Leesfragment: Bovenlicht

15 juli 2013 , door José Saramago
|

Op 22 juli verschijnt Bovenlicht, de postume roman van José Saramago, in een Nederlandse vertaling van Maartje de Kort bij uitgeverij Meulenhoff. Wij publiceren voor: 'Er ging een rilling over de gebogen hoofden. De magische cirkel van licht dat neerdaalde van het plafond verenigde de vier vrouwen in hun betovering. Hun ernstige gezichten hadden de gespannen uitdrukking van hen die mysterieuze en ondoorgrondelijke riten bijwonen. De muziek, met haar hypnotische kracht, opende luiken in de geest van de vrouwen. Ze keken elkaar niet aan. Hun blik was gevestigd op hun werk, maar alleen hun handen waren daarbij aanwezig.'

 

Zomaar een ochtend in het midden van de twintigste eeuw. De zon komt op in Lissabon. Een schrijver blikt uit het raam, het lijkt een morgen als alle andere: schoenmaker Silvestre die zijn winkel opent, Adriana die op haar hakken naar kantoor vertrekt, Justina die weer een lange dag vol ruzie met haar agressieve echtgenoot voor de boeg heeft, de maîtresse Lidia, en de nostalgische Spaanse Carmen. De schrijver laat zijn ogen discreet van huis naar huis gaan, van personage naar personage. Hij toont ons grote frustraties, kleine illusies, en heimwee naar betere tijden. Dit alles onder de altijd aanwezige deken van de dictatuur en de muziek van Beethoven. Net als de dichter Pessoa vraagt de auteur zich af: ‘Moeten wij allen getrouwd, onbeduidend en dienstbaar zijn?’

In Bovenlicht weet Saramago ons op meesterlijke wijze te introduceren in zijn universum. We herkennen de heldere stem van de latere Nobelprijswinnaar en hij geeft ons een prachtig tijdsbeeld van het Lissabon van de jaren vijftig.

José Saramago schreef Bovenlicht toen hij dertig jaar oud was, maar het werd nooit eerder uitgegeven. Deze verloren gewaande roman is wereldwijd met veel aandacht in de pers onthaald. ‘Bovenlicht is de poort naar al zijn werk,’ aldus Saramago’s weduwe Pilar del Rio.

III

De laatste maten van de Marcia funebre vielen als violen op het graf van de held. Daarna een pauze. Een traan die omlaag glijdt en sterft. En dan meteen de dionysische levenslust van het scherzo, met de schaduw van de Hades er nog overheen, maar al genietend van het leven en de overwinning.
Er ging een rilling over de gebogen hoofden. De magische cirkel van licht dat neerdaalde van het plafond verenigde de vier vrouwen in hun betovering. Hun ernstige gezichten hadden de gespannen uitdrukking van hen die mysterieuze en ondoorgrondelijke riten bijwonen. De muziek, met haar hypnotische kracht, opende luiken in de geest van de vrouwen. Ze keken elkaar niet aan. Hun blik was gevestigd op hun werk, maar alleen hun handen waren daarbij aanwezig.
De muziek stroomde vrijelijk door de stilte en de stilte ontving haar op haar stomme lippen. De tijd verstreek. Als een rivier die de berg af komt, de vlakte overstroomt en zich uitstort in de zee, zo eindigde de symfonie in de diepste stilte.
Adriana strekte een arm en zette de radio uit. Een droge tik, als van een slot dat dichtvalt. Het mysterie was voorbij.
Tante Amélia keek op van haar werk. Haar gewoonlijk zo harde ogen hadden een vochtige glans. Cândida fluisterde: ‘Zo mooi!’
De verlegen, onzekere Cândida was niet erg welbespraakt, maar haar kleurloze lippen trilden zoals meisjeslippen trillen wanneer zij hun eerste liefdeskus ontvangen. Tante Amélia was niet tevreden over die classificatie: ‘Mooi? Dat zeg je van een willekeurig liedje. Dit is… dit is…’ Ze aarzelde. Het woord dat ze wilde zeggen lag haar op de tong, maar ze dacht dat ze het zou ontheiligen als ze het uitsprak. Er zijn woorden die je voor je houdt, die je niet gebruikt – omdat ze te veel betekenen voor onze oren, die moe gepraat zijn. Amélia’s trefzekere woordkeuze liet haar even in de steek.
Het was Adriana die zei, met bevende stem, alsof ze een geheim verklapte: ‘Het is prachtig, tante.’
‘Juist, Adriana, dat is het.’
Adriana richtte haar blik op de kous die ze aan het stoppen was. Een prozaïsch werkje – zoals dat van Isaura, die knoopsgaten maakte in een overhemd, zoals dat van haar moeder, die de steken van een haakwerk telde, zoals dat van tante Amélia, die de uitgaven van de dag onder elkaar zette. Werkjes voor lelijke, uitgebluste vrouwen, werkjes voor een klein leven, voor een leven met ramen zonder uitzicht. Maar de muziek was langsgekomen, de muziek die hun avondlijke metgezel was, die hen dagelijks vereerde met een vertroostend en opbeurend bezoek – en nu konden ze het hebben over schoonheid.
‘Waarom zou het zo moeilijk zijn om “prachtig” te zeggen?’ vroeg Isaura met een glimlach.
‘Ik weet het niet,’ antwoordde haar zus. ‘Maar het klopt dat het moeilijk is. Terwijl het toch niet meer moeite hoeft te kosten dan andere woorden. Het is geen moeilijk woord, twee lettergrepen… Ik begrijp het ook niet.’
Tante Amélia, nog aangeslagen door haar machteloosheid van daarnet, wilde het uitleggen: ‘Ik begrijp het wel. Het is net als met het woord God voor een gelovige. Het is een heilig woord.’
Ja. Tante Amélia zei altijd waar het op stond. Maar ze smoorde de discussie. Hiermee was alles gezegd. De stilte, een stilte zonder muziek, werd beklemmend. Cândida vroeg: ‘Is er niet nog iets anders?’
‘Nee. De rest van het programma is niet interessant,’ antwoordde Isaura.
Adriana zat te dromen, de kous lag vergeten op haar schoot. Ze moest denken aan het masker van Beethoven dat ze in de etalage van een muziekwinkel had gezien, jaren geleden al. Ze zag het nog voor zich, dat brede, krachtige gezicht, dat zelfs in het karakterloze gips geniale trekken had. Ze had een hele dag gehuild omdat ze geen geld had om het te kopen. Dat was kort voordat ze hun vader verloren. Zijn dood, de verslechtering van hun financiële situatie, de noodzaak te verhuizen – en het masker van Beethoven was nu, meer nog dan toen, een onverwerkelijke droom.
‘Adriana, waar denk je aan?’ vroeg haar zus.
Adriana glimlachte en haalde haar schouders op: ‘Och, onzin.’
‘Had je een vervelende dag?’
‘Nee, hoor. Het was gewoon zoals altijd: facturen in, facturen uit, debet en credit, met andermans geld…’
Ze lachten allebei. Tante Amélia maakte haar sommen af en stelde een vraag: ‘Is er nooit eens sprake van een loonsverhoging?’
Weer haalde Adriana haar schouders op. Die vraag hoorde ze niet graag. Dan kreeg ze het idee dat ze vonden dat ze maar weinig verdiende en dat kwetste haar. Ze antwoordde kortaf: ‘Ze zeggen dat het slappe tijden zijn…’
‘Het is altijd hetzelfde verhaal. Veel voor sommigen, weinig voor anderen en voor nog weer anderen niets! Wanneer leren die lui dat ze moeten betalen wat je nodig hebt om van te leven?’
Adriana zuchtte. Tante Amélia was onmogelijk zodra het over geldzaken, bazen en werknemers ging. Het was geen afgunst, maar ze wond zich op over de verspilling in de wereld, terwijl miljoenen mensen een miserabel bestaan leidden en hongerleden. Bij hen thuis was het geen misère, bij elke maaltijd kwam er eten op tafel, maar ze voelden de beperkingen van een budget dat al het overbodige uitsloot, zelfs de noodzakelijke overbodigheid die het mensenleven uittilt boven een dierlijk bestaan. Tante Amélia hield aan: ‘Je kunt het er best een keer over hebben, Adriana. Je werkt daar al twee jaar en je salaris is amper genoeg voor de tram.’
‘Maar tante, wat moet ik dan doen?’
‘Wat je moet doen? Vooral mij zo aankijken, met van die grote ogen!’
Die opmerking was een klap in haar gezicht. Isaura keek haar tante streng aan: ‘Tante!’
Amélia draaide zich naar haar toe. Daarna keek ze naar Adriana.
‘Sorry,’ zei ze. Ze stond op en liep de kamer uit. Adriana stond ook op. Haar moeder beduidde haar dat ze weer moest gaan zitten: ‘Stil maar, kindje. Je weet dat zij de boodschappen doet. Ze doet wat ze kan om uit te komen met het geld en dat lukt niet. Jullie verdienen, jullie werken, maar zij, ocharm, is degene die tobt. Ik ben de enige die dat weet.’
Tante Amélia verscheen in de deuropening. Ze leek geëmotioneerd, maar haar stem was er niet minder bars om, of bleef het daardoor misschien juist: ‘Willen jullie koffie?’
(Net als vroeger… Koffie! Graag, tante Amélia, koffie! Kom hier zitten, bij ons, zo, met dat gezicht van steen en dat hart van was. Drink een kop koffie. En morgen past u uw sommen aan, u bedenkt inkomsten, schrapt uitgaven, schrapt zelfs deze kop koffie, deze nodeloze kop koffie!)
Het avondlijk samenzijn werd hervat, taaier en stiller nu. Twee oude vrouwen en twee jongere, die hun meisjestijd al achter zich hadden liggen. Het verleden om aan terug te denken, het heden om te leven, de toekomst om te vrezen.
Tegen middernacht betrad de slaap de kamer. Af en toe een geeuw. Cândida opperde (de suggestie kwam altijd van haar): ‘Zullen we maar eens naar bed gaan?’
Ze stonden op, met het geluid van stoelen die achteruit werden geschoven. Zoals gewoonlijk bleef alleen Adriana nog even zitten, om de anderen de tijd te geven. Daarna ruimde ze haar naaiwerk op en ging ze naar de slaapkamer. Haar zus lag te lezen. Zij haalde een sleutelbos uit haar tas en opende een lade van de ladekast. Met een kleinere sleutel opende ze een kistje en daar haalde ze een dik schrift uit. Isaura keek over de rand van haar boek en lachte: ‘Daar hebben we het dagboek! Ik zal toch eens een keer kijken wat je allemaal in dat schrift schrijft.’
‘Dat is verboden!’ antwoordde haar zus vinnig.
‘Kom, maak je niet druk…’
‘Soms krijg ik zin om het je te laten zien, zodat je jezelf niet zo hoeft te herhalen!’
‘Vind je me vervelend?’
‘Nee, maar je kunt ook wel eens je mond houden. Ik vind het echt niet leuk dat je altijd zulke dingen zegt. Of heb ik soms niet het recht om wat van mij is voor mezelf te houden?’
Adriana’s ogen achter de dikke glazen fonkelden van ergernis. Met het schrift tegen haar borst geklemd trotseerde ze de ironische glimlach van haar zus. ‘Jawel, hoor,’ zei Isaura. ‘Ga jij nou maar schrijven. Er komt vanzelf een dag dat je me je schrift laat lezen.’
‘Dan kun je lang wachten,’ antwoordde Adriana.
En ze liep de kamer uit. Isaura maakte het zich comfortabel onder de dekens, legde het boek in een goede hoek om te lezen en vergat haar zus. Die liep langs de al donkere slaapkamer van haar moeder en haar tante naar de badkamer en sloot zich daar op. Alleen op die plek, veilig voor de nieuwsgierigheid van haar familie, kon ze op haar gemak haar indrukken van de dag in het schrift noteren. Ze was haar dagboek begonnen kort nadat ze was gaan werken en ze had al tientallen bladzijden volgeschreven. Ze schudde haar vulpen en begon: ‘Woensdag, 19 maart 1952, vijf minuten voor middernacht. Tante Amélia was vandaag zo chagrijnig. Ik heb er een hekel aan als ze tegen me zeggen dat ik weinig verdien. Dat voel ik als een belediging. Het scheelde niet veel of ik had haar geantwoord dat ik meer verdien dan zij. Maar ik had al spijt voordat ik het gezegd had en dat is maar goed ook. Die arme tante Amélia… Mama zegt dat ze zich een ongeluk rekent. Dat geloof ik wel. Hetzelfde geldt voor mij. Vanavond hebben we geluisterd naar de derde symfonie van Beethoven. Mama zei dat het mooi was, ik zei dat het prachtig was en tante Amélia was het met mij eens. Ik hou van tante. Ik hou van mama. Ik hou van Isaura. Maar wat zij niet weten is dat ik niet aan de symfonie of aan Beethoven dacht, ik bedoel, dat was niet het enige waar ik aan dacht… Ik dacht ook… Ik moest ineens weer denken aan het masker van Beethoven dat ik zo graag had willen hebben… Maar ik dacht ook aan “hem”. Vandaag ben ik blij. Hij heeft goed tegen me gepraat. Toen hij me de facturen gaf die ik moest controleren, raakte hij met zijn rechterhand mijn schouder aan. Dat was heerlijk! Inwendig trilde ik van top tot teen en ik voelde dat ik bloosde tot achter mijn oren. Ik moest mijn hoofd buigen, anders had iedereen het gezien. Daarna gebeurde er iets vervelends. Hij dacht dat ik het niet hoorde en begon tegen Sarmento over een blond meisje. Ik huilde niet, want dat zou gek staan en verdacht zijn. Hij heeft zich een paar maanden vermaakt met dat meisje en haar toen laten zitten. Mijn hemel, zou hij dat met mij ook doen? Maar goed dat hij niet weet dat ik hem leuk vind. Hij zou me nog voor schut kunnen zetten. Dan zou ik me van kant maken!’
Hier stopte ze even, bijtend op haar pen. Eerst schreef ze dat ze blij was en nu had ze het al over zichzelf van kant maken. Dat was niet goed, vond ze. Ze dacht even na en besloot met deze zin: ‘Ik vond het zo fijn dat hij mijn schouder aanraakte!’
Zo was het beter. Ze eindigde zoals het hoorde, met iets hoopvols, een vrolijke noot. Volgens haar was het nergens voor nodig helemaal eerlijk te zijn in haar dagboek als de gebeurtenissen van de dag haar moedeloos of treurig stemden. Ze las nog eens over wat ze had geschreven en deed het schrift dicht.
Ze had haar nachthemd meegenomen uit de slaapkamer, een hoog sluitend, wit hemd, geen decolleté, met lange mouwen, want de nachten waren nog fris. Snel kleedde ze zich uit. Haar onelegante lichaam, bevrijd van de knellende kleding, kwam los en werd zwaarder, vormelozer. De bh sneed op haar rug in het vlees. Toen ze hem afdeed, had ze een rode streep rondom, als de striem van een zweep. Ze trok haar nachthemd aan, maakte zich gereed voor de nacht en ging naar de slaapkamer.
Isaura lag nog steeds te lezen. Haar vrije arm had ze om haar hoofd gelegd; in die houding waren haar donkere oksel en de aanzet van haar borst zichtbaar. Ze werd zo in beslag genomen door haar lectuur dat ze zich niet eens verroerde toen haar zus in bed stapte.
‘Het is al laat, Isaura. Leg nou weg,’ fluisterde Adriana.
‘Bijna!’ antwoordde ze ongeduldig. ‘Kan ik er wat aan doen dat jij niet van lezen houdt?’
Adriana haalde haar schouders op, met een beweging die typerend was voor haar. Ze draaide haar zus haar rug toe, trok de dekens hoog op, zodat het licht niet in haar ogen scheen, en sliep algauw.
Isaura las door. Ze moest het boek vanavond uitlezen, want de uitleentermijn verstreek morgen. Het liep tegen enen toen ze de slotwoorden las. Haar ogen brandden en haar brein werkte op volle toeren. Ze legde het boek op haar nachtkastje en deed het licht uit. Haar zus sliep al. Ze hoorde haar gelijkmatige, regelmatige ademhaling en maakte een geërgerde beweging. Voor haar gevoel was Adriana van ijs – en dat dagboek iets kinderachtigs om te doen alsof ze geheimen had in haar leven. Flauw licht van een straatlantaarn drong door in de slaapkamer. In het donker hoorde ze een insect knagen in het hout. Uit de aangrenzende slaapkamer kwam gedempt gepraat: tante Amélia droomde hardop.
Het hele gebouw sliep. Isaura lag met haar handen achter haar hoofd in het donker te kijken en dacht na.

Oorspronkelijke titel: Claraboia
© 2011 José Saramago & Editorial Caminho, S.A., Lisboa
By arrangement with Literarische Agentur Mertin Inh.,
Nicole Witte. K., Frankfurt am Main.
© 2013 Voor de Nederlandse taal Maartje de Kort
en Meulenhoff Boekerij bv, Amsterdam

Uitgeverij Meulenhoff

MINDBOOKSATH : athenaeum