Leesfragment: Armada #70. Heldinnen

27 november 2015 , door Pamela Pattynama

27 juni wordt Armada 70 gepresenteerd, met als thema 'Heldinnen'. Uit deze laatste papieren Armada publiceren we de bijdrage van Pamela Pattynama over Maria Dermoûts Felicia van de thuyn Kleyntjes voor: ‘Eigenlijk droeg mijn heldin een fraaie naam, “mevrouw von Zus en Zo”, naar haar man, een uitvreter uit een Oost-Pruisisch jonkergeslacht, maar die naam was in onbruik geraakt. Volgens de gewoonte van het eiland werd zij Felicia van Kleyntjes genoemd of ook wel “mevrouw aan de binnenbaai”.’

In deze Armada passeert een keur van grote en kleine heldinnen uit de wereldliteratuur de revue. Want terwijl het aantal beroemde schrijfsters door de eeuwen heen gering bleef, hebben opvallend veel vrouwelijke romanpersonages zich wel massaal in het collectieve geheugen van lezers weten te nestelen: Clytaemnestra, Salomé, Sheherazade, Anna Karenina, Madame Bovary, Molly Bloom, Lolita, Lady Chatterley, Clarissa Dalloway, Cornélie de Retz van Loo, mevrouw Kleyntjes, Dorothea Brooke, Lizzy Bennet… Ze verleiden en troosten, ontroeren en inspireren, maken zich schuldig aan moord en doodslag en benemen zich van het leven, zijn toonbeelden van moed, tragiek, wanhoop, rebellie en waanzin.

Waren de heldinnen in de oudheid nog vrouwen van formaat, in latere tijden kregen ze menselijker proporties. In de negentiende eeuw schreven Tolstoj, Flaubert, Clarín en Couperus hun befaamde portretten van melodramatische vrouwenlevens, daarna lieten vooral naturalistische auteurs als Zola de lagere echelon aan bod komen: vrouwen van lichte zeden en barmeiden, dienstbodes en scharrels, en binnen het decadentisme werden de heldinnen vooral fatale vrouwen.

Deze zeventigste aflevering van Armada is de laatste die in boekvorm verschijnt. Maar dit betekent zeker niet dat Armada ophoudt te bestaan. Het tijdschrift gaat verder in digitale vorm en wordt een zelfstandig onderdeel van Schwob (www.schwob.nl, een initiatief van het Nederlands Letterenfonds), dat zich ervoor beijvert belangrijke buitenlandse literatuur die hier onbekend dan wel vergeten is onder de aandacht te brengen. Daarnaast blijft Armada actief op Facebook (www.facebook.com/armada.wereldliteratuur) en op de eigen website (www. armada-wereldliteratuur.nl).

 

Felicia van de thuyn Kleyntjes

Mijn heldin werd geboren op een ‘thuyn’ die gelegen was aan een binnenbaai op een eiland in de Molukken en alleen maar per prauw te bereiken was. Zij is het hoofdpersonage van De tienduizend dingen (1955), het bekendste werk van de Indisch-Nederlandse auteur Maria Dermoût (1880–1967). Eigenlijk droeg mijn heldin een fraaie naam, ‘mevrouw von Zus en Zo’, naar haar man, een uitvreter uit een Oost-Pruisisch jonkergeslacht, maar die naam was in onbruik geraakt. Volgens de gewoonte van het eiland werd zij Felicia van Kleyntjes genoemd of ook wel ‘mevrouw aan de binnenbaai’. Haar onnadenkende moeder had de naam Felicia voor haar bedacht, een naam die volgens de ontstelde grootmoeder onheil zou afroepen: ‘Gelukkig! Durf jij jouw kleine kind Gelukkig te noemen! wat weet jij vooruit!’


Maria Dermoût tijdens haar verblijf in Ambon (1910–14)

Het leven had Felicia zwaar beproefd. Het eerste hoofdstuk laat ons door de ogen van Felicia kijken naar de tuin en het eiland. Te midden van de in detail uitgesponnen heerlijkheden van de tuin horen we en passant van haar ongeluk. De eigenaresse van Kleyntjes is een ‘geharde ziel’ die al haar familieleden heeft verloren, de laatst overgeblevene van de vijf generaties die de tuin in hun bezit hadden. Haar beide overleden ouders hadden zich nooit veel aan haar gelegen laten liggen, haar man was van de aardbodem verdwenen, de grootmoeder aan wie zij alles te danken had was dood, en als laatste was haar geliefde zoon Himpies gestorven, misschien ook wel door haar eigen schuld. Zij had hem immers tegen zijn zin naar Holland gestuurd om naar school te gaan en medicijnen te gaan studeren, weg van de tuin. Elf lange jaren zou hij wegblijven. ‘Nee,’ had de jongen gezegd, ‘dat duurt te lang.’ Hij had het ook niet volgehouden, was omgezwaaid naar de veel korter durende militaire opleiding en als militair teruggekeerd naar de tuin op het eiland. Tijdens een expeditie in de binnenlanden van Ceram had de pijl van een ‘lastige’ bergalfoer hem in zijn keel getroffen. Volgens zijn meerderen was Himpies gesneuveld, maar Felicia hield vol dat haar zoon werd vermoord. Halsstarrig was zij en onverzettelijk. Toch wisten de eilandbewoners niet veel kwaad van haar te zeggen: ‘waarom zouden zij? Zij kon het erg goed doen! Nu tenminste, vroeger niet, en zij was een door en door bazige vrouw, die eerst alles precies weten wilde, maar die dan ook bereid was te helpen, als er geholpen moest worden; en met een ander mens mee te voelen.’

Felicia’s moeder, afkomstig uit de nouveau riche op Java, had het oude perkeniershuis, het ongelukshuis waarin veel mensen hadden geleden of ongelukkig aan hun eind waren gekomen, weer willen opbouwen. Zij had de trotse moeder van haar echtgenoot op haar pad gevonden: ‘Neen, neen’ had die zonder meer tegen Felicia’s moeder gezegd. ‘Maar waarom in vredesnaam niet?’ ‘Dat weet jij wel, schoondochter, omdat het een ongelukshuis is.’ Geen dag langer wilde Felicia’s moeder toen in dat ‘gat der gaten aan de buitenbaai’ blijven wonen.
Zo was Felicia als klein kind met haar ouders naar Europa vertrokken, waar zij een luxe leventje hadden geleid. In een van de hotels waar zij verbleven had zij een ‘knappe, gedistingeerde vreemdeling’ ontmoet van wie zij ‘verrukt’ was. Als jonggetrouwden hadden zij samen een vijftal jaren in dure hotels gewoond en geteerd op het grof verdiende ‘suikeren geld’ van de plantage die haar moeders familie op Java bezat. Toen zij zwanger was van haar zoontje Himpies brak de suikerkrach uit, waarop de jonker was verdwenen met medeneming van het restant geld, haar juwelen en de armband die Felicia’s grootmoeder haar als onderpand had gegeven voor de thuiskomst. Zij leende geld van familie in Holland en reisde met haar zoontje terug naar de thuyn Kleyntjes aan de binnenbaai van Ambon, waar haar grootmoeder op haar wachtte. Had deze haar niet altijd gemaand: ‘Je moet leren een trots meisje te zijn kleindochter, rechtop! en niet om niets huilen?’

Felicia is een van de onverschrokken vrouwen die Dermoûts bescheiden oeuvre rijk is. Zij hoort bij de naamloze vrouw die in ‘De sirenen’ liever een reis met onbekende bestemming onderneemt dan lijdzaam haar lot af te wachten in haar geboortestreek, en bij Constance die loopt als een ‘verbannen vorstin’, zij is even stijfkoppig als de wraakzuchtige Paulien die Constance aanbad en lijkt net zo onversaagd als Toetie die voor lange jaren haar land verlaat om eens in de zes weken op ‘sivite’ te gaan bij haar zoon die gevangen zit in het kille Londen. Felicia blijft altijd een ‘trotse’ vrouw die rechtop! loopt, die niet om niets huilt en voor niets bang is. Himpies had zij met harde stem zijn liefde verboden: ‘begin geen perkara met een getrouwde vrouw’, met opzet het kleinerende perkara (affaire) gebruikend. ‘Jawelzeker Mevrouw van Kleyntjes,’ had haar zoon geantwoord zonder haar aan te kijken. Felicia was kort, beslist, voor haar geen emotioneel vertoon, geen krokodilletranen. De bewoners van de stad Ambon aan de overkant van de buitenbaai die van Felicia’s malheur hoorden waren diep begaan met de ‘jonge Mevrouw van Kleyntjes’ die ‘verlaten, berooid’ uit Europa was teruggekeerd. Maar na een tijdje niet meer. Samen met haar grootmoeder lapte Felicia de verwaarloosde thuyn op tot een modelboerderij en begon een ‘handeltje’. De grootmoeder wist aanvankelijk niet wat zij hoorde: ‘Wat bedoel jij kleindochter? Verkopen? Voor geld? Wij! Dat kun je niet menen, wij hebben er toch ook geen geld voor betaald,’ maar bereidde uiteindelijk haar amberbolletjes, reukwerk en medicijnen speciaal voor de verkoop. De oudere stadsbewoners fluisterden dat de grootmoeder aan ‘zulk soort dingen’ deed, geheime krachten bezat en weleens een wijze vrouw die geesten kon bezweren op de tuin liet komen. Maar haar kleindochter had geen geheime krachten, dat wisten zij zeker: Felicia zag niet eens de drie kleine meisjes die jan-en-alleman kon zien spelen op de tuin Kleyntjes waar hun grafjes lagen. Felicia vond ‘zien’ niet nodig. Haar werden ‘alle verhalen’ altijd verteld, en zolang zij zich kon herinneren had zij over de rondspokende kleine meisjes horen praten; zij hadden een vaste plaats op haar tuin op het eiland in de Molukken en hoorden in haar leven. Zij stak de handen uit de mouwen, loste de schuld aan de familie af en verdiende meer dan goed.

De tienduizend dingen bestaat uit zes vertellingen, die ogenschijnlijk weinig samenhang vertonen. Het werk lijkt een bundel losstaande verhalen die vooral een sfeer oproepen; die van landschap, mensen, overleveringen en dingen. Bij nader inzien vormen de zes verhalen een raamvertelling met een hechte herinneringsstructuur van herhalingen en vooruitwijzingen. Woorden, objecten, gedachten, personages en natuurbeschrijvingen komen herhaaldelijk terug. In alle vertellingen gaat het ook om gestorvenen, of liever gezegd mensen die een gewelddadige dood stierven. De eerste dode is Himpies, daarna volgen nog drie verhalen waarin een kokkin, een matroos, een posthouder en een professor worden vermoord. Ook zijn er de drie gestorven kleine meisjes, een gemartelde slavin, mensen die bij een aardbeving bedolven zijn. Felicia’s psychologische ontwikkeling in verband met de doden geeft aanleiding het werk een ‘roman’ te noemen. De verbittering om de dood van Himpies verschuift op het laatst naar aanvaarding en de afschuw die Mevrouw van Kleyntjes eerst alleen maar voor de moordenaars kon voelen verandert in begrip, bijna medelijden met elk van hen. In het laatste hoofdstuk komen al degenen die vermoord zijn op bezoek. Op ‘die ene dag en nacht in het jaar’ stuurde de eigenaresse van de tuin Kleyntjes alle bedienden en hun familie weg voor een festijn in de stad aan de buitenbaai. Met twee oude getrouwen ‘die ook alles wisten’ blijft zij achter om haar zoon te herdenken, en mét hem de vermoorden en moordenaars van dat jaar. Zo omspannen het eerste en laatste hoofdstuk alle vertellingen die in het boek vervat zijn.
Voor mij gaat het hechte weefsel van met elkaar samenhangende vertellingen dat De tienduizend dingen uitmaakt om meer dan de vorm. Felicia, onlosmakelijk met haar tuin verbonden, komt op de een of andere manier in elk verhaal voor. Met haar speelt het voorbije verleden voelbaar, zonder vals sentiment, door alle verhalen heen, vanaf de eerste tot de laatste bladzijde: ‘Toch scheen er op die tuinen iets te zijn achtergebleven van het oude voorbijgegane, van wat al zo lang geleden was… een herinnering aan iemand, aan iets dat gebeurde, kan ergens bijna tastbaar blijven hangen – misschien is er nog iemand die ervan weet, aan denkt soms…’
Alle herinneringen spelen zich af op het naamloze eiland dat zo’n sterke gelijkenis vertoont met Ambon: ‘twee schiereilanden, door binnen- en buitenbaai bijna geheel van elkaar gescheiden’ op een kleine landengte, ‘Passo’ geheten, na. De stad Ambon is een van de oudste Europese nederzettingen in Zuidoost-Azië. De Molukse eilanden waren felbegeerd vanwege de unieke specerijen die alleen op die kleine archipelago wilden groeien: kruidnagel, peper, nootmuskaat en foelie. Veel van de schimmige toespelingen in De tienduizend dingen gaan terug naar het tijdperk van de voc toen de Nederlanders het monopolie op de winstgevende specerijenhandel in handen wisten te krijgen. Zij hadden de Portugezen, die als eersten de zeeroute naar de lucratieve eilanden hadden ontdekt, met grof geweld verjaagd, en onder leiding van Jan Pieterszoon Coen werd de bevolking van Banda in 1621 uitgeroeid. Daarna werden voc-dienaren, de zogenaamde perkeniers, de eerste beheerders van de winstgevende specerij‘thuynen’ op alle Molukse eilanden.
Felicia is de laatst overgeblevene van generaties perkeniers. Zij is omringd door ruïnes, oude huizen ingestort bij een aardbeving, ‘een vervallen klein fort, een oud kerkje’. Die tekens van vergane glorie voeren de lezers terug naar het gezamenlijke, luisterrijke verleden van Europese en Molukse thuynenhouders. Aan Felicia’s grootmoeder – ‘een donkere vrouw met donker haar en donkere ogen’ – was te zien dat haar deftige voorouders zich hadden vermengd met de plaatselijke bevolking. Het luiden van een oude bronzen ‘slavenbel’, telkens wanneer er een boot aanmeerde op de tuin of iemand vertrok, herinnerde er echter aan dat het verstomde verleden niet voor iedereen even glansrijk is geweest.

In het begin had het ‘daarginds’ van buiten de tuin aan Felicia getrokken: ‘hoe kon het ergens zo uitgestorven stil en verlaten zijn?’ Een beetje triest ‘armoeiig’ in het genadeloze witte zonlicht, en zo ‘allerverschrikkelijkst ver weg van alles en alles en van iedereen’. Onrustig danste zij nachtenlang door, maar gaf de jongemannen die met ‘de jonge Mevrouw van Kleyntjes’ in de maneschijn wandelden niet veel hoop. Na verloop van tijd kwam Felicia nog maar zelden in de stad, zij verruilde haar versleten Franse japonnen in voor de inheemse batiksarong en witkatoenen kabaai, sloot die ‘zonder veel tierlantijnen’ met veiligheidsspelden en stak haar blote voeten in stevige leren sandalen. Toen leerde zij het eiland kennen, tot op het ‘allersteilste gebergte’, tot in het ‘diepste oerbos’; zij was met een prauwtje langs alle kusten gevaren en had hoevele malen niet door een holle bamboe gekeken naar de zeetuinen in de buitenbaai – het in gekleurd koraal onwezenlijk stille ‘droomgezicht’. Zij wist waar ‘hier en daar en overal’ een nooit geziene boom of plant of vreemde bloem te vinden was. Zij kende de vele ‘vreemde’ mensen op het eiland, de melodieën die aan kwamen waaien, de geuren van specerijen die lagen te drogen en de gestalten zoals zij waren uitgebeeld in ‘verzinsels’ als dansen, liederen en vertellingen. En eenmaal, heel lang geleden, had Mevrouw van Kleyntjes de geheime Dans met de Nautilus mogen zien, een schelp ‘als van gekreukeld wit perkament, bijna doorzichtig’. In de loop der tijd had de ‘thuyn’ op het eiland in de Molukken Felicia ‘de dingen’ laten zien, had haar ingekapseld en haar vastgehouden.

Maria Dermoût werd in 1888 op Java geboren en groeide op in Nederlandsch- Indië. Haar familie was al eeuwenlang in de kolonie gevestigd en hoorde tot de bovenlaag van ‘gewortelde’ Europeanen. Zoals toen gebruikelijk verhuisde Dermoût veelvuldig en leefde afwisselend in Indië en Holland. Zij had, zoals ze zelf zei, ‘hier en daar en overal’ gewoond. In 1933 vertrok ze voorgoed naar Nederland, waar zij op haar tweeënzestigste jaar, toen zij hier alweer achttien jaar verbleef, debuteerde met Nog pas gisteren (1951). Gevraagd naar de belangrijke dingen uit haar leven antwoordde zij: ‘Tot het twaalfde jaar, en daarna van het zeventiende tot vijf-en-veertigste jaar (met korte onderbrekingen) in Indië geweest.’ Voor Dermoût was Indië thuis, het enige onderwerp waar zij over heeft geschreven: ‘Ik heb het verleden nogal hevig doorleefd. Daarom kan ik altijd maar over één onderwerp schrijven, – die tijd, destijds, daarginds, en nooit over een onderwerp nu en hier.’
Dermoût weet mensen, inheemse dieren, planten en dingen verleidelijk te beschrijven. Tijdens haar jarenlange verblijf in Ambon maakte ze aantekeningen die zij veertig jaar later zou gebruiken voor De tienduizend dingen. Daar was zij onder invloed van de lokale orale vertelkunst geraakt. Volgens eigen zeggen was haar belangrijkste orale inspiratiebron een inheemse naaister die bij hen aan huis kwam en op een ongeëvenaarde manier wist te vertellen. Van haar leerde zij spanning op te bouwen door te vertragen en een sfeer bijna zonder woorden voelbaar te maken. Dermoûts veelvuldige herhalingen en bezwerende opsommingen, de pauzes, de beknopte dialogen, de telkens afgebroken zinnen en haar gedachtestreepjes, puntjes en uitroeptekens midden in een zin suggereren spreektaal en het mondelinge overbrengen van een verhaal. Inspiratie vond ze ook in allerlei geschreven en gesproken overleveringen. Haar verhalen zijn collages van verzonnen en historische figuren en gebeurtenissen die ze opdiepte uit de Ambonse of Europese geschiedenis. Verheven of banaal, feit of fictie, Aziatisch of Europees, alles was bruikbaar voor de gemengde vertelstijl waarin zij Felicia vorm heeft gegeven. De Indische Mevrouw van Aart, die het nog steeds bestaande landhuis ‘Katé-Katé’ aan de binnenbaai bewoonde, was naar verluidt een andere inspiratiebron (Katé-Katé betekent ‘klein’, vandaar de tuin Kleyntjes).6 Carolina van Aart had Dermoût kennis laten maken met het werk van de zeventiende-eeuwse blind geworden natuurliefhebber Rumphius (1626–1702) die als ‘Meneer Rumphius’ in haar vertellingen opduikt. Rumphius was in dienst van de voc en had op wonderlijk mooie wijze de onooglijkste mosjes, schelpjes en kwalletjes die hij op de Molukse eilanden en in de verdronken zeetuinen eromheen vond uitgetekend en beschreven. Met hem voelde de schrijfster zich verwant.
Ondanks haar kleine oeuvre behoort Maria Dermoût, naast Hella S. Haasse, Multatuli, Louis Couperus en E. du Perron, tot de grote Indische auteurs. Haar werk oefent nog steeds grote invloed uit op Indië als lieu de mémoire. En niet in het minst is zij groots omdat zij mijn heldin heeft gecreëerd: de kortaangebonden, niet altijd even sympathieke maar altijd Indische Felicia van de thuyn Kleyntjes. Mijn heldin geeft mij, hoe imaginair ook, toegang tot ‘die tijd, destijds, daarginds’, de plek en tijd waar mijn voorouders vandaan komen en die onherroepelijk voorbij is. Maria Dermoût gaf Felicia vorm als een herinnering aan het vervlogen en toch voelbaar aanwezige Indië. Daarom is ook Dermoût mijn heldin. En, niet te vergeten, de thuyn Kleyntjes.

Uitgeverij Wereldbibliotheek

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum