Leesfragment: Vriendschap

27 november 2015 , door Cicero
| | | | |

Deze maand verscheen Rogier van der Wals vertaling van Cicero's Vriendschap, waarover hij 16 maart zal spreken bij Athenaeum Haarlem. Het is een uitstekende begeleiding bij het Boekenweekthema 'Vriendschap en andere ongemakken', en we mogen vanavond twee fragmenten uit het boek online zetten.

In nood leert men zijn vrienden kennen, luidt het spreekwoord. De grote Romein Marcus Tullius Cicero kon daarover meepraten: in de nadagen van de Romeinse republiek in de eerste eeuw voor Christus raakte hij in de problemen doordat hij met zowel Caesar als Pompeius bevriend was. Beide heren, ooit goede vrienden, kwamen op voet van (burger)oorlog met elkaar te staan, en Cicero moest kiezen. Na lang aarzelen koos hij verkeerd: Pompeius trok aan het kortste eind en Caesar liet Cicero vervolgens een toontje lager zingen.

Cicero trok zich terug uit de actieve politiek en schreef een flink aantal filosofische werken. Een van de charmantste daarvan gaat over het onderwerp vriendschap en krijgt nu een nieuwe Nederlandse vertaling, verzorgd door de classicus en filosoof Rogier van der Wal. Cicero’s tekst verdient dat, want als stilist kent hij zijn gelijke niet, en wat hij over vriendschap te melden heeft is boeiend en actueel. Zelfs ontvrienden blijkt geen nieuw fenomeen!

Rogier van der Wal (1969) studeerde Griekse en Latijnse Taal en Cultuur, Wijsbegeerte en Oudheidkunde aan de VU in Amsterdam en promoveerde daar op een onderzoek naar De finibus bonorum et malorum (‘Over de grenzen van goed en kwaad’) van de grote Romeinse staatsman, redenaar en filosoof Marcus Tullius Cicero. Hij doceerde aan de VU, de Universiteit Leiden en aan de Károli Gáspár Universiteit in Boedapest. In 2010 publiceerde hij een vertaling van de roman Nero, de bloedige dichter (voorpublicatie) van de Hongaarse auteur Dezso Kosztolányi (1885-1936).

I

Quintus Mucius Scaevola, de augur,* had er een gewoonte van gemaakt veel en vaak over zijn schoonvader Gaius Laelius* te vertellen, want hij had een goed geheugen en deed het op een onderhoudende manier. Hij noemde Laelius bij elk van die gelegenheden wijs. Mijn vader had mij bij het aannemen van de mannentoga* aan Scaevola toevertrouwd. Ik kreeg de opdracht om voor zover ik kon, en de oude man het toeliet, niet van zijn zijde te wijken. Zo kwamhet dat ik veel van zijn geleerde argumentaties en ook veel van zijn korte en pakkende formuleringen in mijn geheugen heb geprent, en ik mijn best deed om van zijn kennis te leren. Na zijn dood ging ik over naar de priester Scaevola.* Ik durf wel te zeggen dat die door zijn intelligentie en zijn gevoel voor rechtvaardigheid met afstand de meest vooraanstaande man in onze staat was. Maar over hem zal ik het een andere keer hebben. Nu kom ik terug op de augur.
Aan hem heb ik veel herinneringen, bijvoorbeeld hoe hij thuis, zittend op zijn geliefde halfronde bank, waar alleen ikzelf en een selecte groep vrienden bij waren, toevallig te spreken kwam over het onderwerp dat toen op veler lippen lag. Je herinnert je vast, Atticus,* omdat je veel met Publius Sulpicius* omging, hoe groot de verbazing en ook de verontwaardiging was toen Sulpicius als volkstribuunmet dodelijke haat tegenover Quintus Pompeius kwam te staan, die op dat moment consul was.* En dat terwijl zij daarvoor goede vrienden en vertrouwelingen waren geweest.
Toen Scaevola over deze kwestie te spreken kwam, heeft hij ons verslag gedaan van het gesprek dat Laelius over het thema vriendschap gevoerd had. Dat gesprek had Laelius met Scaevola zelf en met zijn andere schoonzoon, Gaius Fannius,* de zoon van Marcus, enkele dagen na de dood van Scipio Africanus.* De kern van die uiteenzetting heb ik onthouden en die beschrijf ik in dit boek op mijn eigen manier. Ik voer hen namelijk sprekend op om niet te vaak ‘zei ik’ of ‘zei hij’ in te hoeven voegen. Bovendien wil ik de indruk wekken dat de lezer het gesprek leest terwijl het plaatsvindt.
Je hebt me al vaak aangeraden iets over vriendschap te schrijven; dit gesprek leek mij dus een mooi onderwerp. Zo kan iedereen er kennis van nemen, en het doet ook recht aan ónze vriendschap. Ik heb het dan ook met genoegen op schrift gesteld omop jouw verzoek veelmensen een dienst te bewijzen. In Cato Maior, de dialoog over de ouderdom die ik aan jou heb opgedragen, heb ik de oude Cato* sprekend opgevoerd. Hij was de geschiktste persoon die ik kon bedenken als spreker over die leeftijdsfase. Hij is zelf namelijk heel oud geworden en floreerde op hoge leeftijd meer dan anderen.
Zo leek Laelius mij ook de beste spreker over vriendschap. Want zijn vriendschappelijke relatie met Publius Scipio was uiterst gedenkwaardig, zo hebben we van de vorige generatie begrepen. Laelius was dus inmijn ogen de juiste figuur voor een uiteenzetting over vriendschap. Zijn betoog omvat die dingen waarvan Scaevola zich herinnerde dat Laelius ze besproken heeft. Bovendien krijgt dit type gesprekken, dat is gebaseerd op het gezag vanmannen uit vroeger tijd, en vooral van de beroemde personen onder hen, onwillekeurig meer gewicht. Daardoor word ik zelf, als ik mijn eigen tekst lees, soms zo meegesleept dat ik bijvoorbeeld denk dat Cato spreekt en niet ik.
Zoals ik toentertijd als man op leeftijd aan een andere oude man over de ouderdom schreef, zo schrijf ik nu in dit boek als zeer goede vriend aan een vriend over vriendschap. Toenwas Cato de zegsman, in die tijd zowat de oudste en verstandigste van allen; nu spreekt Laelius als wijs man (zo wordt hij immers gezien) en als iemand die befaamd was vanwege zijn vriendschappen over het thema vriendschap.
Zet mij nu eens even uit je hoofd en stel je voor dat Laelius zelf spreekt. Gaius Fannius en Quintus Mucius Scaevola komen bij hun schoonvader langs na de dood van Scipio Africanus. Zij beginnen het gesprek, en Laelius antwoordt met een uiteenzetting over vriendschap. Als je die leest zul je jezelf erin herkennen.

[...]

III

fannius Dat [Laelius zei aan het einde van de vorige paragraaf: 'Ikmag hopen dat in die categorie de vriendschap tussen Scipio en Laelius bij het nageslacht bekend zal blijven.' - red.] zal zeker gebeuren, Laelius. U hebt nu het thema vriendschap ter sprake gebracht, en wij hebben een vrije middag. Daarom zou ik het fijn vinden, en ik hoop Scaevola ook, als u uiteen wilt zetten hoe u over vriendschap denkt, hoe u haar waardeert en welke adviezen u zou geven. Op dezelfde manier als u dat bij andere onderwerpen doet wanneer uw mening gevraagd wordt.
scaevola Dat zou mij inderdaad welkom zijn, en ik wilde u net hetzelfde vragen, maar Fannius was me voor. U zou ons beiden een groot genoegen doen.
laelius Natuurlijk zou ik zo’n verzoek niet weigeren als ik mij op mezelf kon verlaten, want het is een schitterend thema en we zijn vrij, zoals Fannius al zei. Maar wie ben ik, en welk talent heb ik daarvoor? Het is onder geleerde mannen en Grieken gebruikelijk dat hun op enig moment een willekeurig onderwerp wordt opgegeven om over te spreken. Dat is een zware taak en die vergt niet weinig oefening. Daarom raad ik jullie aan een uiteenzetting over vriendschap te vragen van hen die daar hun beroep van hebben gemaakt. Ik kan jullie alleenmaar aansporen vriendschap te prefereren boven alle aardse zaken; niets is zo natuurlijk en zo voordelig in voor- en tegenspoed.
Ten eerste ben ik ervan overtuigd dat vriendschap alleen tussen hoogstaande mannen kan bestaan. Ik wil dat niet tot op het bot onderzoeken, zoals degenen die hier diep op ingaan* — misschien hebben ze wel gelijk, maar het heeft te weinig algemeen belang. Zij zeggen dat iemand niet hoogstaand kan zijn als hij niet wijs is. Dat mag zo zijn, maar zij vatten wijsheid zó op dat geen sterveling die ooit verworven heeft. Wij moeten de dingen voor ogen houden die betrekking hebben op het leven van alledag, en ons niet verlaten op theoretische constructies of wensdenken. Nooit zou ik bijvoorbeeld zeggen dat Gaius Fabricius, Marcus Curius en Tiberius Coruncianus, die volgens onze voorouders wijs waren, gemeten naar de maatstaf van de filosofen wijs geweest zijn.* Laten ze daarom de term wijsheid maar voor zich houden, impopulair en ondoorzichtig als die is: laten ze toegeven dat het hoogstaande mannen waren. Maar zelfs dat zullen ze niet doen; ze zullen dat predicaat voorbehouden aan een wijs man.
Daarom gaan we maar verder met ons boerenverstand, zoals de mensen zeggen. Wie moeten we zien als hoogstaande mannen? Zij die zich zo gedragen en zo leven dat hun betrouwbaarheid, integriteit, rechtvaardigheid en vrijgevigheid vaststaan en bij wie er geen enkele hebzucht, genotzucht of arrogantie te vinden is. Mannen met een grote karaktervastheid, zoals de kerels die ik net noemde. Daar gaan ze voor door, en zo moeten we hen ook noemen. Want zij volgen, voor zover mensen dat kunnen, de natuur als beste richtlijn voor het goede leven.
Mij lijkt het duidelijk dat wij mensen zo geboren zijn dat er tussen ons allemaal een nauwe band bestaat, die echter nauwer wordt naarmate iemand ons nader staat. Daarom gaan medeburgers vóór buitenlanders, en verwanten vóór vreemdelingen. Met hen brengt de natuur immers vanzelf vriendschap voort, zij het dat die niet heel stevig is. Vriendschap overtreft namelijk verwantschap omdat je bij verwantschap genegenheid kuntweglaten,maar bij vriendschap niet. Zonder genegenheid kan een relatie geen vriendschap heten, wel verwantschap.
Hoe groot de kracht van vriendschap is kan het beste bepaald worden aan de hand van de oneindige band die van nature tussen alle mensen tot stand is gebracht: zij (de vriendschap) is zo versmald en ingeperkt dat elke liefdesband een verbond betreft tussen twee (of in elk geval een klein aantal) mensen.
Vriendschap is niets anders dan overeenstemming over alle dingen die met goden of mensen te maken hebben, plus liefde en genegenheid. Misschien met uitzondering vanwijsheid hebben de onsterfelijke goden de mens niets mooiers gegeven. Sommigen geven de voorkeur aan rijkdom, anderen aan een goede gezondheid, aanmacht of publieke functies, en velen ook aan zinnelijk genot. Dat laatste is iets voor dieren; die eerdergenoemde zaken zijn vergankelijk en onzeker, en niet zozeer in onze macht als wel onderhevig aan de grilligheid van het lot. Zij die in de deugd het hoogste goed zien hebben groot gelijk! Juist de deugd brengt vriendschap voort en houdt haar in stand. Zonder deugd kan er helemaal geen vriendschap bestaan.

[...]

Aantekeningen

augur: over Quintus Mucius Scaevola is hieronder achtergrondinformatie te vinden. Het college van auguren zorgde bij belangrijke gebeurtenissen voor de uitleg van de voortekens. Meestal ging het daarbij om de vlucht van vogels. In Cicero’s tijd bestond het college uit vijftien auguren; hij is er zelf ook lid van geweest.
Laelius: Laelius is met afstand het meest aan het woord. Soms lijkt het daardoor meer op een monoloog dan op een dialoog. Gaius Laelius werd rond 188 v.Chr. geboren en was consul in 140 v.Chr. Hij gold als een geleerd man (vandaar zijn bijnaam ‘de Wijze’) en was conservatief; daarom verzette hij zich hevig tegen de revolutionaire plannen van de broers Tiberius en Gaius Gracchus.
mannentoga: deze toga, in het Latijn toga virilis, kreeg een jongen uiterlijk bij zijn zeventiende verjaardag. Het markeerde de overgang naar de volwassenheid.
priester Scaevola: het (prestigieuze) college van pontifices, priesters, was belast met het toezicht op alle rituele handelingen. Deze Scaevola genoot eveneens een grote reputatie als rechtsgeleerde en werd in 82 onder Sulla vermoord.
Atticus: Atticus, voluit Titus Pomponius Atticus, leefde van 110 (of 109) tot 32 v.Chr.; hij was een liefhebber van Griekse kunst en cultuur en woonde dan ook lange tijd in Athene. Atticus verstond de kunst goede relaties te onderhouden met mensen die elkaar niet mochten. Hij was zowel rijk als invloedrijk, maar hield in de geest van zijn geliefde leermeester Epicurus zorgvuldig afstand tot de actieve politiek. De briefwisseling [Loeb delen I, II, III en IV] tussen Cicero en Atticus is beroemd geworden doordat er veel brieven zijn overgeleverd, vooral die van Cicero.
Sulpicius: Publius Sulpicius Rufus was aanvankelijk een conservatief ,maar ging later over naar de meer populistische stroming binnen de Romeinse politiek. Hij leefde van ca. 121 tot 88 (toen Sulla hem liet vermoorden) en genoot een zekere roem als redenaar. Hij komt ook voor in Cicero’s De oratore, ‘Over de redenaar’.
consul was: Quintus Pompeius Rufus was samen met Sulla consul in 88 en werd bij onlusten in 87 vermoord.
Fannius: Quintus Mucius Scaevola de augur en Gaius Fannius, zijn een stuk jonger dan Laelius. Scaevola leefde van ca. 160-87 v.Chr. en was in 117 v.Chr. consul; Fannius was iets ouder dan Scaevola en was ook iets eerder consul, en wel in 122 v.Chr. Scaevola was voornamelijk bekend als juridisch expert, net als de andere Scaevola (die priester was); Fannius heeft zich aan geschiedschrijving gewaagd,maar zijn werk is helaas verloren gegaan.
Scipio Africanus: De biografie van Publius Cornelius Scipio Africanus Minor (185-129 v.Chr.) is uit de tekst van Cicero vrij compleet te reconstrueren. Scipio was een echte voorman in de klassiek-Romeinse zin des woords en genoot groot aanzien alsmilitair strateeg. Tegelijkertijd had hij ook veel belangstelling voor (Griekse) cultuur en filosofie en wist op dat gebied grote namen om zich heen te verzamelen, waaronder de Stoïcijn Panaetius (die de strenge leer van de oude Stoa enigszins wist te verzachten om deze in Rome acceptabel temaken). Ook Scipiowas trouwens een fel tegenstander van de gebroeders Tiberius en Gaius Gracchus.
de oude Cato: Marcus Porcius Cato (234-149) was een vooraanstaande Romein die later als prototype van de strenge voorvader ging gelden, onder andere door zijn strikte opstelling als censor in 184. Om hem te onderscheiden van die andere Cato, de grote tegenstrever van Caesar, kennen we hemals CatoMaior, ‘de Oudere’ (vandaar de titel van Cicero’s traktaat over de ouderdom) en de ander als Cato Minor, ‘de Jongere’, of ook wel als Cato Uticensis (vanwege zijn zelfmoord bij het plaatsje Utica).
diep op ingaan: hier levert Cicero kritiek op de strenge Stoa, die hoogstaand en wijs als synoniembeschouwde,maar voor die wijsheid dusdanig strikte criteria hanteerde dat er feitelijk niemand aan kon voldoen.
wijs geweest zijn: Cicero noemt Gaius Fabricius, Marcus Curius, Tiberius Coruncianus (uit de derde eeuw) vaker als voorbeelden van oprechte en eenvoudige leiders.

Oorspronkelijke titel Laelius (de amicitia) Copyright vertaling © 2012 Rogier van der Wal / Athenaeum—Polak & Van Gennep, Singel 262, 1016 ac Amsterdam

Athenaeum - Polak & Van Gennep

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum