Leesfragment: De beslissing

27 november 2015 , door Britta Böhler

22 augustus verschijnt De beslissing, het romandebuut van advocate Britta Böhler. Wij publiceren voor: 'Ziek van de zorgen was hij na de huiszoeking. De SA zou vast terugkomen, en bij de tweede keer zouden ze grondiger zoeken. Ze zouden de schriften vinden en naar Berlijn sturen. En dat was nog niet alles, daarna zouden ze ze zeker publiceren. Vol leedvermaak zouden zijn geheimste gevoelens en gedachten in de schijnwerpers komen te staan. Wat zouden die ellendige honden in hun handen wrijven bij het schandaal over zijn bekentenissen! Zijn naam, zijn reputatie besmeurd en bezoedeld, zijn leven voor altijd geruïneerd.'

Zürich, 1936. Wat een teleurstelling, de hoofdredacteur was er niet! Hij moest zijn open brief aan diens assistent overhandigen. Als Thomas Mann het gebouw van de Neue Zürcher Zeitung verlaat, beginnen ernstige twijfels hem te plagen. Was zijn aanklacht niet te onbezonnen, te voorbarig? Wat als die brief verkeerd uitpakt?

Zijn boeken zullen verboden en misschien zelfs verbrand worden, de Gestapo zal zijn Joodse uitgever in Berlijn nog meer onder druk zetten, zijn huis in München zorgvuldig doorzoeken en manuscripten en zijn archief in beslag nemen. Britta Böhler beschrijft in De beslissing drie cruciale dagen uit het leven van Thomas Mann.

Britta Böhler (Freiburg, 1960) is een Nederlandse advocate van Duitse afkomst. Ze studeerde rechten, filosofie en politieke wetenschappen, en speelde een rol in enkele van de meest spraakmakende rechtszaken van de afgelopen decennia. Böhler verdedigde o.a. PKK-leider Öcalan, de moordenaar van Pim Fortuyn en leden van de Hofstadgroep. Ook trad zij op voor Ayaan Hirsi Ali. Van 2007 tot 2011 was Böhler lid van de Eerste Kamer, en sinds 2012 is ze bijzonder hoogleraar Advocatuur aan de Universiteit van Amsterdam. Samen met Rodney Bolt schreef zij onder het pseudoniem Britta Bolt de thriller Heldhaftig, waarin de auteurs ‘subtiel de problemen van vandaag blootleggen’ (Vrij Nederland). De vertaalrechten van De beslissing zijn al verkocht aan uitgevers in Duitsland, Frankrijk en Israël.

