
Het ene menselijk, gedoofd,
het andere van een dier.
Een dier dat half al in de muil
ten prooi gevallen was, een bloeddoorlopen dier,
van zijn zinnen reeds beroofd,
keek me aan vanuit je oog —

vrouw:
De aarde opende haar mond,
verslond ons, en de aarde braakte.
Ga niet terug daarheen, niet terug,
zet zelfs geen stap buiten deze vlek van licht —

man:
Ik kon het toen niet,
durfde niet te kijken
in je oog, dat ene,
het waanzinnige,
in je verdwenenheid.

vrouw:
Ik zag je niet, niets zag ik,
noch met het mensenoog,
noch met dat van het dier.
Ik was ontzield. Heel koud was het
en nu ook hier, het is hier koud.
Kom slapen, het is laat.

man:
Vijf jaar lang doodgezwegen hebben wij die nacht.
Jij viel als eerste stil, daarna ik.
Jou deed het goed, dat zwijgen,
mij greep het naar de keel.
Een voor een zijn de woorden weggestorven,
een huis waarin stilaan alle lichten doofden,
totdat de duistere stilte viel —

vrouw:
En in die stilte vond ik je weer terug, en hem.
We werden er omhuld door een donkere mantel,
we lagen erin opgekruld met hem, en bleven stom als hij.
Drie ongeboren baby’s in de schoot van de ramp —

man:
Samen werden we geboren aan de andere kant,
zonder kleuren, zonder woorden,
en leerden er een leven in negatief te leiden.

(stilte)

vrouw:
Kijk, met ieder woord verdwijnt er iets van ons geheim,
als een droom die in zichzelf de lampen aansteekt.
Want in die stilte school een wonder,
er lag een diep geheim verborgen in die stilte,
waarin wij toen met hem waren opgegaan,
waarin we zwegen, stom als hij,
waarin we als het ware praatten in zijn taal.
Want wat hebben woorden —
wat heeft de trom van woorden met zijn dood van doen?

stadschroniqueur: Na haar kreet valt een stilte en de man deinst achteruit tot zijn rug de muur raakt. Traag, alsof hij in slaap is, spreidt hij zijn armen zijwaarts en schuifelt langs de muur. Hij loopt zo rond, door de kleine keuken, rond en rond —

[...]

© 2011 David Grossman en Uitgeverij Hakkibutz Hemeuchad
Nederlandse vertaling © 2012 Ruben Verhasselt en Uitgeverij Cossee bv, Amsterdam

Utgeverij Cossee

MINDBOOKSATH : athenaeum