Leesfragment: Zendingsdrang

01 januari 2012 , door Richard de Nooy
|

8 januari verschijnt de nieuwe roman van Richard de Nooy: Zendingsdrang. Wij publiceren voor.

Oorlogscorrespondent en rampenjager JR Deo heeft zijn leven lang het noodlot achtervolgd naar alle uithoeken van de wereld. Hij is niet ongeschonden uit de strijd gekomen.

Op het Instituut voor Forensische Observatie wordt zijn mate van toerekeningsvatbaarheid onderzocht. De rust in zijn cel blijkt in eerste instantie ideaal om de verschrikkingen van het verleden en heden op te tekenen. Maar langzaamaan lijken sinistere figuren zich meester te maken van zijn pen om hun bekentenissen af te leggen. Ook zijn lotgenoten op het instituut beginnen zich te roeren. De gewelddadige, paranoïde mannen vragen zich af wat Deo allemaal te melden heeft, en aan wie?

Richard de Nooy groeide op in Johannesburg, maar woont de afgelopen 25 jaar in Amsterdam. Zijn eerste twee romans (Zes beetwonden en een tetanusprik en Zacht als Staal) kregen bijzonder lovende recensies in zowel Nederland als Zuid-Afrika. Zijn debuutroman won de University of Johannesburg Prize for Best First Book. Zacht als Staal kreeg een longlistnominatie van de AKO Literatuurprijs.

Eerder publiceerden we voor uit Zacht als staal.

 

[…]

Beste Rem,

Ik dacht dat ik voorgoed van je af was, maar het is je gelukt: alles draait weer lekker om jou. Mocht je dit ergens met een dikke grijns op je smoel zitten lezen, maak je dan geen illusies: ik schrijf dit niet als lofzang op jouw leven of op onze broederschap. Nee, ik doe dit omdat ik eindelijk eens munt wil slaan uit de verwoesting die je in de afgelopen veertig jaar in zoveel levens hebt gezaaid, met je onbedwingbare experimenteerdrift en roekeloze zendingsdrang. Misschien schenk ik mijn deel van de opbrengst wel aan de naasten van de laboratoriumratten die door jouw ziekelijke afwijking gesneuveld zijn. Vroeger dacht ik nog dat je er niks aan kon doen, dat je gewoon een pechvogel was die van het ene ongeluk in het andere viel, maar nu weet ik zeker dat je steeds weer bewust het noodlot hebt willen tarten, dat je moedwillig hebt lopen fokken met de levens van mensen die geen weet hadden van de strontstorm die jou altijd kort op de hielen volgt.
We hebben getracht het waarheidsgehalte van jouw stukken te verifiëren, maar daar was geen beginnen aan. Uiteindelijk hebben we alles gewoon zo goed mogelijk gerangschikt en het label ‘fictie’ erop geplakt. En dat is wel zo gepast, want ondanks het feit dat je een klootzak bent, blijf je een schitterende leugenaar. Er spreekt waarachtigheid en compassie uit je stukken. Het is alleen jammer dat je dat nooit hebt weten te verplaatsen naar je echte leven, waar je het had kunnen delen met de mensen die om jou gaven. Ik kan er niet meer om rouwen.
Van de uitgever mocht ik het eigenlijk niet zeggen, maar het is een miserabel boek geworden, waarin de slechtste eigenschappen van de mens breeduit worden geëtaleerd. Je had zelf al een flaptekst verzonnen: ‘Het losgeslagen zoontje van One Flew Over The Cuckoo’s Nest en The Killing Fields, verloren in een donker labyrint waar het laatste sprankje hoop ronddwarrelt als een vuurvliegje.’ Ergens hoop ik dat het nog minder succesvol wordt dan je twee eerdere boeken. Dat zou een gepaste straf zijn. Maar ja, ik wil wel dat dit boek mijn kosten dekt – de vlucht, de tijd die ik eraan heb besteed, de advocaat en de processen die eventueel aangespannen zullen worden. Dus ik sluit af met de bekentenis dat ik nog nooit zo’n wonderbaarlijk stukje geschiedschrijving onder ogen heb gehad. Ik hoop dat vele lezers die mening met me delen, dan komt er misschien toch nog iets goeds uit het verderfelijke riool dat voor jouw leven moest doorgaan.

Je broer

[…]

Er is natuurlijk een lange gang, net als in de film, met vijf deuren aan weerszijden. De meeste zijn dicht. Bij de drie open deuren glimt het daglicht op de gepoetste vloer. Uit een van de kamers klinkt monotoon gebrabbel.
‘Haile Selassie,’ zegt Bobby. Zijn lachrimpels reiken tot in zijn grijze slapen. We kennen elkaar inmiddels al goed: ik zijn vriendelijke donkere tronie en hij mijn hele lichaam, naakt, van voren en van achteren. (Een zeldzaam gezellige visitatie: ‘Scrotum optillen alstublieft. Goed. Omdraaien. Baie dankie. Armen omhoog en drie keer diep door de knieën. U bent nog lenig. En schoon. Baie dankie. Kleed u zich maar aan.’ ) Hij loopt rechts naast me, een kop groter dan ik, stevig gebouwd, met boksersvuisten. ‘Een Somaliër. Onverstaanbaar,’ zegt hij. ‘U komt toch ook uit Afrika?’ (Mooi sprongetje.)
Jacqueline – ‘zeg maar Jacq’ – die links naast me loopt, maant Bobby tot stilte met een blik voorlangs. Ze is klein maar stevig, type hoofdzuster, voldoet aan alle clichés: streng doch rechtvaardig, niet onvriendelijk, waarschijnlijk lesbisch. ‘Ik heb wat informatie op uw kamer neergelegd,’ zegt ze. ‘Als iets onduidelijk is, geef een gil.’
‘Dit wordt ’m,’ zegt Bobby. Zijn hand zwemt als een platte roze vis voorbij en duikt de eerste open deur in. ‘Lekker licht. U zit aan de goede kant.’ De kleine kamer is Scandinavisch ingericht. Overal zijn de scherpe randjes vanaf gehaald, zo blijft alleen de stompe dood een optie.
Jacqueline trekt de deur achter ons dicht. ‘Hij kan ook weer open,’ zegt ze. ‘Behalve als wij hem van buiten hebben dichtgedaan. U krijgt zelf ook een sleutel. Voor overdag. Wordt nog aan u uitgelegd. Uw kleren kunnen hier in.’
Zij en Bobby blijven kijken hoe ik mijn spullen uitpak en proberen me op mijn gemak te stellen met opmerkingen en vragen.
‘We hebben ook papier voor u neergelegd. En een potlood,’ zegt Jacqueline.
‘U mag ook mee naar de bieb als u wilt. U roept maar,’ zegt Bobby.
‘De keuze is beperkt. We krijgen niet zo vaak schrijvers hier.’
‘U lijkt niet op uw foto. U heeft uw baard laten staan.’
‘Wat heeft u liever: Meneer De Heer, Remco, Rem of Deo?’
‘Dat zal Cornelius leuk vinden: Deo,’ lacht Bobby.
‘U mag straks al op de groep,’ zegt Jacqueline. ‘Kijkt u maar.’
‘Het is altijd effe wennen voor de nieuwkomers,’ zegt Bobby. ‘Maar u hoeft nergens bang voor te zijn. Er staan altijd IW’ers op de groep.’
‘Inrichtingswerkers,’ verduidelijkt Jacqueline. ‘Vandaag zijn dat Henk en Claudio. En wij zijn ook in de buurt.’
‘Morgen is Milly er. Die is leuk,’ zegt Bobby.
‘Ook leuk,’ corrigeert Jacqueline.
‘Ook leuk, ja. Dit is de natte ruimte.’ (Interessant sprongetje.)
‘U mag elke dag douchen als u dat wilt,’ voegt Jacqueline toe. ‘Hier tegenover op de gang. Zo vaak u wilt.’
‘Dus u komt echt uit Zuid-Afrika?’ vraagt Bobby.
‘Lang geleden,’ antwoord ik.
‘Nou, we laten u even met rust,’ zegt Jacqueline. ‘Het zou fijn zijn als u de informatie even doorneemt, dan kom ik over een uurtje nog eens langs.’
‘Welkom. En baie dankie nog…’ zegt Bobby.
‘Ja, baie dankie inderdaad. En tot zo,’ zegt Jacqueline. De observatie is begonnen. Wat zouden ze zien?

