Leesfragment: Americana

27 november 2015 , door Joost Zwagerman

31 oktober wordt Joost Zwagermans Americana. Omzwervingen in de Amerikaanse cultuur gepresenteerd in het West-Indisch Huis. Wij publiceren voor. 'Gelukkig voor Shapiro laat hij die eerste geheime geschiedenis al snel voor wat zij is en blijkt hij zich in Turn the Beat Around te concentreren op een tweede "geheime geschiedenis", die hij heel wat overtuigender en uitgebreider voor het voetlicht brengt. Die tweede, échte geheime geschiedenis vindt haar oorsprong in het New York van begin jaren zeventig. Shapiro schetst een beeld van een metropool in grote sociale, economische en morele ontreddering, op het apocalyptische af.'

‘Op mijn vijftiende raakte ik betoverd door all things American. De kleuren! De dromen! De great expectations! De ongehoord, ongekend knetterende en spetterende vitaliteit van de boeken, de films, de muziek en de kunst. The American dream wolkte uit tot in mijn nieuwbouwwijk in Alkmaar, en mijn geboortestad zelf vormde ik in mijn verbeelding om tot een dependance van het even opgepoetste als tragische suburbia uit de VS.’ – Joost Zwagerman

Voor Americana maakte Joost Zwagerman een keuze uit de honderden artikelen en essays die hij schreef over Amerikaanse cultuur: literatuur, film, beeldende kunst, fotografie, popmuziek, et cetera. Hij vulde die keuze aan met nieuwe essays en portretten. Americana is een persoonlijke, en met liefde en begeestering in kaart gebrachte cultuurgeschiedenis van het Amerika van begin twintigste eeuw tot heden.

Joost Zwagerman publiceerde meer dan vijfentwintig boeken bij De Arbeiderspers. Zijn essaybundel Transito bereikte de shortlist van de AKO Literatuurprijs. In 2008 ontving hij voor zijn gehele oeuvre de Gouden Ganzenveer.

 

Alles tussen Swing Jugend en trance
De geheime geschiedenis van de disco

In 1989 ontsluierde Greil Marcus in Lipstick Traces. A Secret History of the Twentieth Century de officieuze voorgeschiedenis van de Engelse punk en die van de Sex Pistols in het bijzonder. Via het Pistolsalbum Never Mind the Bollocks geleidde Marcus ons met veel gevoel voor vrije associaties via dadaïsme en situationisme helemaal terug naar obscure straatvechters ten tijde van de Franse Revolutie om uiteindelijk te eindigen bij vroegmiddeleeuwse ketterijen. Overigens benadrukte Marcus dat Johnny Rotten en de anderen van de Sex Pistols nooit van dada hadden gehoord – die ‘geheime geschiedenis’ van verknopingen en verwantschappen werd niet door de punkers als zodanig beleefd, maar openbaarde zich uitsluitend achteraf aan de man-met-borendeblik Marcus, die er oog voor had.
Sinds Lipstick Traces wemelde het volgens popjournalisten ineens van de ‘geheime geschiedenissen’ in de popmuziek. Communiceerde Bob Dylan in zijn teksten stiekem met William Blake, Walt Whitman en andere bijna-sjamanistische dichters? Hoe schatplichtig is Pink Floyd aan – bien étonné – Wagner, Lawrence Sterne en Caspar David Friedrich? Wat verbindt de modernisten Marcel Duchamp en Kurt Schwitters met de Talking Heads? Waren Lou Reed en Patti Smith onafhankelijk van elkaar in hun teksten ‘in gesprek’ met Edgar Allan Poe? Zóveel verborgen geschiedenissen – een beetje popmuzikant zou ervan in ademnood raken.
Dat nu ook de disco uit de jaren zeventig een ‘geheime geschiedenis’ achter zich aan heeft fladderen, komt toch nog als een verrassing. Disco, de mechanische consumptiepop bij uitstek – daar valt met de beste wil van de wereld toch geen spoor van obscurantisme, tegencultuur en decennia oude avant-garde in te ontdekken?
Toch wel, naar nu blijkt. Peter Shapiro, schrijver voor poptijdschriften als Spin, Vibe en The Wire, onderscheidt in Turn the Beat Around maar liefst twéé ‘geheime geschiedenissen’. De eerste is erg vergezocht, op het potsierlijke af. In het nazi-Duitsland van de jaren dertig bestond in Hamburg een groep dissidente jongeren die zich de Swing Jugend noemde. De Swing Jugend trotseerde stiekem de ban op jazz, door de nazi’s gerekend tot ‘entartete Kunst’. De Swing Jugend kwam samen op geheime plekken in Hamburg, bij voorkeur in kelders en souterrains, waar ze danste op de jazzplaten die in de ban waren gedaan. Tijdens een van die illegale bijeenkomsten wierp iemand uit het gezelschap van de Swing Jugend zich op als vaste plaatjesdraaier – en dat was dan de eerste dj, aldus Shapiro.
Shapiro laat het niet bij deze ‘ontdekking’. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werden in Parijs alle nachtclubs waar bands speelden op last van de Duitse bezetter gesloten. Alleen een enkele club waar uitsluitend platen werden gedraaid mocht sporadisch de deuren openen – en voilà, dat was dus eigenlijk de eerste disco. Het zijn in Turn the Beat Around feiten die er met de haren bij gesleept lijken te zijn, zodat ze onwillekeurig en vermoedelijk onbedoeld een hoog Trivial Pursuitgehalte krijgen. Shapiro’s ontsluiering van de allervroegste dj’s en disco’s komt bovendien erg willekeurig over. Als ieder feestavondje van voor, tijdens en vlak na de Tweede Wereldoorlog waar wel eens plaatjes werden gedraaid in aanmerking komt onderdeel te worden van de ‘geheime’ genese van de disco, dan zijn er duizelingwekkend veel incidenten en avonden te noemen, lijkt me. Ik geloof dat Maarten Koning en zijn vrienden in J.J. Voskuils pre-Het Bureau-roman, Bij nader inzien, dat zich afspeelt in de jaren vijftig, regelmatig avondjes belegden waar behalve veel werd gediscussieerd ook wel eens een ‘mieters’ plaatje werd opgezet, soms zelfs door de droge denker Maarten Koning zelf, die dan natuurlijk nooit meedanste. Voskuils alter ego Maarten Koning als voorloper van dj Tiësto, tenminste volgens de wetten die Shapiro in Turn the Beat Around aanlegt. Tja, zo kunnen we allemaal wel Greil Marcusje spelen.
Gelukkig voor Shapiro laat hij die eerste geheime geschiedenis al snel voor wat zij is en blijkt hij zich in Turn the Beat Around te concentreren op een tweede ‘geheime geschiedenis’, die hij heel wat overtuigender en uitgebreider voor het voetlicht brengt. Die tweede, échte geheime geschiedenis vindt haar oorsprong in het New York van begin jaren zeventig. Shapiro schetst een beeld van een metropool in grote sociale, economische en morele ontreddering, op het apocalyptische af. De werkloosheid was in New York hoger dan waar ook in de vs, evenals de moord-en-doodslagcijfers. Politie en lokale overheden waren vaker wel dan niet corrupt. Vele duizenden immigranten werden in New York gehuisvest in panden van huisjesmelkers die hun nieuwe huurders wurgcontracten lieten ondertekenen waarin ze zich tegen torenhoge premies verplicht verzekerden. Wie niet betaalde, kreeg huisbezoek. Het aantal daklozen nam explosief toe; ondergronds ontstond in de metrostations een compleet nieuwe schaduwstad voor de allerarmsten. Stadsplanologen kochten gemeenteambtenaren om met het doel hele wijken in Brooklyn en de Bronx te slopen teneinde een contraeff ectief maar winstgevend wegennet aan te leggen. Huurders in die wijken kregen standaard géén nieuwe woonruimte aangeboden. Het nieuwe Necropolis werd New York in die jaren genoemd, en de situatie werd onder de armsten zó nijpend dat moeder Teresa de toestand in bepaalde wijken vergeleek met de situatie in derdewereldlanden; zij opende in Harlem een onderkomen voor nooddruftigen. Martin Scorcese legde dit onttakelde New York vast in de klassieker Taxi Driver (1976).
In deze sociaal en moreel verloederde metropool zochten jonge zwarte stadsbewoners, latino’s en ondergronds opererende homoseksuelen elkaar op in vervallen en leegstaande loodsen en fabrieksgebouwen. Op die plekken organiseerde men illegale dansfeesten, opererend vanuit hetzelfde levensgevoel dat later, toen met punk en new wave als muzikale aanjagers, opgeld deed in West-Europa: no future. Zonder zicht op een beter bestaan besloot men massaal te gaan dansen, zij het op de rand van de vulkaan.
Deze stelling van Shapiro is wel een interessante: punk en disco mogen te boek staan als twee uitersten van muziekstromingen, maar de genese van beide genres is terug te voeren op vergelijkbare ongenoegens over economische malaise, sociale repressie en morele bekrompenheid. Toch vervaagt het dystopische New York van begin jaren zeventig naarmate Turn the Beat Around vordert. Want Shapiro concentreert zich steeds sterker op één aspect van de in het begin van de jaren zeventig nog obscure muziekstroming. Shapiro noemt het van essentieel belang dat disco onmiskenbaar van homoseksuele makelij was.
Anno 2005 is een hedonistische uitgaanscultuur bijna verplicht en routine onder homo’s, hetero’s, jong, oud, blank en zwart. Maar in de jaren zeventig was het opeisen van zo’n hedonistische genots- en uitgaanscultuur niet minder dan een daad van verzet. Dertig tot veertig jaar geleden werd ook in New York homoseksualiteit nauwelijks geaccepteerd en was homodiscriminatie eerder regel dan uitzondering. De homoseksueel in New York die een eigen manier van uitgaan en feestvieren opeiste, was genoodzaakt ‘ondergronds’ te gaan. Disco vormde aanvankelijk de soundtrack van de homo-emancipatie en de zelfbevrijding van veel jonge New Yorkse homoseksuelen.
De machinale, door synthesizers aangestuurde monotonie van veel discoplaten leek er speciaal voor ontworpen om de bezoeker van illegale homoclubs en -discotheken in een trance te brengen, aangejaagd door diverse soorten drugs. Turn the Beat Around schetst in vele details de opkomst en ondergang van allerlei exclusief door en voor homo’s ontworpen uitgaansgelegenheden, badhuizen, sauna’s en illegale clubs, waar de muziek klonk die aanvankelijk de Amerikaanse popzenders niet haalde: de discosound, de opzettelijk artifi ciële dansmuziek, met de elektrische gitaar als nieuw taboe-instrument en de synthesizer als de nieuwe muziekmachine die wonderen doet. De specifi eke ‘seksuele energie’ van de discosound vormde in zekere zin de soundtrack van de Gay Pridebeweging. Danste een man met een man, dan was dat in het homofobe Amerika van die jaren een daad van verzet. ‘Pleasure is politics’ was een van de slogans die de opkomst van de disco markeerden.
Ook het zogeheten Stonewallincident komt in Turn the Beat Around ter sprake. De Stonewall Inn was een van de half legale clubs waar homo’s samenkwamen, met sommige avonden speciaal voor travestieten. Openlijke travestie was in sommige staten bij wet verboden, net als het ‘samenscholen’ van homoseksuelen – maar in de praktijk kondigde de politie de controles ruim van tevoren aan, zodat ze door club eigenaren kon worden afgekocht (lees: omgekocht). Maar op een nacht in 1969 lichtte de New Yorkse politie een groot aantal travestieten van de dansvloer en dirigeerde ze in arrestatiewagens. Rellen onder de bezoekers waren het resultaat, overigens in Turn the Beat Around met smaak gememoreerd: ‘Queen power exploded with all the fury of a gay atomic bomb.’ De travestieten gingen de politie te lijf met alle stilettohakken en handtassen die ze maar voorhanden hadden; Shapiro beschrijft het cabaretesk, maar de onderdrukking en discriminatie waren destijds bittere ernst, beklemtoont hij tegelijkertijd. ‘Stonewall’ werd een symbolisch merkteken van verzet en strijdbaarheid, te vergelijken met het groepje Afro-Amerikanen dat in de jaren zestig een ‘alleen voor blanken’ bestemde streekbus in Alabama betrad.
Ook in een ander opzicht betekende disco voor de homoseksuele doelgroep het verleidelijke alternatief voor de door hetero’s gedomineerde flowerpowercultuur van de jaren zestig. Na de periode van aanbidding van de popster die zich als een sjamaan op het podium presenteerde ontstond er behoefte aan het tegenbeeld van die feodale structuur van verafgood popidool versus anonieme fan; en wel aan de democratie van de dansvloer, waar iedereen a star in his own right kon en mocht zijn. ‘Dancing with yourself’ werd de opzettelijk apolitieke slogan, die paradoxaal gezien juist ook weer wél politiek was, gezien de (burger)rechten die homo’s opeisten. Aldus is het geheime aspect van de wordingsgeschiedenis van de disco er volgens Shapiro een van darkrooms, drugsgebruik en, om het à la Frans Kellendonk in Mystiek lichaam te zeggen, ‘seksuele ruimtevaart’.
Eenmaal aanbeland bij de ‘hogere’ aspecten van het eens zo ondergrondse homoseksuele hedonisme haalt Shapiro er als uit een hoge hoed ineens de Franse poststructuralistische fi losofi e bij, in het bijzonder in de persoon van Gilles Deleuze, die altijd wel inzetbaar lijkt als het gaat om schaduwgeschiedenissen. Ook bij Greil Marcus in Lipstick Traces bestijgt Deleuze het erepodium van de tegencultuur. Shapiro heeft Deleuze nodig om uit te weiden over een wereld die afstevende op zelfbevrijding dankzij de erkenning dat de mens, eenmaal bevrijd van sociale, economische en politieke verplichtingen, zich kon ontwikkelen tot een van zijn ketenen verloste precyborg, een ‘verlangenmachine’ die in trancetoestand contact kon leggen met een andere ‘verlangenmachine’ teneinde op te gaan in de gedeelde roes tegen de achtergrond van een door machines aangejaagde genotswereld – bent u daar nog? Alles goed en wel, maar hoe streef je in de praktijk zo’n roes na? In de disco! Op de dansvloer!
Van Gilles Deleuze naar Chic – ziehier in telegramstijl het traject dat Shapiro aflegt in Turn the Beat Around. Dansend en wel steeg men op en trad men uit dankzij het monotone synthiritme van Sylvester, Giorgio Moroder, Chic, Donna Summer, Van McCoy, Silver Convention en allerlei andere discoacts. Op dit punt gekomen zeilt Shapiro weg op golven van zijn eigen enthousiasme en geeft hij de discomuziek misschien wel iets te veel betekenis. Tegen het einde van het boek slaat hij pas echt door in het lyrisch idealiseren van de disco als hij met droge ogen beweert: ‘Disco was the last gasp for integration in America.’ Over het algemeen levert Shapiro’s neiging om disco in het hart van de Amerikaanse geschiedenis te plaatsen passages op waar je van opkijkt. Zó begint Shapiro zijn hoofdstuk over de wereld in 1975: ‘De zomer van 1975, Nixon had zijn politieke huid ternauwernood weten te redden, de beweging van de Black Panthers had haar radicaalste acties voorlopig gestaakt, en op de dansvloer glorieerde Van McCoys “The Hustle”.’ Van Nixon naar ‘The Hustle’ in één zin, het is even wennen.
Toch is het precies deze manier van schrijven waar we helemaal aan gewend zijn als het gaat om het duiden en doorgronden van fenomenen als Dylan, Andy Warhol, Lou Reed of Picasso, maar die pardoes merkwaardig overkomt zodra het over zoiets wegwerperigs als disco gaat. Maar Shapiro geeft in Turn the Beat Around geen krimp en laveert via Watergate en Vietnam naar glitterballen en plateauzolen alsof het onder chroniqueurs altijd al zo de gewoonte is geweest.
En omdat hij een echte liefhebber is van het genre, betreurt hij het heimelijk dat disco in de tweede helft van de jaren zeventig van ‘geheime’ geschiedenis overging in ‘openbare’ populariteit. Want voor de buitenwacht is disco ook anno 2005 niet in de eerste plaats gelieerd aan homo-emancipatie, maar hoogstens aan de platst denkbare commercie, plastificatie van de popmuziek, afstompende monotonie. Disco, dat is het steekwoord dat de lading dekt van de breed uitgevente wansmaak van plateauzolen, rolschaatsen, glitterpakken en hangsnorren – anders gezegd: van alle decorstukken en rare petjes en hesjes in de verkleedkisten waar acts als de Village People, Boney M. en Tavares dankbaar gebruik van maakten.
Shapiro laat niet na te benadrukken dat disco afstevende op haar eigen failliet zodra de officiële popcultuur (lees: de heteroseksuele kleinburger) zich over het genre ontfermde. De disco evolueerde van homosoundtrack naar het algemeen aanvaarde auditieve behangsel waarmee het ik-tijdperk werd gestoffeerd. Het concept dat iedereen een ster op de dansvloer kon zijn sloeg over op de gevestigde heterocultuur; in de tweede helft van de jaren zeventig vertienvoudigde het aantal discotheken in de Verenigde Staten en Europa. De homostrijd slaagde overigens breeduit, want in die jaren kwamen de exclusief homoseksuele uitgaansgelegenheden bovengronds.
Commercieel ijkpunt in de epoche van de disco was natuurlijk de speelfilm Saturday Night Fever, met in de hoofdrol John Travolta als de working class hero die door de week werd afgebekt en uitgebuit door bazen en bovenmeesters, maar die in het weekend transformeerde tot superster-op-de-dansvloer. Saturday Night Fever, niet zonder reden voorzien van een broeierige homoseksuele ondertoon, leverde aldus voor een miljoenenpubliek de heteroseksuele variatie op het verhaal van de hardnekkig veronachtzaamde jonge homoseksueel die voor zijn bestaansrecht strijdt.
Niet lang na het succes van Saturday Night Fever zakte de discocultuur als een plumpudding in elkaar. Het was een kwestie van één zomer, zo snel was ineens het verzadigingspunt bereikt. In de vs begonnen dj’s van radiostations antidiscoacties. In diverse steden werden ludieke bijeenkomsten georganiseerd waar jongeren hun discoplaten en plateauschoenen verbrandden. De opkomst van de zo rauw mogelijke punk was een directe reactie op het succesverhaal van de disco. Het opmerkelijke was dat de afkeer van met name de vermeende zielloosheid van de disco – niets dan synthesizers die op één dreun voortbliepten – van diverse kanten kwam. Jazzrocker Herbie Mann vergeleek disco met een gemiddelde pornofilm: ‘Als de karakters en het verhaal interessant zijn, is het best aardig – voor vier minuten.’ Lester Bangs, icoon van de alternatieve rockjournalistiek, schreef een dodelijk verhaal over de ‘commodities of disco’. Maar ook bij de Amerikaanse burgerman groeide de afkeer van de disco, toen hem de verknoping van disco en homocultuur ineens begon op te vallen. De opkomst en ondergang van de legendarische New Yorkse discotheek Studio 54 belichaamden het korte maar hevige succes van de discosound. ‘More! More! More!’ riep pornoster Andrea True daar wekelijks op de dansvloer, en op de een of andere manier kapseisde zowel Studio 54 als de discosound onder haar luid uitgekreten onverzadigbaarheid.
Hoe moet je achteraf het korte maar hevige succesverhaal van de disco-als-levensstijl interpreteren? Shapiro ziet de overname van een homoseksuele subcultuur door de ‘heteroseksuele zittende elite’ niet als een vrij voorspelbare ontwikkeling, die zich al met al wel vaker heeft voorgedaan. Drukte in het Parijs van de jaren dertig en het New York van de jaren twintig (‘Little Bohemia’) ook niet een klein groepje homoseksuelen het stempel op het culturele en muzikale klimaat? Ook voelt Shapiro weinig voor de theorie dat de discorage een homoseksualisering inluidde van de pop- en danscultuur, die tot op de dag van vandaag voortduurt en zich intensiveert. Ons inmiddels tot folklore gestolde jaarlijkse grachtenfeestje Gay Parade – de Keukenhof is er niets bij – is tenslotte ontkiemd in de ondergrondse clubs in de toen vervallen buurten Brooklyn en Bronx van de jaren zeventig. Maar Shapiro houdt het erop dat de omarming van de disco door de vigerende (lees: hetero) popcultuur tegelijk de doodsknuffel betekende. Die overtuiging geeft Turn the Beat Around iets nuffigs en snobistisch, maar dat is geen onoverkomelijk bezwaar.
Een niet te onderschatten pluspunt van Turn the Beat Around is dat Peter Shapiro ook nu nog zielsveel van discomuziek houdt. Greil Marcus – jawel, opnieuw hij – publiceerde een vuistdik boek naar aanleiding van één enkel nummer van Bob Dylan, ‘Like a Rolling Stone’. Zoiets kun je van z’n leven niet klaarspelen als je een discohit wilt duiden en doorgronden. Peter Shapiro keert niettemin de beste en aanstekelijkste discohits binnenstebuiten en speelt het bijvoorbeeld toch maar klaar om een heel hoofdstuk te wijden aan één enkel nummer, ‘I Feel Love’ van Donna Summer. Dat is alleen al opmerkelijk vanwege het feit dat de tekst van dit liedje uit niet meer woorden bestaat dan genoemde drie uit de titel, woorden die Donna Summer beheerst hijgend en kreunend in extenso herhaalt. Onder het mom high brow on low culture valt natuurlijk veel consumptiepop op te pompen tot een cultuursociologische soufflé – maar een heel hoofdstuk over dit zo op het eerste oog én oor platte synthihitje? Shapiro presteert het, en het wonderlijke is: hij doet dat zó lyrisch en aanstekelijk dat je geneigd bent niet alleen ‘I Feel Love’ maar ook allerlei andere inmiddels veronachtzaamde discoplaatjes uit die jaren zeventig te gaan herwaarderen. Shapiro ziet ‘I Feel Love’ als een radicale protestsong, die ingaat tegen allerlei stereo typen. Donna Summer voegt zich niet in de clichérol van de warmbloedige zwarte vrouw (de ‘soul sista’) maar eigent zich de gestalte toe van de blanke seksuele ijskoningin. Waar James Brown ooit zong dat hij een seksmachine kon en wilde zijn, daar verdwijnt Summer echt in die machine; met haar opzettelijk kille monotonie steekt ze de draak met de heteroseksuele oververhitting en celebreert ze de koele, gestileerde homo-erotische blik. Donna Summer is de eerste zingende cyborg in de geschiedenis van de pop, en alleen al met deze – lichtelijk in the overdrive geplaatste – observatie laat hij zien dat zijn ‘Turn the Beat Around’ een cultuurgeschiedenis van de disco wil zijn waarin Grote Woorden mogen worden gebruikt, met dank aan zijn ‘voorbeeld-schrijvers’ Greil Marcus en Camille Paglia.

 

© Joost Zwagerman

Uitgeverij De Arbeiderspers

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum