Leesfragment: Alles altijd anders. Over Ovidius

27 november 2015 , door Marietje d'Hane-Scheltema

Donderdag 22 augustus 2013, van 17.00 tot 19.00, zal bij Athenaeum aan het Spui Marietje d'Hane-Scheltema's Alles altijd anders. Over Ovidius gepresenteerd worden. Wij publiceren voor. 'Vergeleken met de rijkdom aan gegevens over latere, en zeker over hedendaagse schrijvers is er sprake van volstrekte armoe. Het allerliefst zou ik een opname willen zien en horen van hoe Ovidius zijn gedichten heeft voorgelezen, want het blijft een jammer feit dat we geen flauw idee hebben hoe die klassieke verhalen en verzen hebben geklonken, ondanks alle studies en kennis over metrische en fonetische zaken van dat dode Latijn.'

Veel fragmenten uit Ovidius’ omvangrijke werk illustreren dat hij van jongs af aan, dus niet alleen in zijn beroemde Metamorphosen, geïntrigeerd was door de ‘eeuwige veranderingen in de natuur’; het groeien, bloeien en vergaan, terwijl er tegelijk een onzichtbare ziel blijkt te bestaan. Alles is dus anders dan wat vooraf ging, maar komt er wel uit voort. Ovidius doet daarbij vaak alsof hij traditioneel is, maar brengt iets nieuws. Wie dat ontdekt, ontmoet een klassieke dichter met een moderne ziel.

Marietje D'Hane-Scheltema (1932) is een van de grootste vertalers van de klassieken in Nederland. Ze vertaalde Aischylos, Aristofanes, Juvenalis, Ovidius en Vergilius. In 1965 verscheen haar eerste vertaling, in 1986 kreeg ze de Martinus Nijhoffprijs, in 2008 verscheen haar vertolking van Claudius Claudianus' Verzamelde gedichten.

Inleiding

Nec perit in toto quicquam, mihi credite, mundo,
sed variat faciemque novat, nascique vocatur
incipere esse aliud, quam quod fuit ante, morique
desinere illud idem. Cum sint huc forsitan illa,
haec translata illuc, summa tamen omnia constant.

Geen enkel ding in dit heelal, geloof me, gaat teloor,
maar alles wisselt en vernieuwt. Men spreekt van een geboorte
als er iets anders aanvangt dan er was, en sterven is
ophouden met hetzelfde-zijn. En toch, het groot geheel
blijft wel bestaan, al schuift er nog zoveel van hier naar daar.

Metamorphosen xv, 254-258

Alles wisselt, niets gaat teloor. Dus niets is voor niets. Het is de basisgedachte van misschien wel alles wat Ovidius heeft geschreven, en zeker van zijn epos Metamorphosen. Hij was geen geleerde, geen filosoof, maar keek wel rond met een aangeboren half-filosofische of wijze blik, zoals je dat trouwens van een klassiek dichter verwacht, en die blik was bepaald optimistisch. Niets is voor niets en alles kan ook anders, in de natuur, in het menselijk bestaan, altijd en overal, en vooral ook op het gebied van Ovidius’ specialiteit: de liefde. Hij zal een opgewekt mens zijn geweest, zo krijg je de indruk, iemand met een snel wendbare manier van denken en observeren en met een groot gevoel voor betrekkelijkheid; verder met veel energie en een enorme belezenheid, en vooral ook iemand die graag anders deed dan anderen.
Toch weten we daar allemaal niets van, in elk geval bestaat er geen enkel geschreven portret van hem, zelfs nauwelijks een mededeling waaruit blijkt dat anderen hem gekend hebben.
Vergeleken met de rijkdom aan gegevens over latere, en zeker over hedendaagse schrijvers is er sprake van volstrekte armoe. Het allerliefst zou ik een opname willen zien en horen van hoe Ovidius zijn gedichten heeft voorgelezen, want het blijft een jammer feit dat we geen flauw idee hebben hoe die klassieke verhalen en verzen hebben geklonken, ondanks alle studies en kennis over metrische en fonetische zaken van dat dode Latijn. Stem, houding, gebaren, accent, omgeving, het zou natuurlijk niets veranderen aan de inhoud van zijn werk, maar nu kun je – om het in zijn eigen ‘sfeer’ uit te drukken – alleen maar verliefd worden op boeken en geschreven taal, beide in een gedaante die hij zelf nooit heeft kunnen vermoeden. Ik zou de ironie van zijn liefdesgedichten graag willen zíén; een Narcissusfiguur, ik noem maar wat, zou ik wellicht anders aanvoelen, zijn vleierij jegens keizer Augustus misschien beter doorzien. En zelfs als dat een illusie van mijn kant is, zouden wat meer gegevens in elk geval een aardige illustratie vormen naast het literaire geheel.
Hierbij speelt overigens een interessante paradox: terwijl we hem, als zovele andere schrijvers uit een ver verleden, uitsluitend in zijn werk ontmoeten en terwijl Ovidius’ tijdgenoten dus nauwelijks over hem spreken, net zomin als de opvolgende generaties, heeft hij het in dat werk wel degelijk veel over zichzelf, heel veel zelfs, veel meer dan andere Latijnse dichters. Regelmatig getuigt hij van zijn bestaan, niet in de Metamorphosen, want dat is een epos en in een epos spreek je niet over jezelf, maar in al zijn poëzie daarvoor en daarna. Eigenlijk zijn er maar heel weinig gedichten waarin hij niet in de eerste persoon of namens zijn derde naam, Naso (neus – een voorouder die daardoor opviel?), spreekt. Naso magister erat, Naso legendus erit, Naso was de meester en Naso moet gelezen worden. Hij is er voortdurend zelf bij, overtuigd van zijn eigen poëtisch meesterschap. Dat hij zich dan niet Publius of Ovidius maar Naso noemt, heeft vooral met het metrum van zijn verzen te maken.
Al lezend ontmoeten we Publius Ovidius Naso dus vaak. Daar komt bij dat hij zelfs een vrij uitvoerige autobiografie-in-dichtvorm (zie het hoofdstuk Ovidius’ leven in poëzie) heeft nagelaten – bepaald geen gebruikelijk genre in de literaire oudheid. Desondanks blijft de kennismaking twijfelachtig, en dat komt omdat hij zich steeds weer duidelijk en opzettelijk laat kennen als iemand die een spel speelt. Hij noemt zichzelf een tenerorum lusor amorum, een speelman van de zoete liefde, en dat lusor, speelman, is voor tweeërlei uitleg vatbaar: een speelse dichter of een voor-de-gek-houder. In zijn geval betekent het allebei, en dat maakt het moeilijk om realiteit en fantasie te onderscheiden, of om dubbelzinnigheden en halve waarheid te peilen.
Als Ovidius graag anders deed dan anderen, wát deed hij dan anders? Het meest opvallende voorbeeld ervan betreft zijn bekendste werk, de Metamorphosen, want dat epos is anders dan alle eerdere en latere epen; niet qua uiterlijke vorm (lengte, metrum), wel verhaaltechnisch en qua inhoud en constructie. Het is geen heldendicht, geen leerdicht, en toch is het episch gevormd. Het heeft veel aanknopingspunten met de poëzie van ervoor, het heeft een geweldige invloed gehad op de poëzie van daarna, maar het blijft een eenling in de epische literatuur, en het is nooit geïmiteerd, zoals dat in zekere zin wel met de epen van Homerus en Vergilius is gebeurd. Er valt althans van Homerus tot en met Milton een gemeenschappelijke lijn te trekken die aangeeft dat een epos over één verhaal met meestal één bepaalde held of over één onderwerp gaat. Alleen de Metamorphosen vallen daarbuiten: die geven niet één verhaal, maar een verzameling van ongeveer honderdvijfendertig verhalen; die hebben ook niet één held of hoofdpersoon, maar bieden een voortdurend wisselend gezelschap van allerlei personen en vooral ook antihelden; en die gaan dan wel over één bepaald onderwerp, namelijk dat alles altijd verandert, maar die gedachte is speels verstopt in het grote geheel en wordt alleen in het slotboek via het personage Pythagoras luider uitgesproken. Het citaat boven aan dit hoofdstuk is een onderdeel van diens lessen, en die lessen komen verderop uitvoeriger ter sprake. Het idee dat ‘gedaantewisselingen’ het centrale thema van het epos vormen, is niet juist, althans niet de volledige waarheid, alleen al omdat niet alle verhalen een gedaantewisseling bevatten.
Je kunt ook niet zeggen dat andere verhalenverzamelingen als Duizenden- één-nacht of de Decamerone of The Canterbury Tales vergelijkbaar zijn met de Metamorphosen, want daar volgen de verhalen steeds volgens één en hetzelfde principe op elkaar zonder elkaar te beïnvloeden, terwijl bij Ovidius sprake is van het tegendeel: de verhalen hebben voortdurend met elkaar te maken, doordat ze uit elkaar ontstaan. In de Metamorphosen is een soort kwadraat van verandering gaande: het epos is anders dan alles en gaat over alles wat anders is. Nogal ongrijpbaar, maar heel boeiend.
Daarbij blijkt dat de dichter zelf voortdurend inspiratie vond in het veranderen van de oude, bekende verhalen. Er is geen naam, geen persoon in de Metamorphosen die al niet bekend was uit vroegere geschriften, maar al die figuren zijn nu anders dan vroeger en aangepast aan Ovidius’ opzet. Die werkwijze is niet verwonderlijk voor een kunstenaar, maar wel ostentatief, voor het effect bedoeld; je komt een wel heel andere Cycloop, Medea, Echo tegen dan waarover je elders gelezen of gehoord had; Phaëthon was eigenlijk geen jongetje dat over zijn vader opschepte, maar een volwassen bruidegom; Pygmalion geen beeldhouwer, maar een nogal perverse koning die in zijn beeldengalerij bevrediging zocht bij een Venusbeeld; Orfeus wordt nu toch nog gelukkig met zijn Eurydice; en ga maar door. Tegenwoordig wordt wel eens beweerd dat je de Metamorphosen moet lezen om de klassieke mythologie te leren kennen, maar het tegendeel is waar: je leest er een variatie op. Ovidius heeft meer dan wie ook de traditie gebruikt om anders te doen.
Wat voor de Metamorphosen geldt, geldt ook voor Ovidius’ vroegere werk, werk van vijfentwintig jaar dichterschap. In die liefdespoëzie, vooral in de drie bundels Amores en in zijn leerdicht over de liefde, Ars Amandi, verrast hij steeds met een zienswijze die anders is dan men verwacht had. Hij wil graag zijn publiek misleiden, want uiterlijk, dat wil zeggen op het eerste gezicht, blijft hij trouw aan traditionele vormen en eisen, maar de inhoud kan daar revolutionair van afwijken. Veel kunst is altijd wel een kwestie van navolgen én proberen te overtreffen, en samen is dat dan vernieuwen, maar bij Ovidius is dat principe tot een niet-aflatend spel verheven, zoals op de hiervolgende bladzijden steeds weer zal blijken. Het grote gevolg is dat men tot op heden zich heeft afgevraagd of dat epos Metamorphosen wel een epos is; of de ‘ik’ in de Amores wel zijn ware ‘ik’ is, terwijl die vraag bij bijvoorbeeld zijn tijdgenoten Horatius, Tibullus en Propertius minder wordt gesteld; of hij met zijn leerdicht Ars Amandi wel of niet over de schreef is gegaan, zoals keizer Augustus vond; en of zijn ballingspoëzie in Tristia en Brieven vanuit de Zwarte Zee (Epistulae ex Ponto) echt zielig is of een spel van fantasie. Het is ongetwijfeld de bedoeling van Ovidius geweest dat op de meeste van die vragen geen sluitend antwoord past. Hoe hij met die bedoeling te werk is gegaan, proberen de hiervolgende hoofdstukken te achterhalen.

Copyright © 2013 M. d’Hane-Scheltema
Athenaeum—Polak & Van Gennep

Athenaeum - Polak & Van Gennep

MINDBOOKSATH : athenaeum