Leesfragment: 1945. Biografie van een jaar

27 november 2015 , door Ian Buruma

Ian Buruma's 1945. biografie van een jaar (Year Zero: A History of 1945, vertaald door Arthur Wevers) is onlangs verschenen. Wij brengen een uitgebreid fragment. ‘Er bestond weinig interesse in persoonlijke verhalen. Als deel van de ontgroening werden de feuten uitgescholden, vernederd en zelfs in piepkleine kamertjes gepropt (een spel dat later in corpskringen "Dachautje spelen" zou worden genoemd). En dat was nu wat ik zo verbijsterend vond. Hoe kon mijn vader dat idiote gedrag nou pikken na alles wat hij had meegemaakt?’

Van jongs af aan hoorde Ian Buruma de verhalen van zijn vader over 'de oorlog'. Er waren ernstiger verhalen, al was het zijne erg genoeg. Hij zat ondergedoken, werd opgepakt, tewerkgesteld in Berlijn, overleefde bombardementen en ontsnapte aan de hongerdood. Maar wat Buruma het meest intrigeerde: na de oorlog probeerde zijn vader met vele anderen zijn leven voort te zetten alsof er niets was gebeurd.

Hij vroeg zich af: wat gebeurde er precies vlak na de meest verwoestende oorlog in de geschiedenis? Hoe richtte de wereld zich op uit de puinhopen?

In een mozaïek van persoonlijke verhalen, brieven, dagboeken en films geeft Buruma een schets van de onmiddellijke nasleep van de oorlog, in Europa, Amerika, Azië en de Sovjet­-Unie.

 

Proloog

Er was iets aan het verhaal van mijn vader dat ik lange tijd verbijsterend vond. Wat hij had meegemaakt in de Tweede Wereldoorlog was niet erg uitzonderlijk voor een man van zijn leeftijd en met zijn achtergrond. Er zijn veel ergere verhalen, maar het zijne was erg genoeg.
Ik was nog tamelijk jong toen ik voor het eerst over zijn oorlog hoorde. In tegenstelling tot sommige mensen zweeg hij er niet over, hoewel het voor hem pijnlijk moet zijn geweest om bepaalde herinneringen op te halen. En ik luisterde er graag naar. Er zaten ook illustraties bij in de vorm van kleine zwart-witfoto’s in een album dat ik uit een la in zijn werkkamer haalde om er in mijn eentje naar te kijken. Het waren geen dramatische beelden, maar ze waren op een wonderlijke manier fascinerend, foto’s van een primitief werkkamp in Oost-Berlijn, van mijn vader die grimast om een officiële foto te saboteren, van pompeuze Duitsers in pakken met nazi-insignes, van zondagse uitjes naar een meer in de buitenwijken, van blonde, vrolijk lachende Oekraïense meisjes.
Dat waren de relatief goede tijden. Het was waarschijnlijk verboden om met Oekraïense vrouwen om te gaan, maar herinneringen aan die vrouwen zorgen nog altijd voor een weemoedige blik in mijn vaders ogen. Er zijn geen foto’s waarop te zien is dat hij bijna sterft van de honger en de uitputting, door ongedierte wordt gekweld of bij een met water gevulde bomkrater staat die als gemeenschappelijke wc en als bad moet dienen. Maar het waren niet deze ontberingen die ik verbijsterend vond. Het was iets wat later gebeurde, toen hij weer thuis was.
Thuis was Nijmegen. Mijn grootvader had daar in de jaren twintig een aanstelling als predikant van de relatief kleine doopsgezinde gemeente aanvaard. Vanuit hun huis kon je naar Duitsland lopen. Omdat Duitsland relatief goedkoop was, bracht het gezin daar de meeste vakanties door, totdat de aanwezigheid van de nazi’s het land rond 1937 ook voor toeristen onverdraaglijk maakte. Ergens in de buurt van een kamp van de Hitlerjugend waren mijn familieleden er getuige van dat kinderen door oudere jongens in uniform werden afgetuigd. Tijdens een boottochtje over de Rijn veroorzaakte mijn grootvader (misschien opzettelijk) enige beroering onder de Duitse passagiers door Heinrich Heines poëtische ode aan de nimf van de Rijn ‘Die Lorelei’ te reciteren. (Heine was Joods.) Mijn grootmoeder besloot dat het genoeg was geweest. Drie jaar later stroomden de Duitse troepen de grens over.
Het leven ging door, zelfs onder de Duitse bezetting. Voor de meeste Nederlanders was alles tijdens de twee eerste oorlogsjaren op een merkwaardige manier nog steeds normaal – als ze tenminste niet Joods waren. In 1941 ging mijn vader rechten studeren aan de Rijksuniversiteit Utrecht. Om een toekomst te hebben als jurist moest hij wel lid worden van het corps (dat moet je tot op zekere hoogte nog steeds). Mijn grootvader had dan wel een respectabele positie als predikant, maar verdiende niet genoeg om alle corpsrekeningen van mijn vader te betalen, en daarom besloot een rijkere oom van mijn grootmoeder om de sociale verplichtingen van mijn vader te subsidiëren.
Tegen de tijd dat mijn vader lid werd, hadden de Duitse bezettingsautoriteiten studentenverenigingen al verboden omdat ze er potentiële verzetshaarden in zagen. Dit was kort nadat Joodse hoogleraren van de universiteiten waren verwijderd. In Leiden had de hoogleraar Rudolph Cleveringa daar in zijn beroemd geworden rede tegen geprotesteerd; hij had een tandenborstel en een stel schone kleren meegenomen voor het geval hij zou worden gearresteerd, wat ook prompt gebeurde. De studenten, onder wie velen van het corps, besloten tot een staking. De universiteit werd gesloten. Het studentencorps in Amsterdam was al door de eigen leden ontbonden na de uitsluiting van Joodse studenten.
Maar Utrecht bleef open, en het corpsleven ging door, zij het clandestien. Dit betekende dat de ontgroening van nieuwe leden in het geheim moest plaatsvinden. Eerstejaarsstudenten, ‘feuten’, werden niet meer gedwongen zich kaal te scheren omdat ze zichzelf daarmee aan de Duitsers zouden verraden, maar het was nog steeds gebruikelijk om hen te laten kikkeren, uit hun slaap te houden, als slaven te behandelen en te vernederen met allerlei sadistische spelletjes waar de ouderejaars toevallig zin in hadden. Mijn vader onderwierp zich, net als anderen van zijn stand, zonder te protesteren aan deze beproevingen. Zo ging (en gaat) dat nu eenmaal. Het was tenslotte mos. In het voorjaar van 1943 werden de studenten nog zwaarder op de proef gesteld. De Duitse bezetter eiste dat alle studenten de loyaliteitsverklaring tekenden, waarin ze verklaarden zich te zullen onthouden van iedere tegen het Duitse Rijk gerichte handeling. Wie weigerde, zou naar Duitsland worden gedeporteerd en gedwongen tewerk worden gesteld in de Arbeitseinsatz. Mijn vader weigerde, net als vijfentachtig procent van zijn medestudenten, en dook onder.
Later dat jaar kreeg hij een oproep van het studentenverzet in Utrecht om terug te gaan naar Nijmegen. De reden blijft onduidelijk. Misschien heeft iemand in een moment van paniek een stomme vergissing gemaakt, of misschien was het een geval van incompetentie; het waren tenslotte studenten en geen geharde guerrillastrijders. Mijn vader kwam met zijn vader aan op het station Arnhem, net op het moment dat de nazi’s een actie ondernamen om jongemannen voor de Arbeitseinsatz te ronselen. Het perron was aan beide kanten afgezet door de Duitse politie. Er werd gedreigd dat ouders verantwoordelijk zouden worden gehouden voor ontsnappingspogingen. Omdat hij zijn ouders niet in de problemen wilde brengen, tekende mijn vader. Het was een begrijpelijke, maar niet bijzonder heldhaftige daad, die hem bij gelegenheid nog weleens dwarszit. Met andere mannen werd hij naar een akelig concentratiekamp in Ommen gedeporteerd, waar ss’ers Nederlandse misdadigers de gewelddadige technieken van hun vak bijbrachten. Nadat hij daar korte tijd had gezeten, werd hij naar Berlijn gebracht, waar hij de rest van de oorlog in een fabriek werkte waar remmen voor treinen werden gemaakt.
Dit was een gemengde ervaring, aanvankelijk tenminste. Zolang ze zich niet tegen de Duitsers verzetten, kwamen Nederlandse tewerkgestelde studenten niet in een concentratiekamp. Er waren zelfs compensaties voor de eentonigheid van het fabriekswerk, de schaamte om voor de vijand te werken en de fysieke ongemakken van slapen in ijskoude barakken die vergeven waren van het ongedierte. Mijn vader herinnert zich zelfs concerten van de Berliner Philharmoniker onder leiding van Wilhelm Furtwängler.
En bij Knorr-Bremse waren de dingen misschien ook niet altijd wat ze leken. Een zwijgzame man met donker haar, Herr Elisohn, had de neiging zich uit de voeten te maken als hij door Nederlandse tewerkgestelde studenten werd benaderd, en er waren ook anderen die contact meden, mensen met namen als Rosenthal. Veel later begon mijn vader pas te vermoeden dat er Joden ondergedoken zaten in de fabriek.
In november 1943 werd het allemaal veel erger, toen de Royal Air Force met de bombardementen op de Duitse hoofdstad begon. In 1944 kregen de Lancasters van de raf gezelschap van de Amerikaanse b-17’s. Maar de grootschalige vernietiging van Berlijn en zijn bewoners begon pas echt in de eerste maanden van 1945, toen er bijna onophoudelijk bommen vielen en vuurstormen woedden. De Amerikanen vielen overdag aan en de Britten ’s nachts en in april begonnen ook de Russische stalinorgels de stad vanuit het oosten te beschieten.
Soms slaagden de studenten erin om zich in een schuilkelder of metrostation te persen, een mogelijkheid die de geïnterneerden van de concentratiekampen niet gegeven was. Soms was een haastig gegraven kuil hun enige bescherming tegen de bombardementen, die, in de herinnering van mijn vader, door de studenten zowel verwelkomd werden als gevreesd. Een van de ergste kwellingen was het slaapgebrek, omdat er nooit echt een einde kwam aan de bombardementen en de beschietingen. Constant hoorde je het luchtalarm, explosies, gekrijs en vallende stenen en glas. Toch juichten de studenten voor de Engelse en de Amerikaanse bommenwerpers die zo makkelijk hun dood hadden kunnen betekenen, en in sommige gevallen ook betekenden.
In april 1945 was het kamp onbewoonbaar geworden: de daken en muren waren weggeblazen door wind en vuur. Via een contactpersoon, die hij mogelijkerwijs bij een van de minder genazificeerde protestantse kerken had leren kennen, vond mijn vader onderdak in een villa in een buitenwijk. Zijn hospita, Frau Lehnhard, had al enkele vluchtelingen uit de puinhopen van het centrum van Berlijn in huis genomen. Onder hen bevond zich ook een Duits echtpaar, dr. Rümmelin, een advocaat, en zijn Joodse vrouw. Omdat ze voortdurend in angst zaten dat zij zou worden opgepakt, had het echtpaar een pistool in huis, zodat ze samen zouden kunnen sterven als het zover zou komen. Frau Lehnhard zong graag Duitse Lieder. Mijn vader begeleidde haar op de piano. Het was, in zijn eigen woorden, ‘een zeldzame herinnering aan betere tijden’ in de chaos van de eindstrijd van Berlijn.
Op weg naar zijn werk in Oost-Berlijn kwam mijn vader door de kapotgeschoten straten waar Russische en Duitse troepen van huis tot huis vochten. Op de Potsdammerplatz stond hij achter de gillende stalinorgels, die Hitlers kanselarij bombardeerden. Hij heeft er een levenslange afkeer voor harde knallen en voor vuurwerk aan overgehouden.
Eind april 1945, of misschien begin mei, kwamen er Russische soldaten bij het huis van Frau Lehnhard. Zulke bezoeken betekenden meestal een groepsverkrachting van de vrouwen, of ze nu jong of oud waren. Dat gebeurde niet. Maar het kostte mijn vader wel bijna zijn leven toen het pistool van dr. Rümmelin werd ontdekt. Geen van de soldaten sprak een woord Duits of Engels, dus was het onmogelijk om de reden voor de aanwezigheid van dat pistool aan hen uit te leggen. Dr. Rümmelin en mijn vader werden tegen de muur gezet om te worden geëxecuteerd. Mijn vader herinnert zich dat hij er nogal fatalistisch onder was. Hij had toen al zoveel doden gezien dat zijn eigen naderende dood niet echt als een verrassing kwam. Maar door zo’n merkwaardige gelukkige speling van het lot die het verschil tussen leven en dood kan betekenen, verscheen er toen een Russische officier die Engels sprak. Hij besloot om het verhaal van dr. Rümmelin te geloven. De executie werd afgeblazen.
Mijn vader ontwikkelde een zekere verstandhouding met een andere Russische officier, een leraar uit Leningrad. Omdat er geen enkele taal was die ze beiden spraken, communiceerden ze met elkaar door stukjes Beethoven en Schubert te neuriën. Deze officier, Valentin, bracht hem naar een plek, ergens tussen de puinhopen van een arbeidersbuurt in het westen van Berlijn, waarvandaan hij zelf de weg naar een Displaced Persons-kamp (dp-kamp, een kamp voor ontheemden) in het oosten van de stad moest zien te vinden. Op zijn tocht door de ruïnes kreeg hij gezelschap van een andere Nederlander, mogelijk een collaborateur van de nazi’s of zelfs een voormalige ss’er. Mijn vader kon ondertussen amper meer lopen omdat hij al weken nauwelijks meer fatsoenlijk had geslapen of gegeten.
Toen ze nog maar net op weg waren, stortte mijn vader in. De dubieuze kompaan sleepte hem naar een kapotgeschoten gebouw, waar zijn vriendin, een Duitse prostituee, woonde. Mijn vader kan zich niet herinneren wat er vervolgens is gebeurd; hij was waarschijnlijk het grootste deel van de tijd bewusteloos. Maar de prostituee redde zijn leven door hem te verzorgen tot hij weer gezond genoeg was om het dp-kamp te bereiken, waar meer dan duizend mensen van alle mogelijke nationaliteiten zich met één kraan moesten zien te redden.
Op een foto die meer dan zes maanden later werd genomen, is mijn vader nog steeds opgezwollen door hongeroedeem. Hij is gekleed in een slechtzittend pak. Dat was misschien het pak met de urinevlekken dat hij van een doopsgezinde liefdadigheidsorganisatie uit de Verenigde Staten had gekregen. Of misschien was het een afdankertje van zijn vader. Hij heeft een pafferig en bleek gelaat, maar ziet er toch redelijk vrolijk uit, daar tussen de andere studenten die met opgeheven bierpullen staan te juichen of op het punt staan om een lied aan te heffen.
Hij was weer terug bij het Utrechts studentencorps. Dat was waarschijnlijk in september 1945. Mijn vader was net tweeëntwintig. Omdat de ontgroening tijdens de oorlog in het geheim had plaatsgevonden, werd door de ouderejaars besloten dat ze het nog eens dunnetjes moesten overdoen. Mijn vader kan zich niet herinneren dat hij zelf moest kikkeren of al te erg is toegetakeld. Dat soort behandelingen was voorbehouden aan de jongere jongens, die net waren aangekomen en soms misschien uit veel ergere kampen dan dat van mijn vader kwamen. Er zaten misschien ook Joodse jongens bij, die ondergedoken hadden gezeten of uit het kamp kwamen. Niemand die zich daar erg druk over maakte. Er bestond weinig interesse in persoonlijke verhalen. Iedereen had wel een verhaal, en dat was zelden aangenaam. Als deel van de ontgroening werden de feuten uitgescholden, vernederd en zelfs in piepkleine kamertjes gepropt (een spel dat later in corpskringen ‘Dachautje spelen’ zou worden genoemd).
En dat was nu wat ik zo verbijsterend vond. Hoe kon mijn vader dat idiote gedrag nou pikken na alles wat hij had meegemaakt? Was er niemand die dit op zijn minst een beetje vreemd vond?
Nee, antwoordde mijn vader keer op keer. Nee, het leek normaal. Zo ging dat nu eenmaal. Het was mos. Niemand stelde er vragen over. Later zwakte hij dit af door eraan toe te voegen dat hij het ongepast zou hebben gevonden om een Joodse overlevende te mishandelen, maar dat hij niet voor anderen kon spreken.
Ik vond het verbijsterend, maar later begon ik het geleidelijk te begrijpen. Het idee dat dit normaal was, is denk ik de verklaring. Mensen hunkerden zo naar de wereld van vroeger, de wereld zoals die voor de bezetting, de bommen, de kampen en de massamoorden was geweest, dat het ontgroenen van ‘feuten’ normaal leek. Het was een manier om weer terug te keren naar het oude leven, een manier, als het ware, om weer thuis te komen.
Er zijn andere verklaringen mogelijk. Voor de mannen die getuige waren geweest van serieus geweld, waren deze studentenspelletjes misschien relatief onschuldig, een gezonde manier om lol te trappen. Maar waarschijnlijk waren het juist degenen die niet veel hadden meegemaakt die zich met het grootste enthousiasme op het ontgroenen van feuten stortten. Nu kregen ze eindelijk de kans om te laten zien dat ze een vent waren, en daar beleefden ze waarschijnlijk des te meer genoegen aan als de slachtoffers mensen waren die heel wat meer hadden meegemaakt.

Het was dit verhaal van mijn vader – dat, zoals ik al zei, best wel erg was, maar niet zo erg als dat van vele anderen – dat me nieuwsgierig maakte naar de gebeurtenissen die direct na de meest vernietigende oorlog uit de geschiedenis plaatsvonden. Hoe verrees de wereld weer uit de puinhopen? Wat gebeurt er als miljoenen mensen omkomen van de honger of op wraak broeden? Hoe wordt een samenleving, of de ‘beschaving’ (een populair woord indertijd) weer hersteld? De meeste mensen dachten dat dat kon door het normale leven weer op te pakken – een zeer menselijke reactie op een catastrofe – maar het idee dat de wereld zoals die voor de oorlog was geweest gewoon hersteld kon worden, alsof een moorddadig decennium, dat lang voor 1939 begonnen was, zomaar terzijde geschoven kon worden als een kwade herinnering, was een illusie.
Deze hoop werd echter door zowel regeringen als individuen gekoesterd. De Franse en de Nederlandse regering dachten dat ze hun koloniën konden terugkrijgen en dat het leven weer zou verdergaan zoals het was gegaan voor de Japanse bezetting van Zuidoost-Azië. Ook dat bleek een illusie. De wereld kon niet meer hetzelfde worden. Er was te veel gebeurd, te veel veranderd, er waren te veel mensen, en zelfs hele samenlevingen, ontworteld. En veel mensen, en ook regeringen, wilden helemaal niet dat de wereld weer zo zou worden zoals hij was geweest. Britse arbeiders die hun leven hadden gewaagd voor koning en vaderland, hadden er genoeg van om onder het oude klassenstelsel te leven en stemden slechts twee maanden na de nederlaag van Hitler Winston Churchill weg. Josef Stalin was niet van plan om Polen, Hongarije of Tsjecho-Slowakije de kans te geven om terug te keren naar welke vorm van liberale democratie dan ook. Zelfs in West-Europa zagen veel intellectuelen het communisme, dat in de moreel behaaglijke mantel van het ‘antifascisme’ was gehuld, als een levensvatbaar alternatief voor de oude orde.
In Azië was de beginnende verandering nog dramatischer. Zodra de Indonesiërs, de Vietnamezen, de Maleiers, Chinezen, Birmezen en Indiërs hadden gezien hoe een Aziatisch land de westerse koloniale heersers kon vernederen, was de illusie van westerse almacht voor altijd vervlogen en konden de verhoudingen nooit meer dezelfde zijn. Tegelijkertijd waren de Japanners, die net als de Duitsers hadden gezien hoe de dromen van hun leiders tot as waren vergaan, ontvankelijk voor veranderingen die voor een deel door de zegevierende geallieerde bezetters werden gestimuleerd en voor een deel werden afgedwongen.
Britse en Amerikaanse vrouwen die door de oorlogsomstandigheden gedwongen waren geweest om aan het werk te gaan, waren niet meer zomaar bereid om hun economische onafhankelijkheid in te ruilen voor een positie van huiselijke ondergeschiktheid. Velen deden dat natuurlijk wel. De koloniën hadden tenslotte ook tijd nodig om volledig onafhankelijk te worden. De conservatieve wens om het ‘normale’ leven weer op te pakken zou altijd botsen met de zucht naar verandering, om helemaal opnieuw te beginnen, om een betere wereld te bouwen waar nooit meer vernietigende oorlogen zouden plaatsvinden. Er stak oprecht idealisme achter die hoop. Dat de Volkerenbond er niet in was geslaagd een wereldoorlog te voorkomen, was geen belemmering voor het idealisme van degenen die in 1945 hoopten dat de Verenigde Naties voor altijd de vrede zouden handhaven. Dat zulke idealen uiteindelijk even illusoir bleken als het idee dat je de klok kon terugdraaien, doet niets af aan de kracht van die idealen en maakt ze ook niet minder waardevol.
Het verhaal van het naoorlogse 1945 is in zekere zin een heel oud verhaal. De oude Grieken wisten al hoe vernietigend wraakzucht kan zijn, en hun tragedieschrijvers maakten aanschouwelijk hoe bloedvetes alleen met behulp van de wet overwonnen kunnen worden; rechtszaken in plaats van vendetta. En de geschiedenis is, in het Oosten niet minder dan in het Westen, vergeven van dromen over een nieuw begin, over nieuwe samenlevingen die verrijzen uit de puinhopen van de oorlog en die gebaseerd zijn op nieuwe idealen, die vaak niet zo nieuw waren als mensen dachten.
Mijn eigen interesse voor de onmiddellijke naoorlogse tijd komt gedeeltelijk voort uit recente gebeurtenissen. We hebben de afgelopen jaren genoeg voorbeelden gezien waarbij er vol goede hoop een oorlog wordt begonnen om een dictator ten val te brengen en een nieuwe democratie te stichten. Maar ik wilde vooral ook terugkijken in de tijd om de wereld van mijn vader te begrijpen. Dat komt misschien ten dele door de natuurlijke nieuwsgierigheid van een kind naar de ervaringen van een ouder, een nieuwsgierigheid die sterker wordt wanneer het kind veel ouder wordt dan de ouder destijds was. Die nieuwsgierigheid doet zich des te sterker voelen als de vader beproevingen heeft moeten doorstaan die de zoon zich alleen maar voor kan stellen.
Maar het is meer dan dat. De wereld die mijn vader heeft helpen opbouwen uit de puinhopen van de oorlog die hem bijna fataal werd, is de wereld waarin wij zijn opgegroeid. Mijn generatie werd gevormd door de dromen van onze vaders: de Europese welvaartsstaat, de Verenigde Naties, de voorbeeldfunctie van de Amerikaanse democratie, het Japanse pacifisme, de Europese Unie. Maar er is ook de donkere kant van de wereld die in 1945 is ontstaan: de communistische dictatuur in de Sovjet- Unie en Oost-Europa, Mao’s opkomst in de Chinese burgeroorlog, de Koude Oorlog.
Een groot deel van de wereld van onze vaders is alweer ontmanteld, of in verval. Het is waar dat bijna overal waar de laatste wereldoorlog heeft gewoed, het leven nu beter is dan in 1945, zeker in materieel opzicht. Sommige dingen waarvoor mensen het bangst waren, zijn niet gebeurd. Het Sovjetrijk is gevallen. De laatste slagvelden van de Koude Oorlog bevinden zich op het Koreaanse schiereiland, of misschien in de Straat van Taiwan. Maar terwijl ik dit schrijf, praten mensen over de tanende invloed van het Westen, zowel de Verenigde Staten als Europa. En niet alleen angsten uit de onmiddellijke naoorlogse jaren zijn vervaagd, maar ook veel dromen. Er zijn nog maar weinig mensen, zelfs binnen de organisatie van de Verenigde Naties, die geloven dat een soort wereldregering voor eeuwige vrede zal zorgen. De hoop op een sociale democratie en de welvaartsstaat heeft flinke klappen gekregen, en is haast overal gestrand op economische beperkingen.
Ik betwijfel of we veel van de geschiedenis kunnen leren, tenminste in de zin dat kennis over vroegere dwaasheden kan voorkomen dat we in de toekomst dezelfde fouten maken. Geschiedenis is een kwestie van interpretatie. Vaak zijn de verkeerde interpretaties van het verleden gevaarlijker dan onwetendheid. Herinneringen aan oude grieven en haat kunnen nieuwe vuurzeeën veroorzaken. En toch is het belangrijk om te weten wat er in het verleden is gebeurd en om te proberen de geschiedenis te begrijpen. Want als we dat niet doen, kunnen we onze eigen tijd niet bevatten. Ik wilde weten wat mijn vader heeft meegemaakt, in de hoop dat ik daardoor mezelf en mijn eigen leven in de lange, donkere schaduw van wat eraan voorafging beter zal kunnen begrijpen.

 

© 2013 Ian Buruma
© 2013 Nederlandse vertaling Arthur Wevers
© Auteursportret Merlijn Doomernik

Uitgeverij Atlas Contact

MINDBOOKSATH : athenaeum