Vrijdagnacht

Intermezzo con brio
1

Verstijfd van schrik en badend in het zweet wordt hij wakker, zijn hart is op hol geslagen. Om hem heen is het donker, hij sluit zijn ogen en opent ze weer. Hij kan niets zien, een paar tellen lang is hij volkomen blind. Dan herkent hij de omtrek van het raam en weet weer waar hij is. Küsnacht. In zijn slaapkamer. Hij voelt het zachte laken, de zijden deken. Alles is in orde, het was maar een droom. Inademen, uitademen, inademen, uitademen. En het razen van zijn hart neemt geleidelijk af.
Hij knipt het bedlampje aan en kijkt op de klok op het nachtkastje, het is halftwee. Hij probeert overeind te komen, het kost moeite, hij trilt en zijn spieren willen hem niet gehoorzamen. Hij veegt met de rug van zijn hand over zijn ogen alsof hij de droombeelden wil wegwissen. Al bijna drie jaar steeds opnieuw dezelfde helse droom.
Een soiree, een feestelijk versierde balzaal, kroonluchters en kaarsen, een orkest speelt dansmuziek. Heren in rok en dames met juwelen in het haar en gehuld in kostbare avondjaponnen, ze drinken champagne en lachen. Ze staan rond een grote, witgedekte tafel. Midden op de tafel ligt iets. Hij kan het niet goed zien, maar hij weet dat het zijn dagboek is.
Een vrouwenfiguur in een lang Grieks gewaad stapt uit het gezelschap naar voren. Ze heeft een lier in haar hand en zingt. Hij kan haar gezicht niet onderscheiden, hij moet zich inspannen, hij weet niet waarom, maar het is van belang dat hij haar gezicht ziet, maar hij slaagt er niet in. De massa lacht. De vrouwenfiguur verandert in een skelet, de knoken schijnen door het gewaad, haar gezicht is een doodshoofd. Het gelach wordt steeds luider, de massa dringt zich rond hem op, ze duwen hem heen en weer en roepen zijn naam. Ze schelden hem uit voor bedrieger, charlatan en nog erger, hij hoort het hoongelach angstaanjagend en hol door de grote zaal galmen.
Hij staat op en opent het raam. Vanaf de straat komt het motorgeluid van de nachtelijke vuilniswagen. In Zwitserland zijn ze schoon en ordelijk. Het is zo koud dat zijn adem zichtbaar is, maar hij blijft roerloos staan totdat hij huivert van de kou. Pas dan sluit hij het raam en trekt zijn kamerjas aan.
Natuurlijk is het zijn eigen schuld. Hij had werkelijk álles aan die schriften toevertrouwd. Alle intieme en verborgen dingen die hij zelfs Katja niet vertelt. In de dagboeken bestaan geen geheimen, hij schrijft op wat hij tegen niemand kan zeggen.
Kostbare herinneringen. Badende jongemannen in Venetië, slank en gebruind, en jonge kerels op het veld tijdens de vakantie in Nidden, met ontblote bovenlichamen die glanzen van het zweet. Een jonge kelner in Wenen, met bruine ogen en krulhaar. En Klaus Heuser, de zoon van de Düsseldorfse academiehoogleraar, destijds op Sylt.
Nauwelijks ouder dan een knaap was hij geweest, hij liep met Medi op zijn schouders de zee in, zijn blonde lokken verwaaid door de wind. Medi juichte en gooide haar armen in de lucht. Klaus, die na het zwemmen vlakbij op een handdoek zat en zijn haar droog wreef, waarbij de druppeltjes alle kanten op vlogen. Wat was die jongen mooi! Hij kon zijn ogen niet van hem af houden.
Wat hij later wilde worden, had hij hem gevraagd. Hij wist het nog niet precies, was zijn antwoord. Iets in de handel misschien, hij wilde reizen en de wereld zien.
Veel te snel waren de vakantiedagen voorbij. Hij kon de jongen nog niet laten gaan, de gedachte hem nooit terug te zien was ondraaglijk. Hij liet alle voorzichtigheid varen en nodigde hem uit bij hen in München te komen logeren. En Klaus nam de uitnodiging aan.
Een week was de jongeman bij hen gebleven, ze waren niet vaak alleen, maar soms zaten ze met z’n tweeën in de werkkamer of gingen ze samen wandelen. Toen bij het afscheid de kus. De eerste en enige. Klaus’ tranen, zijn stem, heel zacht en half verstikt, die zei dat hij hem erg zou missen.
Dat alles en nog meer had hij in het dagboek opgeschreven. Geen levensgebouw zonder Blauwbaardkamer. Al het zinnelijke verbergen, zichzelf een houding geven, het zelfgekozen korset van zijn leven. En opeens stond dat allemaal ter discussie.
Hij had de schriften in een afgesloten kast in zijn werkkamer in München bewaard en droeg de sleutel bij zich, maar hij nam de schriften nooit mee als hij op reis ging. Ook niet op de reis naar Arosa drie jaar geleden. Waarom ook?
Ziek van de zorgen was hij na de huiszoeking. De SA zou vast terugkomen, en bij de tweede keer zouden ze grondiger zoeken. Ze zouden de schriften vinden en naar Berlijn sturen. En dat was nog niet alles, daarna zouden ze ze zeker publiceren. Vol leedvermaak zouden zijn geheimste gevoelens en gedachten in de schijnwerpers komen te staan. Wat zouden die ellendige honden in hun handen wrijven bij het schandaal over zijn bekentenissen! Zijn naam, zijn reputatie besmeurd en bezoedeld, zijn leven voor altijd geruïneerd. Voor het eerst sinds hij weg was uit Duitsland was hij werkelijk bang.
Hij had zichzelf verwijten gemaakt: Waarom had hij de dagboeken niet allemaal al jaren geleden verbrand? Wat stom en zorgeloos van hem! Hij wist zich geen raad, zag geen enkele uitweg. Nachtenlang lag hij wakker, elke ochtend verwachtte hij dat het onvoorstelbare zou gebeuren. Katja merkte dat hij niet meer sliep en nauwelijks nog at. Ze wilde weten waarover hij zich zoveel zorgen maakte. De dagboeken, zei hij. Er kon iets verschrikkelijks, iets dodelijks zelfs gebeuren als ze werden gevonden. Ze keek hem alleen aan en vroeg niet wat er dan precies in stond.
Week na week verging, er gebeurde niets, maar zijn angst werd steeds groter. Hij moest die schriften terug hebben, tot elke prijs. Maar hoe moest hij dat voor elkaar krijgen? Zelf kon hij onmogelijk teruggaan. Na weken aarzelen en weifelen raapte hij eindelijk al zijn moed bijeen en gaf Golo opdracht de dagboeken uit het huis in München te halen en naar Zwitserland te sturen. ‘Ik reken op je discretie,’ schreef hij aan zijn zoon toen hij hem de sleutel van de kast deed toekomen, ‘en ga ervan uit dat je die schriften niet leest.’
Wat een gelukkig toeval dat juist Golo nog in München was. Golo zou zich aan zijn instructies houden, dat wist hij zeker. Hij was een beetje saai, die middelste zoon, hij sprong er niet uit zoals Klaus en Erika, maar hij was betrouwbaar en eerlijk en hij zou zijn vader niet durven bedriegen.
Hij verstuurde de brief, er verstreek weer een week en toen liet Golo hem telefonisch weten dat hij de dagboeken uit de kast had gehaald en ze in een koffer naar het station had gebracht. Hij dacht opgelucht te kunnen ademhalen, maar de zorgen vanwege die vermaledijde schriften waren nog niet ten einde: de koffer arriveerde maar niet. Wekenlang wachtte hij en weer raakte hij buiten zichzelf van angst en zorgen. Hij was ervan overtuigd dat de koffer in beslag was genomen en zag de schriften al in handen van de politieke politie en onderweg naar Berlijn.
Maar in mei, meer dan een maand na Golo’s telefoontje, dook de koffer alsnog op. Op een ochtend stond hij opeens in hun hotelkamer in Lugano. Zijn hart stond bijna stil toen hij zag dat het slot beschadigd was. Zijn knieën knikten, hij had nauwelijks de kracht de koffer te openen. Maar er ontbrak niets, alle dagboeken zaten erin. Weliswaar door elkaar gewoeld, maar onbeschadigd en volledig. Hij kon zijn geluk niet op, hij was weer ontsnapt.
Later hoorde hij dat Hans, de chauffeur in München – de ellendige, gemene verklikker! – gezien had hoe Golo met de koffer op weg was gegaan naar het station. Hans was naar het Bruine Huis gerend en had hem aangegeven. De hemel mag weten wat die vent de nazi’s had verteld, waarschijnlijk dacht Hans dat Golo waardevolle voorwerpen het land uit wilde smokkelen. De politie in Lindau had de koffer vervolgens in beslag genomen en doorzocht, maar ze hadden de schriften waarschijnlijk aangezien voor manuscripten of notities voor een roman.
Hij gaat in zijn kamerjas op het bed zitten om direct weer op te staan. Hij neemt een rode capsule in en wacht een paar minuten. Maar de tablet werkt niet. Hij is nog steeds klaarwakker. Een tweede wil hij niet innemen, hij heeft dat een keer geprobeerd en het was hem niet goed bekomen. Hij is zo zenuwachtig dat hij niet stil kan zitten. Zijn hoofd gloeit, zijn maag speelt weer op. Misschien zou kamillethee helpen?
Hij staat op en loopt naar Katja’s kamer. Op de tast gaat hij in het donker naar haar bed en knipt het bedlampje aan. Katja slaapt vast en diep, hij moet haar naam een paar keer hardop zeggen en aan haar schouder schudden voordat ze wakker wordt. Katja wrijft haar ogen uit.
‘Je ziet er verschrikkelijk uit,’ mompelt ze. Haar stem is nog dieper dan anders, zwaar en slaapdronken. Ze komt overeind. ‘Wat is er aan de hand? Heb je weer over die stomme dagboeken gedroomd?’ Hij knikt. Hij wil iets zeggen, maar krijgt geen woord over zijn lippen. Katja schudt haar hoofd en geeuwt.
‘Zal ik kamillethee voor je maken?’ vraagt ze. Hij knikt weer. Katja staat op en trekt haar pantoffels aan. Hij blijft op haar bed zitten terwijl zij naar de keuken beneden gaat.

2

Hij ijsbeert door zijn slaapkamer. De thee heeft hem een beetje gekalmeerd, maar moe is hij nog steeds niet. Naar bed gaan heeft geen zin, hij zou toch niet kunnen slapen. Hij gaat in de stoel bij het raam zitten en masseert zijn pijnlijke benen.
Wat is er toch met hem aan de hand? De droom was verschrikkelijk, zeker, en het is ook niet de eerste keer dat hij daarna moeite heeft om weer in slaap te komen. Maar die onrust in zijn benen, de krampen in zijn maag, zijn gloeiende hoofd – dat komt niet alleen door de nachtmerrie. Hij schudt zijn hoofd. Waarom zou hij zichzelf voor de gek houden? De brief is de zaak waarmee hij in zijn maag zit en die hem uit de slaap houdt. Dom en onbezonnen was het dat hij zich zo heeft laten meeslepen. De dreigementen van Erika, de provocatie van Korrodi – hij heeft zich door hen laten overrompelen. Maar de consequenties van de brief moet híj, en hij alleen dragen.
Wat kan hem de politiek eigenlijk schelen? Als hij zich in het wereldgebeuren had willen mengen, zou hij het Politikum hebben geschreven zoals hij twee jaar geleden van plan was geweest.
Wekenlang had hij notities gemaakt, materiaal verzameld en uittreksels samengesteld. En alles meegenomen naar Amerika, genoeg werk voor de lange overtocht en het verblijf daar. In plaats daarvan was het een zeereis met Don Quichot geworden. Een aardig klein essay, lichtvoetig en humoristisch. Dat ligt hem beter, het past niet bij zijn karakter zich door haat te laten verteren.
En heeft Duitsland bovendien niet altijd ook de zwaarste crises overwonnen? De Grote Oorlog, de revolutie – dat waren ook afschuwelijke tijden en toch is Duitsland niet ten onder gegaan. Zijn land zal zeker ook deze nieuwe crisis te boven komen, het is alleen een kwestie van tijd. Intussen moet hij volharden, afwachten en geduld hebben.
Zijn gedachten draaien in een kringetje rond – de dagboeken, de brief, Duitsland. Hoe moet hij orde brengen in die chaos? Hij trekt zijn kamerjas uit en gaat in bed liggen, de onrust in zijn benen is eindelijk een beetje geweken.
Nee, hij kan en mag Duitsland niet definitief vaarwel zeggen. Hij moet een andere weg vinden. Hij is te snel overgegaan tot het schrijven van de brief, er staat te veel op het spel voor een overhaaste beslissing. Hij moet zich meer tijd gunnen, alles nog eens in alle rust overdenken. De brief is nog niet verschenen.
Morgenvroeg zal hij meteen Korrodi bellen en zeggen dat hij de brief toch nog niet mag publiceren. Hij zal hem om bedenktijd vragen. Hij doet het licht uit. Ja, dat zal hij doen. Met die geruststellende gedachte valt hij eindelijk weer in slaap.

[...]

 

Meer lezen? Op http://www.debeslissing.nl/ is, naast een ander fragment, meer informatie te vinden over het boek en de schrijfster.

Oorspronkelijke titel Die Entscheidung/De beslissing
© 2013 Britta Böhler
en Uitgeverij Cossee bv, Amsterdam
Nederlandstalige versie © 2013 Britta Böhler i.s.m.
Nelleke van Maaren en Uitgeverij Cossee bv, Amsterdam

Utgeverij Cossee

MINDBOOKSATH : athenaeum