Leesfragment: Verrassing

27 november 2015 , door Etgar Keret
| |

19 januari wordt Etgar Kerets verhalenbundel Verrassing (Pitom Dfika Ba-DeletSuddenly, a Knock on the Door, vertaald door Adriaan Krabbendam en Ruben Verhasselt) feestelijk onthaald bij de SLAA in De Balie. Wij vieren mee, met een voorpublicatie van het openingsverhaal, waarin Keret zijn gevoeligheid voor het absurde en de grens tussen fictie en fictie tentoonspreidt: 'Ineens wordt er aan de deur geklopt.'

Na een succesvolle periode als filmmaker is Etgar Keret terug met een nieuwe bundel: even vindingrijk als in zijn eerdere verhalen, maar nog volwassener en verfijnder. In de vertellingen van Keret ontvouwt zich een absurdistische wereld, die soms doet denken aan Murakami, maar boven alles ‘Keretesk’ is. Een vrouw ontdekt een rits in de mond van haar vriend, ontdoet hem van zijn omhulsel en leeft verder met de jongeman die achter de rits blijkt schuil te gaan. Een schrijver krijgt bezoek van vreemdelingen die op gewelddadige wijze om een verhaal vragen.
Een man ontdekt dat zijn leugens daadwerkelijk bestaan en verzint vervolgens uitsluitend vrolijke smoezen. En een eenzame immigrant bewaart een goudvis in een jampot zodat hij nog wat aanspraak heeft.

De personages van Keret wonen anno 2011 in mooiere appartementen, hebben betere banen en meer aandelen, maar hun levens zijn er niet makkelijker op geworden. ‘Er zijn,’ zegt de auteur zelf, ‘nog steeds hartverscheurende, grappige en verontrustende verhalen die ik over hen vertellen kan.’     

Ineens wordt er aan de deur geklopt

‘Vertel me een verhaal,’ beveelt de man met de baard die op de bank in mijn woonkamer zit. Ik moet toegeven dat de situatie niet echt plezierig is. Ik ben tenslotte iemand die verhalen schrijft, niet iemand die ze vertelt. En zelfs dat doe ik niet op bestelling. De laatste die me ooit vroeg hem een verhaal te vertellen, was mijn zoon. Dat was een jaar geleden. Ik vertelde hem iets over een fee en een veldmuis – ik weet niet eens meer wat – en binnen twee minuten was hij onder zeil. Maar deze situatie is wezenlijk anders. Omdat mijn zoon geen baard heeft, en evenmin een pistool. Omdat mijn zoon het me vriendelijk vroeg, terwijl deze man me gewoon wil beroven.
Ik probeer de man met de baard uit te leggen dat het alleen maar in zijn voordeel is als hij het pistool terugstopt in de holster, in ons beider voordeel. Het is moeilijk een verhaal te verzinnen met de loop van een geladen pistool op je gericht. Maar de kerel staat erop. ‘In dit land,’ verklaart hij, ‘moet je, als je iets wilt hebben, dwang gebruiken.’ Hij is hier net aangekomen uit Zweden, en in Zweden werkt het volkomen anders. Als je daar iets wilt hebben, vraag je het beleefd, en dan krijg je het meestal ook. Maar niet in dit verstikkende, benauwde Midden-Oosten. Je hoeft hier maar één week rond te lopen om te begrijpen hoe het hier werkt – of liever gezegd, hoe het niet werkt. De Palestijnen vroegen vriendelijk om een eigen staat. Kregen ze die? Om de dooie dood niet. Dus gingen ze over op het opblazen van jonge jongens in bussen, en ineens begonnen de mensen te luisteren. De kolonisten wilden een dialoog. Ging iemand daarop in? No way. Dus begonnen ze klappen uit te delen, goten wat kokende olie over militairen van de grenspolitie, en ineens kwamen ze hun tegemoet. Dit land verstaat alleen geweld en het maakt niet uit of het om politiek, economie of een parkeerplek gaat. Geweld is de enige taal die we hier verstaan.
Zweden, waarvandaan de man met de baard was geëmigreerd, is progressief, en heeft op heel wat gebieden een hoop bereikt. Zweden is niet alleen abba, ikea en de Nobelprijs. Zweden is een wereld op zich, en alles wat ze er hebben, hebben ze op vreedzame wijze verkregen. In Zweden kan hij gewoon thuis bij de zangeres van Ace of Base aankloppen en haar vragen of ze voor hem wil zingen, dan zou ze thee voor hem zetten, een akoestische gitaar van onder het bed tevoorschijn halen en voor hem spelen. En dat alles met een glimlach. Maar hier? Ik bedoel, als hij geen pistool in zijn hand had, zou ik hem meteen de deur uit hebben gesmeten.
‘Kijk...’ Ik probeer een discussie aan te zwengelen.
‘Kijk zelf,’ gromt de kerel met de baard, en hij spant de haan van zijn pistool. ‘Of een verhaal, of een kogel in je kop.’
Ik begrijp dat ik weinig keus heb. De vent meent het serieus. ‘Er zitten twee mensen in een kamer,’ begin ik. ‘Ineens wordt er aan de deur geklopt.’
De vent met de baard gaat rechtop zitten. Heel even denk ik dat hij in de ban van het verhaal is, maar nee. Hij luistert naar iets anders. Er wordt aan de deur geklopt. ‘Ga opendoen,’ zegt hij mij, ‘en geen geintjes. Poeier hem zo snel mogelijk af, anders loopt dit fout af.’
De jongeman aan de deur houdt een enquête. Hij heeft een paar vragen. Korte. Over de hoge vochtigheidsgraad hier ’s zomers, en hoe dat uitwerkt op mijn zenuwgestel. Ik zeg dat ik niet geïnteresseerd ben in zijn vragenlijst, maar hij baant zich al een weg naar binnen.
‘Wie is dat?’ vraagt hij, terwijl hij op de vent met de baard wijst.
‘Dat is mijn neef uit Zweden,’ lieg ik. ‘Zijn vader kwam om in een lawine en hij is hier voor de begrafenis. We buigen ons net over het testament. Kun je alsjeblieft onze privacy respecteren en weggaan?’
‘Kom op, zeg,’ zegt de enquêteur, en hij klopt me op de schouder. ‘Gewoon een paar vraagjes. Geef iemand de kans een paar stuivers te verdienen. Ik werk op stukloon.’ Hij ploft met zijn map neer op de bank.
De Zweed gaat naast hem zitten.
Ik sta nog steeds en ik probeer onverzettelijk te klinken. ‘Ik vraag je te vertrekken,’ zeg ik hem. ‘Je komt niet gelegen.’
‘Niet gelegen, hè?’ Hij opent zijn plastic map en haalt er een grote revolver uit tevoorschijn. ‘Waarom niet gelegen? Omdat ik donkerder ben? Omdat ik geen Asjkenazi ben? Voor Zweden heb je alle tijd van de wereld, zie ik. Maar voor een Marokkaan die in het leger heeft gezeten en een stuk van zijn milt in Libanon heeft achtergelaten, heeft meneer nog geen minuut over.’
Ik probeer hem uit te leggen dat dat niet zo zit. Dat hij me gewoon aantrof op een gevoelig moment met de Zweed.
Maar de enquêteur legt de loop van zijn revolver tegen zijn lippen en gebaart me mijn mond te houden. ‘Hup,’ zegt hij. ‘Geen smoesjes. Ga daar zitten en voor de dag ermee.’
‘Voor de dag met wat?’ vraag ik. Ik ben inmiddels echt in de stress geschoten. De Zweed heeft ook een pistool, er zouden hier spanningen kunnen ontstaan. Westers en niet-westers, mentaliteitsverschillen, dat soort dingen. Of hij kon gewoon door het lint gaan omdat hij het verhaal helemaal alleen voor zichzelf wilde hebben en voor niemand anders.
‘Tart me niet,’ dreigt de enquêteur. ‘Ik heb een kort lontje. Voor de dag met je verhaal – en snel een beetje.’
‘Precies,’ valt de Zweed hem verrassend eensgezind bij, en ook hij richt zijn wapen op me.
Ik schraap mijn keel en begin opnieuw. ‘Er zitten drie mensen in een kamer...’
‘En geen ‘‘Ineens wordt er aan de deur geklopt’’,’ waarschuwt de Zweed.
De enquêteur snapt niet goed waar dit op slaat, maar speelt het spelletje mee. ‘Ga door,’ zegt hij. ‘En geen geklop aan de deur. Vertel ons iets anders. Verras ons.’
Ik val even stil en haal diep adem. Ze zitten me allebei aan te staren. Hoe krijg ik het voor elkaar altijd weer in zulke situaties te belanden? Amos Oz of David Grossman zou dit nooit overkomen. Ineens wordt er aan de deur geklopt. Hun blik wordt dreigend. Ik haal m’n schouders op. Ik sta hier tenslotte helemaal buiten. Er is niets in mijn verhaal dat in verband staat met dat kloppen.
‘Loos hem,’ draagt de enquêteur me op. ‘Loos hem, wie het ook is.’
Ik open de deur op een kier.
Het is een pizzabezorger. ‘U bent Keret?’ vraagt hij.
‘Ja,’ zeg ik, ‘maar ik heb geen pizza besteld.’
‘Hier staat Zamenhofstraat 14,’ snauwt hij, en hij houdt me een briefje onder de neus en baant zich een weg naar binnen. ‘Het staat er,’ zeg ik, ‘maar ik heb geen pizza besteld.’
‘Extra large,’ houdt hij vol. ‘Half ananas, half ansjovis. Is al betaald. Met creditcard. Geef me mijn fooi maar en ik ben weg.’
‘Kom je ook voor een verhaal?’ wil de Zweed weten. ‘Wat voor verhaal?’ vraagt de pizzajongen, maar je ziet dat hij liegt. Het gaat hem niet goed af.
‘Haal ’m tevoorschijn,’ spoort de enquêteur hem aan. ‘Vooruit, pak je pistool.’
‘Ik heb geen pistool,’ geeft de pizzajongen toe, en hij haalt een lang slagersmes onder z’n kartonnen doos vandaan. ‘Maar ik snij ’m in plakjes pastrami als-ie nu niet met een of ander verhaaltje op de proppen komt.’
Ze zitten met z’n drieën op de bank – de Zweed rechts, naast hem de pizzajongen, daarnaast de enquêteur.
‘Zo kan ik het niet,’ zeg ik ze. ‘Het wil er gewoon niet uit zolang jullie hier zitten met je wapens en zo. Maak een ommetje, en tegen de tijd dat je terug bent, heb ik iets voor je.’
‘De eikel gaat de politie bellen,’ zegt de enquêteur tegen de Zweed. ‘Denkt-ie soms dat we achterlijk zijn?’
‘Vooruit, voor de draad ermee en je bent van ons af,’ bedelt de pizzajongen. ‘Een korte. Niet zo gierig. Het zijn moeilijke tijden, weet je. Werkloosheid, aanslagen, de Iraniërs. De mensen snakken naar iets anders. Wat dacht je dat ons, mensen met normen en waarden, hier naar jou heeft gedreven? De wanhoop, man, de wanhoop.’
Ik knik en begin opnieuw. ‘Er zitten vier mensen in een kamer. Het is warm. Ze vervelen zich. De airco is kapot. Een van hen vraagt om een verhaal. De tweede voegt zich bij hem, en de derde...’
‘Dat is geen verhaal,’ zegt de enquêteur, hij windt zich op. ‘Dat is een ooggetuigenverslag. Dat is precies wat hier nu gebeurt. Precies waaraan we proberen te ontsnappen. Kiep nou niet de werkelijkheid over ons heen als een of andere vuilniswagen. Gebruik je fantasie, man, wees creatief, verzin iets, voer het zover door als je kunt.’
Ik begin opnieuw. ‘Een man zit in zijn eentje in een kamer. Hij is eenzaam. Hij is een schrijver. Hij wil een verhaal schrijven. Het is heel lang geleden dat hij zijn laatste verhaal schreef, en hij mist het. Hij mist het gevoel iets te creëren uit iets. Ja, uit iets. Want creëren uit het niets, dat is als je iets uit je duim zuigt. Dat is de moeite niet, en het is ook niet echt een kunst. Maar creëren uit iets is als je iets ontdekt dat de hele tijd in jezelf bestond, het ontdekt in een gebeurtenis die nooit heeft plaatsgevonden. De man besluit een verhaal te schrijven over de situatie. Niet de politieke situatie, en ook niet de sociale. Hij besluit een verhaal te schrijven over de menselijke situatie. De menselijke situatie zoals hij die op dit moment ervaart. Maar er komt geen verhaal in hem op. Omdat de menselijke situatie zoals hij die op dit moment ervaart blijkbaar geen verhaal waard is. Hij is al van plan het op te geven als ineens...’
‘Ik heb je gewaarschuwd,’ valt de Zweed me in de rede. ‘Geen geklop aan de deur.’
‘Ik moet wel,’ houd ik vol. ‘Zonder klop op de deur is er geen verhaal.’
‘Laat hem,’ zegt de pizzajongen goedmoedig. ‘Gun hem wat speelruimte. Wil je een klop op de deur? Oké, jij je klop op de deur. Als we maar eindelijk een verhaal krijgen.’

© 2011 Etgar Keret
© 2012 Nederlandse vertaling Adriaan Krabbendam/Ruben Verhasselt/Uitgeverij Podium
© Worldwide translation: The Institute for the Translation of Hebrew Literature
Portrait of Etgar Keret taken by Anna Kaim for the Polish edition of Playboy

Uitgeverij Podium

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum