Leesfragment: Bad boy

27 november 2015 , door Abdelkader Benali

Deze week verscheen Abdelkader Benali's nieuwe roman Bad Boy. Wij brengen een uitgebreid fragment. ‘En nu dit. Amir, de beroemde vechter, was ingehuurd om een verloren groep reizigers terug te vinden. In Marokko, het thuisland van zijn ouders. Een bizarre situatie, ja. Maar misschien wel toepasselijk voor de toestand waarin hij zich sowieso bevond. Alle rotzooi waarin hij terecht was gekomen. Net op het moment dat alles in bloei leek te staan, begon het te verdorren en te stinken.’

Deze nieuwe roman, die inspeelt op de in de media breed uitgemeten Badr Hari-affaire, haalt het beste in Benali naar boven: zijn levendige verbeelding, humor, speelse schrijfstijl en dat alles in een werk dat andermaal de multiculturele samenleving en de dubbele culturele identiteit van de migrant aan de orde stelt. Bad boy gaat over de transformatie van een schuchtere jongeman uit een volkswijk tot een van de meest gevreesde en geroemde boksers aller tijden, die uiteindelijk ten val komt.

 

1

Amir Salim werd drie keer geboren.
De eerste keer als vierde zoon van Fatima en Mohammed Salim.
De tweede keer als vechter op het canvas in een boksring.
En aan het begin van de zomer van 2012 kreeg hij als reisleider in Marokko zijn derde gedaante.
Amir was het zevende kind dat Fatima, dochter van Ahmed Mohammed Salim, op de wereld bracht, in de Amsterdamse Vrolikstraat, op tweehoog, op 9 december 1987 om kwart over elf in de ochtend. Het had die nacht licht gevroren. Hij was de benjamin van de familie en zou dat blijven. Drie oudere broers en drie zussen wachtten in de woonkamer de geboorte af en om de tijd te doden zetten ze guldens in op de uitkomst van het geslacht. De bevalling duurde twee uur en tweeënvijftig minuten en om het te vieren at de familie couscous met erwtjes. Vanaf de bank waar ze was gaan liggen keek de moeder hoe de kinderen de couscous soldaat maakten. De volgende ochtend serveerde zijn moeder gewoon weer het ontbijt.
Op de kleuterschool bleek Amir geen prater. In volstrekte zwijgzaamheid deed hij zijn oefeningen en spelletjes, alsof woorden de orde alleen maar konden verstoren. Zijn moeder bracht hem naar school, zijn moeder haalde hem op en elke keer vroeg ze: ‘Heb je nog wat gezegd?’ Hij schudde nee.
‘Kunnen jullie daar niks aan doen?’ zei de moeder tegen de broers. Ze probeerden hem zover te krijgen te praten door hem uit te dagen op hun grapjes in te gaan. Zonder enig resultaat. De broers gaven het op. De zussen begonnen er niet eens aan. Hij keek ze zo mysterieus aan, alsof hij van een andere wereld kwam.
‘Hij behoort tot de zwijgzame tak van de familie,’ zei de oudste broer lachend.
Soms keek zijn juf naar hem en vroeg ze zich even af of ze een leerling of een Boeddhabeeldje in de klas had. Verder dan dat gingen de zorgen niet. Men ging ervan uit dat het Amirs eigen nadrukkelijke wens was zijn kaken stijf op elkaar te houden.
Op een dag ontdekte hij het prentenboek Rupsje Nooitgenoeg, waarin een rups zich door een berg voedsel en voorwerpen heen vreet om uit te groeien tot een prachtige vlinder die de wijde wereld in fladdert. Er gebeurde iets in Amirs binnenste toen hij juf Rita uit het boek hoorde voorlezen. Betoverd door de plaatjes verslond Amir wat de juf vertelde. Wat kon dat beest eten, zeg! En wat was die vlinder mooi! Elke keer dat hij een momentje had in de klas hobbelde hij richting het boekenhoekje om Rupsje Nooitgenoeg door te bladeren.
Op een dag, na het boek voor de zoveelste keer doorgekeken te hebben, stond hij op van het rommelige leestafeltje en zei tegen juf Rita: ‘Ik ben Rupsje Nooitgenoeg.’ Dit waren de eerste Nederlandse woorden die hij sprak.
Aan het einde van de dag werden de hekjes van de kleuterschool opengezet, waarna de kinderen in de armen van hun moeders renden.
‘Rupsje Nooitgenoeg,’ riep Amir verrukt uit toen hij zijn moeder bij de rokken had vastgepakt. Zijn moeder slaakte een zucht van verlichting toen hij haar deze woorden nog een keer zei.
‘Wie bedoel je?’
‘Rupsje Nooitgenoeg.’
‘Ik weet niet wie die Rupsje Nooitnogwat is, maar wat ben ik blij dat er woorden uit komen. De naam van Allah zij geprezen dat Hij op je pad kwam, we hadden je anders misschien naar Marokko moeten sturen. We dachten echt dat je iets mankeerde.’
‘Ik ben Rupsje Nooitgenoeg,’ zei hij nog een keer.
‘Wie die Rupsje Nooitgenoeg ook is, hij verdient ons respect. Je broers moeten hem namens de familie bedanken voor de inspanningen die hij heeft verricht om je aan het praten te krijgen.’ En zo liepen ze naar huis.
Om zijn moeder een plezier te doen schreef de oudste broer een ansichtkaart.

Zeer geachte Rupsje Nooitgenoeg,
Namens mijn moeder en alle andere leden van de familie Salim wil ik u hartelijk bedanken voor de moeite die u heeft gedaan om ons broertje Amir aan het praten te krijgen. Heel erg bedankt!
De familie Salim

Toen Amir van de kleuterschool ging, kreeg hij het stukgelezen exemplaar van Rupsje Nooitgenoeg mee. Als aandenken aan zijn ontpopping.

2

Amir was niet naar Marokko gegaan om vakantie te vieren, hij was gekomen om reisleider te zijn. Zijn manager en vriend Fernandes had hem de ochtend volgend op de desastreuze nacht weten te overtuigen. ‘Ga jij dat varkentje daar maar liever wassen, vriend. Dan houd ik je hier uit de wind.’ Fernandes had gezien wat er was gebeurd, en had hem beloofd erover te zwijgen. Daar was je vrienden voor.
Nog geen week eerder was het stadion getuige geweest van een indrukwekkend machtsvertoon van de Amsterdamse k1-vechter Amir Salim; zijn eerste gevecht in Nederland sinds lange tijd en meteen een groot succes. De sportwebsites schreven, in navolging van de roddeltijdschriften, dat zijn glamoureuze vriendin Chanel hem had overgehaald weer in Nederland te vechten. Op de blogs van de vechtsportliefhebbers werd er druk gespeculeerd hoe die blonde stoot hem zover had gekregen weer te gaan vechten in Nederland, het land waar hij vandaan kwam en dat hem, vond hij zelf, niet genoeg waardeerde.
Amir deed werkelijk alles voor z’n beauty. De liefde had hem terug in Amsterdam gebracht en de liefde had hem beloond met een prachtige, snelle overwinning op een niet kinderachtige Japanner. In de ArenA, die speciaal voor zijn gevecht was opgetuigd als immense open-airboksring, had hij de ongeslagen Aziatische kampioen in de eerste ronde al met een combinatie van felle low kicks en harde stoten op de kin op de knieën gekregen. Het publiek, dat tussen de vijftig en duizend euro had neergeteld voor een kaartje, zinderde van genot. Je kon alles zeggen van Bad Boy, teleurstellen deed hij niet. Wanneer hij aanviel was dat met hartstocht en regen de meest onwaarschijnlijke combinaties van stoten met de voet en de vuist zich aaneen. Het getuigde van groot respect als je je tegenstander zo snel mogelijk onklaar wist te maken. En dat had hij gedaan. De Japanner sloeg uit dankbaarheid voor de snelle afwerking zijn armen om hem heen. Samen stonden ze in de ring te zwaaien naar de duizenden liefhebbers. Nederland had hem weer omarmd. Hij had het katoenen bandje dat hij om zijn linkerarm had met z’n tanden van zijn biceps getrokken en richting Chanel geworpen. Deze overwinning was voor haar.
En nu dit. Amir, de beroemde vechter, was ingehuurd om een verloren groep reizigers terug te vinden. In Marokko, het thuisland van zijn ouders. Een bizarre situatie, ja. Maar misschien wel toepasselijk voor de toestand waarin hij zich sowieso bevond. Alle rotzooi waarin hij terecht was gekomen. Net op het moment dat alles in bloei leek te staan, begon het te verdorren en te stinken.

Zijn vriend van de middelbare school en topadvocaat Mo had hem in het holst van de nacht afgezet op vliegveld Zaventem. Onderweg kauwde Mo nerveus op kauwgum; na elke honderd kilometer verwisselde hij het uitgekauwde stukje voor een nieuwe. ‘Je moet een paar nare gewoontetjes hebben. Voor de rest ben ik perfect,’ verontschuldigde hij zijn neurotische gedrag. Mo zag er gezond uit; de vroeg ingezette kaalheid had hij opgevat als hint om alles kort te houden. Korte, krachtige zinnen met een punchline, en een fris geschoren kaal hoofd. Ogen die wat naar elkaar toe stonden alsof ze elkaar in de gaten hielden. Het aantrekkelijke aan hem zat hem in zijn mond. Niet dicht te krijgen, maar wanneer de lippen op elkaar stonden kwam daar meteen een kwetsbare, wat hulpeloze zweem over. ‘Kan er niks aan doen, dat ik dan zo’n hulpbehoevende indruk maak. Zit in de genen.’
Mo vond het niet erg om iets harder te rijden dan nodig was. ‘Nood breekt wet, al ligt de jurisprudentie ervan nog altijd lastig,’ zei hij en moest er zelf om lachen. Om het grapje af te maken gaf hij nog een keer gas. ‘Wist je dat ik nog een tijdje taxichauffeur ben geweest in Amsterdam? Ja, dat was in die tijd toen we elkaar niet zagen. Stond ik zaterdagavond op dat helse Leidseplein; een hele avond staan wachten voor een ritje van vijfentwintig euro en dan kotsten die lallende passagiers de achterbank onder of begonnen dronken aan je kop te zaniken of je nog wat te snuiven had. En ik maar uitleggen dat ik rechten deed en dat dit strictly een bijbaantje was. Wat ze niet konden geloven. Een beetje Marokkaanse taxichauffeur dealt toch? Wat doe je anders zo laat in een dikke Mercedes in het centrum van de stad? Vooroordelen, vooroordelen.
Jij hebt een talent, Amir, en dat talent heeft ervoor gezorgd dat je nooit meer hoeft te accepteren dat iemand je voor kameel, woestijnrat of Moorse hond uitmaakt. Met dat loodzware lichaam van je vlieg je over de pijn die je anders had moeten lijden. Die meisjes die redden zich wel. Die studeren zich een punthoofd richting een baan. Maar voor ons ligt het anders. Op dat Leidseplein is het oorlog. Beveiligingsmensen die strikte opdracht hebben geen kleurlingen binnen te laten. Mensen die wegkijken als je wordt geslagen. Vrouwen die wegkijken omdat hun ouders je haten. Geen plek voor ons soort mensen. Ik heb veel bijgeleerd op dat plein. Ook autorijden. Vind je dat ik te veel praat, ouwe? Praten is beter dan zwijgen. Vertel me eens wat er gisteravond is gebeurd. Maar dan wel het hele verhaal. Als je liegt ga je naar de hel, dus wees eerlijk.’
Amir begon te vertellen. De wedstrijd. De aandacht. Het machtsgevoel. Chanel. Daarna verdwijnen in de menigte. Met haar het leven vieren. De skyboxen bezoeken van sponsors, kijken naar de feestende menigte. Het gejoel. En toen werd alles zwart.
‘Heb je een advocaat?’
‘Ik heb er meerdere. Een voor zaken, een voor de media als ze weer lasteren, een voor de verkeersboetes.’
‘Ik bedoel: heb je een echte advocaat? Een rat. Een verbaal duveltje-uit-een-doos. Een pitbull met steroïden in zijn hersenpan. Heb je iemand die op mij lijkt?’
‘Moet je Fernandes vragen. Die regelt alles. Ik vecht alleen. Trainen, eten, slapen, vechten.’
‘Fernandes is altijd goed voor je geweest. Gouden gozer. Zakelijk keihard, erg slim. En welbespraakt ook. Hij gelooft alleen iets te veel in de magische kracht van astrologie, maar goed, ieder z’n hobby toch? Zonder die man was je nog altijd slaaf gebleven van die pannenkoekenbakker, die Martin, Michael? Wat een idioot, zeg. Maar wel een slimme idioot. Was er als de kippen bij om je vast te leggen. Mooie blauwe ogen had die Martin, fijne glimlach ook. Het leven is een harde leerschool.’
Wat Mo zei klopte. Na zijn eerste successen was hij in contact gekomen met Martin Dijkgraaf. Een visserszoon die een sportschool had opgebouwd waar hij de crème de la crème van de vechtsport klaarstoomde voor lucratieve gevechten over de hele wereld. Nederland was een ideaal land voor kickboksers. Gezonde voeding, uitstekende gezondheidszorg, wat een breed aanbod aan medische begeleiding betekende, en ontzettend veel jonge, ambitieuze jongens uit vele culturen die het met elkaar uitvochten. Het lag heel erg voor de hand dat Martin hem ging promoten. Stom was alleen dat Amir een handtekening zette onder een zeer onvoordelig contract, dat hem verplichtte bij grote successen bijna tachtig procent van zijn gage af te staan. In ruil daarvoor bood Martin hem een maandelijks loon van vijftienhonderd euro netto, een gigantisch bedrag voor de jonge Amir, die met dat geld zijn hele familie blij kon maken. Pas jaren later kwam hij erachter hoe wurgend het contract was, hoeveel hij misliep. Mo was toen nog maar net aan zijn rechtenstudie begonnen, en kon niks voor hem doen. Het was Fernandes die hem bevrijdde van die palingboer Martin, door een advocaat voor hem in dienst te nemen.
‘Ik weet nog goed dat je me vertelde over Fernandes, dat hij op een sportgala naar je toe kwam en álles van je wist: wat je at, wat je woog, welke overwinningen je had behaald, wat je goede en slechte punten waren. Maar wat nog de meeste indruk had gemaakt was de wijze waarop hij dat alles zei. Alsof je voor het eerst in jaren met een normaal mens in gesprek was. Iemand die je bewonderde om wat je was, rechttoe, rechtaan.’
‘Ik heb veel te danken aan Fernandes.’
‘En eindelijk is de dag gekomen dat ik iets voor je kan betekenen. Kom, geef je nog antwoord op mijn vraag? Wil je mij als je advocaat?’
‘Je bent mijn vriend. Het wordt te persoonlijk, denk ik. Laat dit over aan mensen die afstand kunnen nemen.’
‘Afstand m’n reet. Jij hebt geen afstand nodig. Jij hebt contact nodig.’
‘Wat wil je?’
‘Je kan op me rekenen als je me nodig hebt. Daar zijn we vrienden voor. Denk erover na. Je hebt iemand nodig die voor je wil sterven. We zijn broeders.’
Mo gaf gas, en deed er verder het zwijgen toe. Amir zag dat het hem irriteerde dat hij niet onvoorwaardelijk ja had gezegd op zijn aanbod. Hij wilde hem niet meesleuren in deze shit, maar hoe ging hij dat uitleggen? Stomme lul die hij was, hij had gewoon ja moeten zeggen. Niet voor andere mensen denken.
Fernandes had een paar uur na zijn bezoek afgebeld voor de rit naar het vliegveld. Hij moest thuis wat zaken regelen. ‘Als jij weg bent, ga ik aan de slag met de media. Ik houd de bloedhonden wel op afstand. Beetje zand in de ogen strooien.’ In de auto belde Amir hem, maar hij nam niet op. Zeker druk bezig journalisten zand in de ogen te strooien.

Op Zaventem was het rustig. Mo gooide de achterklep open en gaf hem zijn tas. ‘Jij gaat lekker richting de zon, sorry voor mijn sarcasme.’ Ze omhelsden elkaar. ‘Gooi je capuchon over je hoofd,’ raadde Mo hem aan. ‘Val je minder op. Vanaf nu mag je niet meer opvallen. Want vanaf vandaag zit de hele wereld achter je aan.’
Amir was in de rij gaan staan voor de balie van Royal Air Maroc. Inchecken. Riem afdoen. Controle. Wachten. Twee keer naar de wc. Water in het gezicht. Het verzoek om in te stappen. De capuchon schermde hem af van de wereld. Er zaten geen vechtsportliefhebbers bij de marechaussee, noch bij de grondstewardessen. Alles ging vlot. Onzichtbaar worden was niet moeilijk als je iets te verbergen had.
Hij keek uit het raam. Europa lag verzonken in zijn slaap, Marokko wachtte.

 

Copyright © 2013 Abdelkader Benali

Uitgeverij De Arbeiderspers

MINDBOOKSATH : athenaeum