Leesfragment: Veranderingen

27 november 2015 , door Mo Yan
| |

26 november verschijnt Veranderingen, memoires van Nobelprijswinnaar Mo Yan, vertaald door Daan Bronkhorst. Vandaag kunt u bij ons al een uitgebreid fragment uit het boek lezen: 'Het jaar 1979 was een gloriejaar, voor het land en ook voor mij. Op 17 februari gingen onze militairen in de tegenaanval, tegen de Vietnamese agressie. Tweehonderdduizend man staken vanuit de provincies Guangxi en Yunnan de grens over. De volgende dag bij het ontbijt hoorden we op de radio het nieuws dat een held van een soldaat, ene Li Chengwen, was gedood bij het opblazen van een versterkte positie van de vijand.'

Mo Yan werd als kind van gewone komaf van school gestuurd, ging bij het leger en hoopte vrachtwagenchauffeur te worden. Toen dat niet lukte, legde hij zich toe op het schrijven en werd daarin erg succesvol. Mo Yan schrijft humoristisch, met groot gevoel voor detail, maar nooit direct over de grote politieke thema's. Hij verdiept zich echter wel in de gevolgen en de veranderingen die de Communistische Partij, modernisering en buitenlandse betrekkingen met zich meebrengen.

Het jaar 1979 was een gloriejaar, voor het land en ook voor mij. Op 17 februari gingen onze militairen in de tegenaanval, tegen de Vietnamese agressie. Tweehonderdduizend man staken vanuit de provincies Guangxi en Yunnan de grens over. De volgende dag bij het ontbijt hoorden we op de radio het nieuws dat een held van een soldaat, ene Li Chengwen, was gedood bij het opblazen van een versterkte positie van de vijand. Veel van de jongens die gelijk met ons in dienst waren gekomen, waren naar het front gestuurd en diep van binnen benijdde ik hen, ik smachtte naar een kans om de vuurlinie te zien en zelf een held te worden. Als ik levend terugkeerde, zou ik voor mijn moed worden bevorderd, en zo niet, dan zou mijn ouders de eer van martelaarsfamilie te beurt vallen, waardoor hun politieke status dramatisch zou verbeteren. Dan hadden ze me niet voor niets grootgebracht. Ik was trouwens niet de enige die er zo over dacht. Misschien was het een simplistische, onrijpe manier van denken, maar dat was de verwrongen mentaliteit waarmee wij, kinderen van verdrukte middenklasseboeren, waren opgegroeid. Een illustere dood was beter dan een gedegradeerd leven. Omdat er aan het front gevochten werd, waren ook wij niet langer een ongedisciplineerde eenheid. We wierpen ons op alles wat van ons verwacht werd: gevechtsoefeningen, training, wachtlopen of corvee. Maar toen de oorlog snel voorbij bleek te zijn, vielen we meteen weer terug in ons oude patroon.
Eind juni kreeg ik toestemming naar huis te gaan om te trouwen. De ceremonie werd voltrokken op de 3de juli, een regenachtige dag. In de tijd van mijn verlof kwamen verscheidene jongens die in de oorlog hadden gevochten thuis, overladen met eer, twee hadden zelfs een bevordering op het slagveld gekregen. O, wat was ik jaloers. Maar wat had de toekomst voor mij in petto? Over een paar maanden zou ik waarschijnlijk uit dienst gaan en naar huis terugkeren.
De dag na de bruiloft fietste ik naar de staatsboerderij van de Jiao. Ik had mijn vrouw gezegd dat ik een paar vroegere klasgenoten ging opzoeken. De ware reden was dat ik de GAZ-51 wilde zien waarop Lu Wenli's vader had gereden, de auto die me bijna het leven had gekost. Ik vond de truck op de parkeerplaats, Wenli's vader was bezig hem te schilderen. Ik ging bij hem staan en bood hem een sigaret aan. Meester Lu, zei ik, weet u wie ik ben? Hij schudde zijn hoofd. Ik zat in de klas bij Lu Wenli, ik ben Mo Yan. Ah, zei hij, nu weet ik het weer, jij bent degene die een paar handschoenen uit mijn auto stal toen ik geparkeerd stond bij jouw dorp. Dat was ik niet, zei ik, dat was He Zhiwu en hij stal niet alleen uw handschoenen, hij liet ook de banden leeglopen. O, hij! zei Wenli's vader, mensen als hem noemen we kromhalsganzen. Die gast zat vol van die streken, hij liet niet alleen mijn banden leeglopen, maar nam ook nog eens de ventielen mee! Later kwam hij mijn uniform en pet lenen, als ik ze niet gaf, zei hij, zou hij spijkers over de hele weg strooien om mijn banden lek te prikken. Ik moest meteen denken aan die keer, meer dan tien jaar geleden, dat de truck geparkeerd stond in onze straat, met vier van de zes banden plat en Wenli's vader er briesend en vloekend naast. Ik was de voor de hand liggende verdachte en op school voelden ze me langdurig aan de tand. Liu met de grote mond hield zelfs een gloeiende pook vlak bij mijn gezicht en brieste dat ik moest bekennen. Maar ik had niets te vrezen, want ik had het niet gedaan en voor die pook was ik niet bang. Ik vroeg Lu Wenli's vader wat zijn dochter deed en hij zei dat ze op de rubberfabriek van de regio werkte. Ik zei: Een baan op een staatsboerderij is geweldig want die is bezit van het hele volk en een rubberfabriek is collectief eigendom. Hij zei dat hij dacht dat ik toch wel wist dat nu de regio eigenaar was van de boerderij en dat de grond verpacht zou worden, binnenkort zou er geen verschil meer zijn tussen ons en de boeren. Ik wees naar de half geschilderde truck en de roestende vehikels op het parkeerterrein, en vroeg wat ermee gedaan werd. We verkopen wat we kunnen, zei hij, en de rest laten we wegroesten. Gaat u dan de GAZ-51 verkopen? Ah, zei hij, een paar dagen geleden kreeg ik een telegram van He Zhiwu uit Binnen-Mongolië, dat hij mij er achtduizend yuan voor gaf, dat is een hoop geld voor zo'n aftandse truck. Ik denk dat dat joch niet goed bij zijn verstand is, voor vijfduizend meer koopt hij een Bevrijdingstruck die zo van de lopende band is gerold. Denk je dat hij me voor schut wil zetten? vroeg hij. Ik werd overspoeld door emoties. He Zhiwu, wat is die briljante geest van jou nu weer aan het bekokstoven? Het is duidelijk dat je een smak geld hebt verdiend, maar waarom vergooi je daarvan zo veel aan een afgetakelde vrachtwagen? Is de nostalgie je dat waard? Meester Lu, zei ik, ik weet niet wat hij zich in zijn hoofd heeft gehaald, maar ik denk niet dat hij u voor schut wil zetten. Hij kan doen wat hij wil, zei Lu, maar ik weet nog niet zo zeker of ik de truck verkoop, wij twee hebben een lange band. Hij zette zich weer aan het verven. Waar ben je gestationeerd? vroeg hij even later. In Huangxian, zei ik. Dus je bent bij het 34ste regiment van het garnizoenscommando van Penglai, zei hij. Ik zei dat we verbonden waren aan de generale staf onder supervisie van het 34ste regiment. Hij zei: Regimentscommandant Xu en ik zijn oude kompanen, hij was de opleidingsofficier van het regiment toen ik compagnieleider was. Opgewonden zei ik: Ik hoorde commandant Xu een keer een rapport voorlezen. Wat een toeval! Wilt u iets voor hem meegeven? Ik ben overmorgen weer terug bij mijn eenheid. Hij is een belangrijke regimentscommandant, zei Lu mistroostig, en ik ben maar vrachtwagenchauffeur. Het zou erop lijken dat ik me in de gunst wilde werken. Daar wilde ik op antwoorden, maar hij was alweer doorgegaan met schilderen. Ik wist wat hem overkomen was. Nadat hij was teruggekeerd van het slagveld in Korea was hij bevorderd tot kapitein en leider van de compagnie. Hij had een mooie toekomst, maar zoals zo veel mannen van zijn leeftijd werd hij verwaand en lichtzinnig, hij 'zwaaide van achter met zijn staart en van voren met zijn haan'. En zo ruïneerde hij wat een fraaie militaire carrière had kunnen worden.
De volgende ochtend vroeg ging ik de stad in om een buskaartje terug naar Huangxian te kopen. Omdat de bus pas over twee uur zou vertrekken, besloot ik bij de rubberfabriek langs te gaan, dat was nog geen half uur lopen. Bij de oude man aan de fabriekspoort meldde ik dat ik voor Lu Wenli kwam. Hij dacht dat ze in de nachtdienst zat en vroeg me waarom ik haar wilde zien. Ik vertelde dat we samen in de klas hadden gezeten en dat ik haar gedag wilde zeggen omdat ik toevallig in de buurt was. Waarschijnlijk omdat de man zag dat ik soldaat was, bood hij aan te gaan kijken of ze er was. Ik bedankte hem. Bewaak de poort even zolang ik weg ben, zei hij. Ik keek op mijn horloge, een Zhongshanhorloge van dertig yuan dat ik had geleend van een van mijn makkers, omdat ik de bus niet wilde missen. Na een hele tijd zag ik de oude man aan komen lopen met Lu Wenli achter zich aan. Ze had een jas omgeslagen en droeg een rode trainingsbroek met daaronder slippers. Haar haar was niet gekamd en ze had slaap in haar ogen, ze gaapte ook. Ik liep naar haar toe en noemde haar naam. Ze nam me van top tot teen op en zei koel: Ah, jij bent het, wat moet je hier? Eigenlijk niets, zei ik, plotseling niet op mijn gemak, ik was op weg naar mijn eenheid … had wat tijd voordat de bus vertrok … dacht dat ik mijn oude klasgenootje gedag zou gaan zeggen … gisteren was ik op de staatsboerderij en zag daar je vader. Hij zei me dat je hier werkte … Als dat alles is, zei ze kortaf, dan ga ik weer slapen. Ze draaide zich om en liep weg. Ik keek haar na en voelde me diep miserabel.
Ik was pas twee maanden terug bij mijn eenheid toen ik de order kreeg om naar het opleidingsregiment in Baoding te gaan. De maat die me zijn Zhongshanhorloge had geleend toen ik naar huis ging om te trouwen - we kwamen uit hetzelfde dorp - verzuchtte: Blijkbaar brengt trouwen geluk, ik ga over een paar dagen naar huis om het ook te doen. Kort voordat ik de eenheid verliet, organiseerde iemand een basketbalwedstrijd tussen de veiligheidsagenten en ons. Ik miste geen enkel schot, het was de beste wedstrijd van mijn leven.
Op 10 september vertrok ik uit Huangxian samen met technicus Ma die iets in Peking te doen had. Tian Hu reed ons in de truck naar het station van Weifang. Tot weerziens, GAZ-51. Maar er zou geen weerzien komen, het was een afscheid voor altijd. Ik heb de auto nooit meer teruggezien en ik heb me vaak afgevraagd op welke schroothoop hij ten slotte terecht is gekomen. Wat de truck van Lu Wenli's vader betreft: iemand vertelde me dat Hu Zhiwu die inderdaad had gekocht. Voor zijn vertrek had hij een paar rondjes op het sportveld gemaakt en zo zijn verklaard ideaal tot werkelijkheid gemaakt: Lu Wenli's vader te worden. Daarna was hij in een wolk van stof weggereden.
In Baoding was ik groepsleider, verantwoordelijk voor het trainen van degenen die dat jaar waren gerekruteerd van de middelbare school. De bedoeling was dat ze twee jaar studeerden, het equivalent van een bachelorprogramma op de hogeschool, en bij afstuderen officier van rang 23 zouden worden. Hun specialisatie droeg een lange titel, maar het kwam erop neer dat ze een koptelefoon opzetten en telegrafische boodschappen uitschreven. Toen mijn opdracht een maand later ophield, bleef ik bij het regiment: eerst in de beveiliging, daarna als politiek instructeur voor filosofie en politieke economie, twee onderwerpen waarvan ik zo goed als geen benul had. Ik dwong mezelf ertoe, al voelde ik me net een eend die gedwongen wordt een rek op te klimmen. Eerst was het uitputtend, maar na een semester kreeg ik de slag te pakken. Toen, plotseling, kwamen mijn bijna knock-out geslagen literaire aspiraties terug in de ring. In september 1981, na een hele reeks afwijzingen, verscheen mijn eerste gepubliceerde verhaal, 'Een regenachtige lenteavond'. Dat was in het plaatselijke tijdschrift Lelievijver. Een tweede verhaal, 'De lelijke soldaat', verscheen het voorjaar daarop in hetzelfde tijdschrift. Welnu, een gewone soldaat die de taken van een officier heeft gekregen, die welsprekend en gedegen de beginselen van het marxisme aan een groep studenten kan ontvouwen en die fictie schrijft, trekt onvermijdelijk de aandacht. Mijn dochter werd geboren op 3 november 1981. Toen we haar een naam moesten geven, suggereerde mijn oudste broer, die in Hunan werkte, haar Ailian te noemen, letterlijk 'zij die de lelies liefheeft' en ook een verwijzing naar een bekend gedicht uit de Songdynastie. Dat vond ik te gewoon, dus ik noemde haar Xiaoxiao, een oud woord voor een kleine bamboefluit. Maar eenmaal op school vond de onderwijzer dat de karakters van haar naam te ingewikkeld waren en hij veranderde het in Xiaoxiao zoals geschreven met de karakters voor glimlach. En die naam heeft ze nu nog. Ik kreeg steun van een paar belangrijke mensen in het leger en ontving in de zomer van 1982, toen ik met verlof thuis was, bericht dat men buiten de regels was getreden door mij te bevorderen tot officier. Het document waarmee ik tot opleidingsofficier werd aangesteld, bevindt zich waarschijnlijk nog altijd in mijn dossier. Het staat me nog goed bij dat mijn vader me de brief bracht. Toen ik hem de inhoud vertelde, verscheen er een glans in zijn ogen die me een tegelijkertijd warm en schraal gevoel gaf. Zonder een woord te zeggen, pakte hij zijn hak en ging hij naar de akker. Zijn reactie deed me denken aan hoe een oudere verre verwant had gereageerd op het nieuws dat zijn zoon was bevorderd. Hij ging het dorp rond met een gong en schreeuwde almaar: Mijn zoon is officier! Mijn zoon is officier! De ingehouden reactie van mijn vader op hetzelfde soort nieuws leerde me een hoop over zijn persoonlijkheid, zijn karakter en zijn ervaringen. In de herfst van 1984 deed ik examen voor de literatuurafdeling van de Kunstacademie van het Volksbevrijdingsleger. Enige tijd later werd mijn verhaal 'De doorzichtige koolraap' met veel succes gepubliceerd en al gauw daarna verscheen mijn korte roman Het rode korenveld, die een sensatie veroorzaakte. In de zomervakantie van 1986 deed ik boodschappen op de markt van de stad en liep ik iemand van een naburig dorp tegen het lijf die me bij de arm pakte en met wijdopen ogen tegen me schreeuwde: Ik hoor dat je het helemaal gemaakt hebt! Ze zeggen dat je een roman hebt verkocht voor een miljoen! Nu is een roman van een miljoen yuan best mogelijk, maar niet in die tijd. Nog voor ik hem echter kon corrigeren, zei hij: Maak je geen zorgen, ik ben niet op je geld uit. Mijn zoon is geslaagd voor een examen om in Amerika te studeren! Over een paar jaar stromen de dollars binnen!

Auteursportret © J. Kolfhaus

Uitgeverij De Geus

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum