Leesfragment: 1001 Vrouwen uit de Nederlandse Geschiedenis

27 november 2015 , door Els Kloek

Op op 14 februari 2013 verschijnt 1001 Vrouwen uit de Nederlandse geschiedenis, samengesteld door Els Kloek en vormgegeven door Irma Boom. Hier kunt u alvast de inleiding lezen.
Vrouwen spelen vanaf de vroegste tijden tot op heden een belangrijke rol in de Nederlandse geschiedenis, een rol die vaak onderbelicht is gebleven. Met het vuistdikke boek 1001 Vrouwen uit de Nederlandse geschiedenis en de gelijknamige tentoonstelling worden de levens van letterlijk 1001 vrouwen beschreven en in beeld gebracht.

Jacoba van Beieren, Mata Hari, Judith Leyster, Aletta Jacobs, de Zangeres Zonder Naam zijn veelal bekende namen, maar wie waren ook alweer Trijntje Keever, Maria Gartman, Corry Tendeloo en Mariska Veres? Els Kloek ontrukt de levens van 1001 vrouwen aan de vergetelheid. Tien jaar werkte ze met meer dan driehonderd deskundigen aan de levensverhalen van beroemde, beruchte, inspirerende, eigenzinnige, geliefde en vrome vrouwen. Het is een monumentaal naslagwerk geworden, dat leest als een spannende dwarsdoorsnede van 1000 jaar Nederlandse geschiedenis.

Els Kloek, historica, verbonden aan het Huygens Instituut voor Nederlandse Geschiedenis, noemt zich ‘onderneemster in geschiedenis’. Eerder schreef zij o.a. het veelgeroemde Vrouw des huizes – een cultuurgeschiedenis van de Hollandse huisvrouw. Ze is de drijvende kracht achter vrouwenlexicon.nl, de site die het uitgangspunt vormt voor 1001 Vrouwen uit de Nederlandse geschiedenis.

Irma Boom, internationaal vermaard vormgeefster, tekent voor het grafisch ontwerp van boek en tentoonstelling. Onder haar handen veranderde de website vrouwenlexicon.nl in een bijzonder boek waarin vorm, structuur en inhoud naadloos op elkaar aansluiten. 

Inleiding

Els Kloek

Het bereiken van gelijkheid is een illusie. Het vinden van de waarheid ook. Hoezeer we ook ons best doen, mensen zijn in allerlei opzichten niet gelijk en de waarheid heeft vele versies. Toch is het goed als de mensheid zich inspant voor meer gelijkheid én probeert de waarheid te achterhalen. Dat laatste is mijns inziens de belangrijkste opdracht van de geschiedschrijving (en van de wetenschap in het algemeen). Natuurlijk, historici hebben niet alleen de taak het verleden zo waarheidsgetrouw mogelijk te reconstrueren, ze moeten dat verleden ook interpreteren, ordenen en duiden. Dat is niet louter voor het vermaak, maar vooral omdat het verleden een verklarende waarde heeft. Daarom is geschiedschrijving ook een ‘discussie zonder einde’: steeds weer zullen historici nieuwe invalshoeken en onderwerpen kiezen om dat verleden te benaderen en te bevragen. Maar als het goed is, weten zij dat ze onder argumentatiedwang staan en zullen ze de door hen gereconstrueerde waarheid zo nauwkeurig mogelijk onder woorden moeten brengen. Zonder de intentie van waarheidsvinding is geschiedschrijving geen wetenschap.

Gelijkheid is in de geschiedschrijving een veel minder urgent principe dan waarheid. Historici kunnen zich in hun onderzoek gerust beperken tot de hoofdrolspelers die de loop der dingen hebben bepaald. Eeuwenlang is dat ook gebeurd: het ging om grote denkers, vorsten, staatslieden, cultuurdragers met een grote C. Soms zaten daar trouwens ook vrouwen tussen. In de loop van de negentiende en twintigste eeuw kwam hierin verandering. In een langdurig proces van verwetenschappelijking van de geschiedschrijving emancipeerden historici zich van de verhalende geschiedenissen – let op het meervoud! – en stortten zij zich op hun nieuwe kerntaak: de bronnenkritiek. Hun grote voorbeeld was de Duitse geleerde Leopold von Ranke met zijn ‘wie es eigentlich gewesen [sei]’ als opdracht voor historisch onderzoek. In zijn geschiedopvatting stonden de bronnen, met name officiële bronnen van de staat, centraal. De ware historicus verdiepte zich in de geschiedenis van zijn land – het was ook de tijd van het nationalisme – en onderzocht de verhouding tussen vorst en parlement, internationale verdragen, geheime diplomatie, bestuurlijke ontwikkelingen,oorlogvoering et cetera.

In dit proces van verwetenschappelijking raakten de verhalen op de achtergrond. Geschiedenis was niet langer bedoeld om er morele lessen uit te trekken (geschiedenis als leermeester van het leven) of om de lezer te vermaken, maar diende voor het reconstrueren van de unieke werkelijkheid. ‘Die Wahrheit kann nur eine sein’, aldus Ranke. En de getuigenissen van die werkelijkheid lagen in de archieven. Als er geen officiële bronnen waren die konden bevestigen dat vrouwen op stadsmuren hadden staan vechten of steden uit handen van de vijand hadden gered, werden dergelijke overleveringen afgedaan als verzinsels, legendevorming om het aanzien van het verleden op te poetsen.

Aan het einde van de negentiende eeuw kwam er kritiek op deze preoccupatie met nationale staten en officiële bronnen: historici bekommerden zich te weinig om wetmatigheden in de geschiedenis van het menselijk bestaan. Met behulp van begrippen uit de sociale wetenschappen (economie, sociologie, antropologie, psychologie, demografie) werden theorieën rond het historisch proces geformuleerd die getoetst moesten worden. Zo verschoof de aandacht naar structuren en kwantitatieve bewijsvoering. Deze ‘structuralisten’ hamerden uiteraard evengoed op de wetenschappelijkheid van hun onderzoek. Net als de ‘rankianen’ waren zij ervan overtuigd met hun benadering dichter bij de historische waarheid te komen. Wetenschappelijk heeft de invloed van sociale wetenschappen op het historisch onderzoek veel goeds gebracht, maar de unieke verhalen over het doen en laten van historische figuren – waaronder vrouwen – raakten zo nog meer uit zicht. Was het bij de rankianen vooral de twijfel aan het waarheidsgehalte die deze anekdotes verdacht maakte, bij de structuralisten kwam daar de overtuiging bij dat ze wetenschappelijk oninteressant waren, en dus irrelevant voor hun historisch onderzoek.

Tegen de achtergrond van deze trends in de geschiedwetenschap moet men de opkomst van het vak ‘vrouwengeschiedenis’ bezien. In de jaren zeventig van de twintigste eeuw kwamen zowel de oude rankianen als de structuralisten onder vuur te liggen: waarom hadden zij geen aandacht voor ‘onderdrukte’ of ‘vergeten’ groepen? Hoe konden ze hun pretenties van wetenschappelijkheid waarmaken? Waren ze wel zo objectief als ze beweerden? Een nieuwe wind ging waaien: ‘history from below’. Arbeiders, kinderen, het gezin, vakbonden, zwarten, homoseksuelen, marginalen, en natuurlijk ook vrouwen hadden recht op een plaats in de geschiedenis.

Ik was een van die ‘vrouwenhistorici’ van het eerste uur, en jarenlang heb ik meegedaan aan die operatie om vrouwen een plaats te geven in de geschiedenis. Daarbij richtte ik me op de periode van vóór het feminisme, omdat het me interessant leek te onderzoeken wat vrouwen hadden bereikt in een tijd dat zij formeel geen toegang hadden tot instituties als bestuur, leger, kerk, universiteit, beurs. Het voelde als een daad van rechtvaardigheid, een manier om het evenwicht te herstellen. Maar in de vrouwengeschiedenis lag de nadruk lange tijd wel heel sterk op ‘gewone’ vrouwen. Het ging zéker niet om vorstinnen – die hoorden bij de gevestigde orde – en ook niet om vrouwen die op een andere manier hun hoofd boven het maaiveld hadden uitgestoken. In de praktijk ging veel aandacht uit naar vrouwenorganisaties en naar vrouwen als groep. Dat kan interessante inzichten opleveren, maar op den duur vond ik die benadering niet bevredigend. Als ‘vrouwengeschiedenis’ een legitieme inhaalmanoeuvre is en vrouwen inderdaad een plaats in de geschiedschrijving moeten krijgen, dan hebben ze óók recht op individualiteit. Dat bracht me op het idee van een biografisch woordenboek van vrouwen uit de Nederlandse geschiedenis: een project dat moest bijdragen tot wat meer gelijkheid in de geschiedschrijving.

Vrouwen zijn net mensen: sommige leveren grote prestaties, andere brouwen er weinig van, sommige hebben macht en invloed, andere zijn niet geïnteresseerd, sommige sloven zich uit, andere zijn de bescheidenheid zelve, sommige zijn wijs, andere zijn dom… Maar één ding hebben ze gemeen: tot circa 1900 hadden zij geen toegang tot de formele machtsbases in de samenleving (en in sommige delen van de wereld hebben ze dat nog steeds niet). Omdat toegang tot bovengenoemde instituties hun was ontzegd, ontbrak het hun aan even zovele springplanken naar een carrière. Desondanks wisten vrouwen nog heel wat te bereiken. Om de rol van individuele vrouwen in de geschiedenis van Nederland zichtbaar te maken heb ik vanaf 2004 gewerkt aan het Digitaal Vrouwenlexicon van Nederland (DVN): een website met een gestaag groeiend aantal korte biografieën van vrouwen, geschreven door deskundigen van diverse pluimage. Aan onze subsidie- en opdrachtgevers (NWO en hetProfessor van Winterfonds enerzijds, het OGC van de Universiteit Utrecht en het Instituut voor Nederlandse Geschiedenis anderzijds)beloofden we in de ons toegemeten tijd (2005–2010) de levens van duizend vrouwen geboren vóór 1850 te beschrijven. Dat doel werd ruimschoots gehaald.

Van meet af aan speelde de redactie met het idee ooit een boek te maken van al die bijeengebrachte kennis over vrouwen uit de Nederlandse geschiedenis. Toen het Vrouwenlexicon in 2010 was afgerond, kwam dit plan onmiddellijk weer bovendrijven. Het zou toch mooi zijn om al die levensgeschiedenissen te ‘stollen’ in een boek waarin men gewoon kan bladeren en grasduinen en lezen. De titel wisten we al: ‘1001 vrouwen uit de Nederlandse geschiedenis’. De reacties op dit plan waren vrijwel altijd positief, maar iedereen vond wel dat daarin ook plaats moest zijn voor vrouwen uit de twintigste eeuw. Daarmee was het vervolgproject ‘DVN-twintigste eeuw’ geboren. Opnieuw togen we aan het werk. Omdat twintigste-eeuwse vrouwen over het algemeen minder ‘vergeten’ zijn dan hun voorgangsters, ging alles veel sneller. Probleem was wel dat ze met veel meer waren; na 1900 gingen voor vrouwen de deuren naar de maatschappij immers steeds verder open. De titel van het boek bleef dezelfde, maar we moesten ruimte creëren voor de twintigste eeuw. Gemakkelijk hadden we vijfhonderd twintigste-eeuwse vrouwen kunnen opnemen, en misschien hadden we zelfs het hele boek met hen kunnen vullen, maar daarmee zou onze oorspronkelijke doelstelling uit zicht zijn verdwenen. Uiteindelijk hebben ruim tweehonderd vrouwen van vóór 1850 plaats moeten maken voor vrouwen uit de twintigste eeuw. De biografietjes van deze plaatsmaaksters zijn natuurlijk wel beschikbaar via de website van het Vrouwenlexicon (vrouwenlexicon.nl). Ook voor DVN-twintigste eeuw hebben we trouwens moeten selecteren. Sommige van deze nieuwkomers zijn uiteindelijk niet in het boek gekomen, maar zijn wel op de website te vinden.

Ook hebben we moeten snijden in de biografieën zelf. Hadden we dat niet gedaan, dan was dit boek nog 25% dikker geworden. Zo zijn de levensbeschrijvingen soms korter dan op de website en sneuvelden de oorspronkelijke bijlagen – archivalische verwijzingen, oeuvre-overzichten, en literatuur óver de beschreven vrouw. Wilt u daarover meer informatie: raadpleeg de website www.vrouwenlexicon.nl! Die houden we in dit opzicht ook zo actueel mogelijk (nieuwe literatuur wordt toegevoegd). In dit boek hebben we gekozen voor een chronologische ordening. Het bestaat uit vijf hoofdstukken die elk een tijdvak bestrijken. Sommige tijdvakken zijn lang (de Middeleeuwen zijn uitgebreid met de zestiende eeuw, de achttiende eeuw loopt door tot ca. 1815), andere zijn relatief kort (de ‘gouden’ zeventiende eeuw stopt rond 1680). Vanwege deze ordening staan de 1001 vrouwen in principe op volgorde van geboortedatum, met dien verstande dat alle hoofdstukken een zekere overlap vertonen: sommige vrouwen passen nu eenmaal beter in het ene tijdvak dan in het andere. Daarmee hebben we geprobeerd recht te doen aan een zo zorgvuldig mogelijke periodisering.

En dan de opnamecriteria. In het Vrouwenlexicon, en dus ook in dit boek, worden vrouwen beschreven die actief zijn geweest in Nederland binnen de huidige grenzen of in de overzeese gebiedsdelen, ongeacht of zij binnen of buiten de landsgrenzen zijn geboren. Ook opgenomen zijn vrouwen die Nederlandse van geboorte zijn, maar naam hebben gemaakt in het buitenland. Uitsluitend vrouwen zijn beschreven wier leven is ‘voltooid’. Nog levende vrouwen staan dus niet in dit boek, en ook zeer recent overleden vrouwen ontbreken – over hen hopen wij in de toekomst op de website te publiceren. Naast deze afbakening in plaats en tijd hanteerden we twee inhoudelijke criteria: prestatie en/of reputatie. Vrouwen moesten óf een gedenkwaardige prestatie hebben geleverd – maatschappelijk, politiek, kerkelijk, cultureel, wetenschappelijk, economisch –, óf anderszins de aandacht op zich hebben weten te vestigen, bij tijdgenoten of in de geschiedschrijving.

Duidelijk is dat vrouwen van veel markten thuis zijn geweest. Om inzicht te krijgen in de verdeling van vrouwen over de verschillende terreinen van het maatschappelijk leven hebben we alle beschreven vrouwen in een rubriek (categorie) ingedeeld. Daarbij zijn wij niet al te fijnzinnig te werk gegaan: een vrouw kon maar in één van vijftien rubrieken worden geplaatst – op de website is de rubricering fijnmaziger. De regel ‘één vrouw-één rubriek’ stelde ons soms voor moeilijke beslissingen. Wat bijvoorbeeld te doen met een edelvrouw die was ingetreden in het klooster en daar gedichten en de geschiedenis van haar congregatie schreef? We moesten dan kiezen uit de rubrieken Adel, elite en politiek, Kerk en godsdienst, Dicht- en letterkunde en Onderwijs en wetenschappen. En misschien had ze ook nog aan liefdadigheid gedaan (Liefdadigheid, zorg en mecenaat). Het betekende dat we voortdurend moesten bepalen welke activiteit ons inziens dominant was in iemands ‘claim to fame’. Ondanks (of dankzij) deze grofmazigheid heeft de rubricering toch enige signalerende betekenis. Zo valt op dat vrouwen eeuwenlang vooral hun sporen hebben verdiend in de creatieve sector: ruim 17 procent was actief als schrijfster of dichteres, ruim 14 procent als beeldend kunstenares en 11,5 procent als podiumkunstenares. Bij elkaar is dat 43 procent van het totaal. Een steekproef onder de mannen in vergelijkbare biografische naslagwerken (BWN, NNBW) laat zien dat bij hen dit gemiddelde rond de 18 procent ligt. Opmerkelijk genoeg is het verschil voor de rubriek Adel, elite en politiek minder groot: 13 procent voor de vrouwen, 22 procent voor de mannen. Dat heeft te maken met het feit dat deze ‘claim to fame’ merendeels door geboorte werd bepaald. Uiteraard zijn enkele rubrieken zeer tijdgebonden: Toverij en hekserij (een kleine rubriek) komt vooral in de Middeleeuwen voor, Sport vrijwel alleen in de twintigste eeuw.

Dit boek is bedoeld als een monument voor al die vrouwen uit de Nederlandse geschiedenis die ooit beroemd of berucht waren, maar nu vaak bijna volledig vergeten zijn. Bij elkaar genomen geven ze een interessant beeld van het verleden; een ánder beeld ook dan we gewend zijn. Ik noem dat altijd graag de ‘achterkant’ van de geschiedenis. Niet al die vrouwenlevens zijn van even groot historisch gewicht, maar ze gunnen ons wel een andere blik in het verleden. Het idee was om hiermee het evenwicht tussen mannen en vrouwen enigszins te herstellen, maar tegelijk kan ik niet genoeg benadrukken dat ook ik keuzes heb moeten maken. Ongetwijfeld heb ik veel interessante vrouwenfiguren tekort gedaan door ze niet op te nemen. Het enige dat ik als verweer kan inbrengen, is dit: geschiedschrijving is óók een proces van onverbiddelijk selecteren.

Sommige vrouwen waren bij geboorte al voorbestemd om naam te maken, andere speelden zich welbewust in de kijker door te netwerken, weer andere hadden het geluk door invloedrijke lieden geprotegeerd te worden, sommige hadden geld om zich eeuwige roem te verwerven, andere vestigden ongewild hun naam als voorwerp van roddel en achterklap of door met justitie in aanraking te komen, sommige leverden grote prestaties maar bleven onopgemerkt, andere presteerden een beetje maar werden als heldinnen op het schild geheven, sommige streden voor vrouwenrechten, andere hadden daar niets mee… Al deze vrouwen konden hier een plaats krijgen. Zo ontstond een verzameling van 1001 vrouwenlevens door de eeuwen heen, zonder aanzien des persoons. Waardeoordelen zijn zo veel mogelijk vermeden. Er is naar gestreefd de nuchtere waarheid te achterhalen: geen belevingsgeschiedenis, maar harde feiten. Natuurlijk kan men de historische werkelijkheid inkleuren door sommige zaken wel en andere juist niet te melden. Daarom is ook het vinden van de waarheid een illusie. Toch hebben wij ons best gedaan om een zo eerlijk mogelijk verslag van ieder vrouwenleven te presenteren: niets mocht worden verdonkeremaand. Het zijn ook niet per se ‘rolmodellen’, al zitten die er zeker in groten getale tussen. Omdat de wetten van historische roem niet eerlijk zijn, ook niet als het om vrouwen gaat, begon ik deze inleiding met de opmerking dat gelijkheid een illusie is. Met deze ‘1001 vrouwen’ willen de makers een bijdrage leveren aan wat meer gelijkheid in het beeld van ons verleden. Het blijft een selectie, en ik ben daar als samensteller verantwoordelijk voor. ‘Killing my darlings’: ik weet er alles van.

© 2013 de auteurs en Huygens ING
Auteursportret © Stef Verstraaten

Aan dit unieke project wordt samengewerkt door het Huygens ing met Bijzondere Collecties van de UvA, het Kennisinstituut voor emancipatie en vrouwengeschiedenis en Uitgeverij Vantilt.

MINDBOOKSATH : athenaeum