[…]

Observandus is rustig en weinig spraakzaam. Reageert nauwelijks op vragen.

Obs lijkt in goede fysieke gezondheid te verkeren en is goed verzorgd. Ruikt naar zeep en aftershave. Heeft baard laten staan maar hoofd is kaalgeschoren, waardoor uiterlijk afwijkt van foto geleverd door huis van bewaring.

Obs is in staat zelf zijn spullen op te ruimen en heeft dat netjes gedaan zonder overdreven zorg.

Obs merkt dat de onderste plank nog nat is van de allerlaatste poetsdoek, ruikt dat de schoonheid van citroen en eucalyptus het alweer moeten afleggen tegen de eeuwige, onuitroeibare rioollucht, hoort de trein en ziet de spoorlijn als twee stalen regels waarop zovelen hun afscheidsbrief hebben geschreven.

[…]

Er wordt op de deur geklopt. Dat is snel. (Tijdsbesef obs dik in orde.) Er staat een oudere hippie met een witte baard en John Lennon-brilletje te knipperen met zijn natte, blauwe ogen. Hij doet een stap naar achteren en kantelt zijn hoofd afwachtend, als een hond die een snack ziet.
‘Henk?’ vraag ik. Geen reactie. ‘Claudio?’ De hippie duwt met zijn neus zijn bril omhoog. Gele tanden verschijnen tussen snor en baard. ‘Cornelius?’
‘Henk!’ roept de hippie plotseling de gang in.
‘Cor! Cornelius?’ roept een stem vermoeid aan het eind van de gang. ‘Laat Meneer De Heer nog even met rust.’ ‘Hij moet iets!’ roept Cornelius.
Rustige stappen naderen over de gang. ‘Hoi, ik ben Henk.’ Ik schud zijn hand. Het is een compacte driftkikker met een oud litteken dat van zijn linker wenkbrauw tot zijn jukbeen loopt. Ook hij heeft de cursus met goed gevolg doorlopen. ‘Had u iets nodig?’
‘Dit is Deo! De Goddelijke!’ zegt Cornelius verbaasd, alsof Henk ze niet allemaal op een rijtje heeft.
‘Dit is Cornelius,’ zegt Henk. ‘Geef Meneer De Heer even een hand, Cornelius.’
Als ik mijn hand uitsteek, roept Cornelius geschrokken: ‘Dat mag helemaal niet!’ en loopt haastig de gang af.
‘Welkom, ennuh… baie dankie,’ zegt Henk. ‘Ik zorg dat u met rust gelaten wordt, oké?’
‘Hartelijk dank,’ zeg ik.

[…]

Observandus reageert vriendelijk op bezoek van mede-obs Cornelius. Lijkt niet te schrikken van Cornelius’ ongewone bejegening, nog van het feit dat het wild hier blijkbaar vrij mag rondlopen. Verbaast zich wel dat de IW’ers geen uniform dragen, waardoor ze alleen te herkennen zijn aan hun portofoon.

Obs schudt IW-Henk stevig en iets te langdurig de hand, en trekt zich vervolgens met een ongeforceerde glimlach terug om de voordelen van zijn goddelijke status te overwegen.

Obs werpt een blik op de huisregels en vindt het enigszins zorgwekkend dat ‘Gij zult niet doden’ niet bovenaan de lijst te vinden is, want daar staat: ‘Vriendelijk verzoek om uw kamer te allen tijde schoon en netjes achter te laten.’

Obs merkt dat er een aparte lijst is met goederen die wel/niet mogen worden ‘geïmporteerd’ door bezoekers. Wijselijk verboden zijn drugs, nagelknippers, gereedschappen, slag-, steek- en vuurwapens, explosieven en sleutels. Wel toegestaan is ‘vogel klein (voer en zand in doorzichtige verpakking)’. Dat zou bovenaan de lijst moeten staan.

Obs kan haast niet wachten om zijn advocaat op pad te sturen voor een ‘tv klein model’, ‘eigen beddengoed (moet brandvertragend zijn)’, een telefoonkaart en een zebravink.

[…]

Er wordt weer aangeklopt. Ik ben even de weg kwijt. Het is donker op de kamer. Als ik de deur eindelijk vind, zie ik Jacqueline. Henk staat achter haar met een dienblad. Het licht gaat aan.
‘U was in slaap gevallen,’ zegt Jacqueline.
‘Roomservice,’ blaft Henk. ‘U had een prakkie besteld.’
‘Ik heb geen honger.’
‘Kijk maar wat u wegkrijgt,’ zegt Henk.
‘Komt waarschijnlijk door de obstipatie,’ zegt Jacqueline.
‘Daar heeft u toch last van?’
Henk zet het dienblad op het tafeltje neer en sluit de deur. Hij blijft posten, armen over elkaar, terwijl Jacqueline op de rand van het bed gaat zitten.
‘U was even helemaal van de wereld, terwijl ik had gehoord dat u zo slecht slaapt,’ zegt Jacqueline.
‘Overdag slaap ik wel, ’s nachts niet.’
‘Heeft u de informatie doorgenomen?’ vraagt Jacqueline. Ik knik.
‘Was het duidelijk allemaal?’ vraagt ze. ‘U hoeft niet zoveel, maar er zijn afspraken en het is raadzaam om zo goed mogelijk mee te werken.’
Ik knik.
‘Verder geen vragen? De nachtdienst komt zo en wij zijn er morgen vroeg weer. Om negen uur heeft u een afspraak met de psycholoog, Dr. Hauptfleisch.’
‘Dr. Hoofdvlees – hij blijft leuk,’ lacht Henk.
‘Dan laten we u nu met rust. Een prettige nacht,’ zegt Jacqueline.
‘En nog baie dankie, hè. Tot morgen,’ zegt Henk.
‘Bedankt. Tot morgen,’ zeg ik.
‘Hier drukken als u wat nodig heeft. Op dit knoppie,’ zegt Henk en kijkt me indringend aan van onder zijn wenkbrauwen, als een strenge sheriff die een onuitgesproken waarschuwing overdraagt aan de eenzame pistoolheld.

[…]

Observandus heeft ruim 2,5 uur geslapen aan het eind van de middag.

Obs bleek geen honger te hebben. Mogelijk verminderde eetlust door eerder vermelde obstipatie. Mogelijk ook doordat de institutieprak al sinds mensenheugenis onderdeel is van de straf en nog altijd wordt bereid door koks die door de duivel zelf worden aangesteld.

Obs is verbaasd dat er stalen bestek wordt verstrekt en hoopt dat het ’s nachts nauwkeurig wordt geteld.

Obs heeft wel wat gedronken en zat tot in de vroege ochtend schrijvend aan zijn bureau. Hij raapt de rottende vruchten van zijn verleden op en probeert er verhalen uit te distilleren. De eerste oogst is tien velletjes dubbelzijdig.

[…]

Er zit iemand naast me op bed. Tegen mijn rug aan. Ik voel een hand op mijn bovenarm. Een vrouw. Ik ruik haar parfum. Niet onprettig, wel sterk, pas opgespoten. Er gloort daglicht achter de gordijnen. Ze knijpt twee keer zacht in mijn bovenarm en zegt mijn naam.
‘Meneer De Heer? Ik ben Milly. Sorry dat ik u wakker maak, hoor.’
‘Dit is nou onze Milly,’ zegt Bobby. Ik zie hem niet maar hoor zijn glimlach.
Als ik me omdraai, staat Milly meteen op en doet een stap naar achteren. Ze is achter in de veertig, klein, donker, netjes gekapt en gekleed. Haar felgekleurde bloes is glimmend strakgetrokken over haar zware borsten. Ze ziet me kijken en knoopt haar donkere colbertje dicht. Ze glimlacht geruststellend.
‘U heeft het laat gemaakt heb ik begrepen,’ zegt ze. ‘De nachtdienst zei dat er om halfvijf nog licht bij u brandde,’ zegt Bobby. ‘U bent druk bezig geweest, zie ik.’ Hij wijst op de stapel beschreven bladen op tafel.
Milly wil er meteen heen lopen, maar ziet hoe ik verstijf en kijkt geïnteresseerd naar het stapeltje papier, wijst met haar vinger alsof ze op afstand probeert te tellen.
‘Hoeveel zijn het er wel niet?’
‘Een stuk of tien, denk ik.’
‘Aan beide kanten volgeschreven?’ vraagt Bobby vol bewondering.
‘Ja. Groot handschrift.’
‘Wauw,’ zegt Milly.
‘Ja, wauw,’ zegt Bobby.
‘Dat zal Dr. Hauptfleisch interessant vinden. U heeft over een uur een afspraak met hem. Dat had u begrepen?’ vraagt Milly.
‘Ja. Uw collega had dat al verteld.’
‘Mooi zo. U kunt nu nog wat eten als u wilt,’ zegt Milly. ‘Een boterham of een stuk fruit misschien?’
‘Is hij wakker, de Goddelijke? Komt Hij tevoorschijn?’ hoor ik Cornelius achter Bobby op de gang vragen.
‘Ik zal het vragen, Cornelius. Komt u mee naar de groep, Meneer De Heer?’ vraagt Bobby.
‘Liever niet.’
‘Nog even niet, Cornelius. Maar misschien kun je wel een boterham voor Meneer De Heer gaan halen. Of een stukje fruit?’ vraagt hij.
‘Dank je, maar ik heb geen trek.’
‘Een banaan misschien? Of een mandarijn?’ probeert Milly.
‘Ga ik halen. Ga ik halen. Banaan en/of mandarijn.’ Cornelius snelt zich met piepende gympen naar de eetzaal.
‘Beide! Ik breng beide! Banaan én mandarijn!’ roept hij aan het eind van de gang.
‘U heeft nu al een nieuwe vriend,’ lacht Milly.
‘U hoeft echt niet bang te zijn voor die jongens, hoor,’ zegt Bobby.
‘Ik ben niet bang. Het is…’
‘U hoeft het niet uit te leggen hoor,’ zegt Millie. ‘Alles op z’n tijd.’
Cornelius remt piepend op de gang. ‘Hier, Bobby, hier, hier! Voor de Goddelijke. Een banaan en/of mandarijn. Of beide. Hij mag zelf kiezen, toch?
‘Ja Cor,’ zegt Bobby rustig, ‘hij mag helemaal zelf kiezen.’
‘Mag ik hem zien, de Goddelijke?’ vraagt Cornelius.
‘Hij is nog niet klaar, Cor. Zullen we hem nog even met rust laten?’ zegt Bobby en overhandigt het fruit aan Milly, die het weer aan mij geeft.
‘Dr. Hauptfleisch komt om tien uur,’ zegt Milly. ‘U kunt nog lekker douchen als u wilt.
‘Hartelijk dank.’
Baie dankie, toch?’ zegt Bobby.
‘Ja, maar ik ben eigenlijk niet Afrikaans.’
‘Maar u komt toch uit Afrika?’ zegt Bobby.
‘Ja, maar ik ben Engelstalig opgevoed.’
‘Dus we lopen voor niks baie dankie te zeggen?’ zegt Bobby.
‘Wie heeft gezegd dat je dat moet zeggen?’ lacht Milly.
‘Jacq. Weet je nog? Bij de briefing?’ zegt Bobby.
‘Ik vind het niet erg,’ zeg ik.
‘Kom, Bob, we laten Meneer De Heer even met rust,’ zegt Milly. ‘We komen later nog even bij u langs, oké?’
‘Prima.’
Baie dankie dan toch maar…’ zegt Bobby.
‘Ja, baie dankie,’ zegt Milly.

[...]

Copyright © Richard de Nooy 2012

Uitgeverij Nijgh & Van Ditmar

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum