Leesfragment: De corrector

27 november 2015 , door Ricardo Menéndez Salmón

7 februari verschijnt de nieuwe roman van Ricardo Menéndez Salmón, De corrector (El corrector, vertaald door Bart Peperkamp). Wij publiceren voor. 'Toen de eerste trein de lucht in vloog en over onze kleine en heldhaftige levens een vloed van bloed, razernij en angst uitstortte, zat ik aan mijn oude tafel van Australisch essenhout en corrigeerde een eerste drukproef van Duivels van Fjodor Dostojevski.
Ik heet Vladimir – in zijn jeugd dweepte mijn vader met de Russische Revolutie – en ik ben corrector.'

Madrid wordt opgeschrikt door een reeks bomaanslagen. Om politiek gewin reageert de regering in eerste instantie met leugens en verdraaiing van de feiten op de gruweldaad van de extremistische moslims. Dit wekt de woede van Vladimir, een teruggetrokken jongeman die werkt aan een nieuwe vertaling van Dostojevski’s Boze geesten. Het is alsof hem de schellen van de ogen vallen: hij ontdekt welke zaken in een mensenleven werkelijk van waarde zijn.

‘Er zijn schrijvers die het verdienen eeuwig gelezen te worden. Ricardo Menéndez Salmón is een van hen.’ – Estremadura

Op 11 maart 2004 werd Madrid getroffen door een reeks terreuraanslagen waarbij een groot aantal slachtoffers viel. Ricardo Menéndez Salmón heeft deze ingrijpende gebeurtenis gebruikt in De corrector, het sluitstuk van zijn trilogie over het Kwaad. In deze drie boeken benadert hij het onderwerp vanuit de vraag in welke mate het Kwaad in ieder mens werkzaam is, en hoe men erop reageert. De corrector is het relaas van wat de aanslagen in Madrid op het emotionele vlak losmaakten en van wat er gebeurde in het publieke domein, het terrein van de politiek.

Wij bespraken eerder Menéndez Salmóns voor de Europese Literatuurprijs genomineerde roman De schending.

 

I

Toen de eerste trein de lucht in vloog en over onze kleine en heldhaftige levens een vloed van bloed, razernij en angst uitstortte, zat ik aan mijn oude tafel van Australisch essenhout en corrigeerde een eerste drukproef van Duivels van Fjodor Dostojevski.
Ik heet Vladimir – in zijn jeugd dweepte mijn vader met de Russische Revolutie – en ik ben corrector. En ik zou durven zeggen dat Fjodor Dostojevski mijn lievelingsschrijver is. (Misschien had ik tien jaar geleden, toen ik vijfentwintig was, gezegd dat mijn lievelingsschrijver Albert Camus was, en waarschijnlijk zal ik over nog eens tien jaar, wanneer ik vijfenveertig ben, een voorkeur hebben voor Stendhal of Plato.)
Daar zat ik dus – om 07:37 uur op donderdag 11 maart 2004, uitgerust, net na mijn ontbijt, bij een prachtig winterlicht dat als een speer van ijzel door het raam viel – een drukproef te lezen in twaalfpunts Bembo letters, waarin Aleksej Kirillov aan Pjotr Verchovenski toevertrouwt dat angst een vloek is voor de mens, toen de eerste trein door de lucht vloog en onze klokken plotseling op nul kwamen staan.
Het is waar dat vandaag de dag, nu er sindsdien zoveel gebeurd is en veel van die emoties gefilterd zijn door de zeef van de bezinning, alles minder verward, eenvoudiger te begrijpen lijkt; maar gedurende de uren waar dit verslag over gaat voelden wij allen die daar waren (en ik denk dat we allemaal, op de een of andere manier, daar waren) dat er een eind was gekomen aan de goede tijden.
Natuurlijk lopen de goede tijden al sinds heel wat lentes ten einde, en geregeld, alsof we zo nodig de scherpzinnige gedachte moeten bevestigen die Aleksej Kirillov aan Pjotr Verchovenski aan het uiteenzetten was toen de eerste bommen het staal van de treinen in gloeiende lava veranderden en de beenderen van de mensen verpulverden; natuurlijk, zeg ik, voelen we geregeld de behoefte om elkaar iets aan te doen, iets wat ons volkomen duidelijk maakt dat op een goede dag alles zomaar naar de verdoemenis zal gaan.
Wij, mensen, zonder uitzondering, of we nu zwart zijn of wit, gelukkig of bedroefd, intelligent of dom, zijn zo: we zwaaien met vlaggen die anderen haten, aanbidden goden die onze buren krenken, omringen ons met wetten die degenen die ons omringen beledigen. Het gevolg valt makkelijk te bedenken: af en toe, of de zon nu schijnt of dat het sneeuwt, in een democratie of onder de bescherming van een of andere fascist die vermomd is als belastinginspecteur, vliegen we vliegtuigen te pletter tegen wolkenkrabbers, bombarderen we straatarme landen en raken we betrokken bij kruistochten die even wreed als onrechtvaardig zijn.
Toen de telefoon ging, om ongeveer 08:50 uur, had ik de briljante, onstuimige bladzijden achter me gelaten waarop Aleksej Kirillov de redenen voor zijn ophanden zijnde zelfmoord onderbouwt, en maakte ik aanstalten om mijn eerste sigaret van die dag op te steken. Uiteraard wist ik toen nog van niets, en pas a posteriori ben ik, met behulp van mijn literaire bagage en mijn aanleg voor fictie, in staat geweest om in artistieke zin vorm te geven aan die eerste indruk die ik in feite pas gewaarwerd zeventig of tachtig minuten na het ogenblik waarop de eerste trein de lucht van Madrid doordrenkte met de stank van ingewanden.
‘Heb je het al gehoord?’
De stem die me het nieuws bracht, die morgen, zei zelfs geen goedendag tegen me. Ik begreep onmiddellijk dat er iets ernstigs aan de hand was. Want een uitgever belt je op een donderdag om 08:50 uur alleen wanneer diezelfde nacht, naast hem in zijn bed, een erg groot probleem heeft geslapen. Dus gunde ik mezelf een paar seconden respijt voordat ik het hoofd bood aan het monster, stak mijn sigaret aan, bracht mijn Faber Castell-potlood in stelling om een bedenkelijk en ongrammaticaal gebruikt ‘van welke’, die de vertaler van Fjodor Dostojevski erdoorheen had laten glippen, te voorzien van een ‘schrappen’ en stelde me Uribesalgo voor met zijn opgetrokken linkerwenkbrauw, alsof hij een Engelse butler was, gehuld in zijn eeuwige corduroy broek en zuigend op een van die pepermuntjes waarmee hij, tevergeefs, zijn slechte adem probeert te bestrijden.
‘Hallo, Uribe,’ antwoordde ik ten slotte beleefd, de vertrouwelijke vorm van zijn naam gebruikend. ‘Hoe gaat het met je? Is er iets?’
‘Of er iets is?’ zei Uribesalgo toen.
Ik geef toe dat op dat ogenblik een stekende en heftige kramp door mijn rug trok, want als ik ergens zeker van ben is het dat ik aan de toon van zijn stem heel goed kan horen wanneer Uribesalgo zonder reden in paniek raakt en wanneer hij echt ongerust is. En die morgen, toen Uribesalgo zei ‘Of er iets is?’, hield mijn intuïtie op alleen maar intuïtie te zijn en begreep ik duidelijk, zonder ook maar een spoor van twijfel, even duidelijk als bijvoorbeeld een corrector begrijpt dat Fjodor Dostojevski een genie is en Hermann Hesse een vreselijke zeur, dat er echt iets ernstigs was gebeurd.
Ik heb niet graag contact met iemand via de telefoon. (Feitelijk heb ik via geen enkel communicatiemiddel graag contact met iemand; ik ben een verstokte misantroop.) Misschien krijg je dat als je zo omgeven bent door boeken, zo intensief leeft door middel van het geschreven woord, en bewondert wat anderen vijftig, honderd of zelfs vijfentwintighonderd jaar geleden hebben geschreven. Bovendien is Uribesalgo een erg opgewonden standje, iemand die geen rust in zijn kont heeft, en als je hem aan de telefoon hebt lijkt het altijd net of hij je staat uit te foeteren of op het punt staat dat te gaan doen, zodat het mijn bedoeling was hem een tijdje te laten praten, hem gratis en als vriend een goede raad te geven en dan zomaar op te hangen.
Maar dat kon ik niet. Niet toen hij me vertelde wat er gebeurd was.
‘Er zijn enkele treinen de lucht in gevlogen.’
Vanuit mijn huis kun je de zee niet zien, maar op dagen waarop er een harde noordoostenwind staat, wanneer de in mijn stad meest geliefde wind het strand geselt en de zeemeeuwen onafgebroken krijsen, kun je de Atlantische Oceaan in de kamers ruiken. Dat is een even mooie gewaarwording als een kind te horen lachen.
Op 11 maart 2004, toen Uribesalgo die zin uitsprak en ik opstond om het raam van mijn werkkamer open te zetten, kwam de zee mijn huis binnen.
‘In Madrid,’ zei Uribesalgo. ‘Twee op het station van Atocha, een in Santa Eugenia en...’ – hier aarzelde zijn stem en ik stelde me voor hoe hij een bericht op teletekst probeerde te ontcijferen of op de tweede lijn een telefoontje van een collega opnam. ‘En nog een in El Pozo del Tío Raimundo. Vier treinen, Vlad. Vier.’
Tegenover mijn huis, op een van de balkons waar ik iedere morgen naar kijk wanneer ik bij het raam ga staan, gaf een buurman met een gele plastic tuinslang een reusachtige ficus water. Mijn buurman liep heen en weer over zijn kleine stukje balkon, twee stappen de ene kant op en twee naar de andere kant, met een pet van de Minardistal op zijn hoofd en een paar espartosandalen aan zijn voeten, als een allegorie van de onverstoorbaarheid, een daguerreotype die onmogelijk te rijmen viel met het nieuws dat Uribesalgo me zojuist had meegedeeld.
‘Vlad. Ben je daar nog, Vlad? Hoor je wel wat ik je net heb verteld?’
Toen keek mijn buurman naar me en maakte met zijn vrije hand een vaag gebaar, alsof hij een groet wilde schetsen die uiteindelijk niet werd afgemaakt, een soort voortijdig afgebroken hallo, wat maakte dat hij er belachelijk uitzag en waardoor de allegorie van de onverstoorbaarheid sneuvelde. Ook ik bracht mijn vrije hand tot op de hoogte van mijn slaap, maar toen draaide mijn buurman de kraan van de waterslang dicht, keerde zich half om en ging zijn huis binnen.
Ik herinner me dat ik daar stil bleef staan, met mijn hand die nergens heen ging, als een vogel die geen tak vindt om op neer te strijken, terwijl ik elke slag van mijn nog jonge en overgevoelige hart telde.
‘Ja, Uribe. Natuurlijk ben ik er nog. En vanzelfsprekend heb ik naar je geluisterd.’
Als ik eerlijk moet zijn voegde het beeld van de treinen die de lucht in vlogen zich, door een enigszins sinister toeval, bij de intensieve lezing van Duivels, waarmee ik al een paar dagen bezig was (ongeacht de omvang ervan corrigeer ik een boek nooit binnen een enkele werkdag: het perspectief van tenminste achtenveertig uur werktijd helpt om je te bevrijden van bepaalde voorbarige oordelen en voorkomt veel aanvechtingen), en de beide samenvallende omstandigheden – het relaas van de samenzwering van Netsjajev en de verschijningsvorm van de hedendaagse terreur (want hoewel Uribesalgo het onheilspellende woord nog niet had uitgesproken, begreep ik dat het een aanslag was geweest) – werden op een even aanlokkelijke als gruwelijke manier aan elkaar gekoppeld.
Het zien van de ficus die pas water had gekregen, alleen in zijn plantaardige rust, en de krachtige zeelucht die de lucht doordrenkte, maakten het ogenblik nog onwerkelijker.
‘Wie waren het?’ vroeg ik toen aan Uribesalgo, en ik had er direct al spijt van, want ik vind het niet prettig over bepaalde zaken te praten met iemand die, ook al is het maar incidenteel, geld naar mijn bankrekening overmaakt.
‘Ben je gek? De eta, verdomme, wie anders?’
Op mijn werktafel staat een foto van mijn vrouw met mijn ouders, waar ik nu, terwijl ik deze bladzijde schrijf, naar zit te kijken. Zoe staat in het midden van de afbeelding met haar armen om haar schoonouders, die allebei kleiner zijn dan zij. Op de achtergrond zijn het gebouw van de Kursaal en een deel van het strand van Gros in San Sebastián te zien. Het is een zomerdag, stralend maar met veel wind, en het haar van de drie toeristen is verwaaid. Zoe en mijn vader hebben hun zonnebril op en laten hun tanden zien bij het glimlachen. Mijn moeder brengt, met een gebaar dat lijkt op dat van de buurman met de tuinslang, een hand naar haar hoofd om haar kapsel te beschermen, maar haar glimlach laat geen enkele van haar tanden zien. De foto is niets veranderd sinds die elfde maart, want die zal altijd intact blijven, tenzij het vuur hem verteert of het water hem aantast; zo is het persoonlijk leven van de voorwerpen: verschrikkelijk voor de mensen. Wijzelf veranderen; zij blijven hetzelfde.
‘Zet de radio of de televisie aan,’ zei Uribesalgo die morgen terwijl ik verlamd naar de foto keek van drie van de vier mensen van wie ik het meest op de wereld hou. ‘Ze hebben het over niets anders.’
En inderdaad, daar buiten, in het vertrouwde universum van de dagelijkse balkons, waar de dood op een nare droom leek, het gevolg van iets dat zwaar op de maag lag, een gebeurtenis die even onwaarschijnlijk was als de geboorte van een lammetje met twee koppen, daar voelde ik plotseling hoe de stad zich er geleidelijk van bewust werd dat er iets verschrikkelijks was gebeurd, dat de wereld veranderd was in een onveilig en afschrikwekkend oord, dat op precies datzelfde ogenblik een handvol uitgevers aan het bellen zou zijn met een handvol correctoren om hen op de hoogte te stellen van een enorme en onuitwisbare zetfout die een wrede hand verborgen had in een tekst die tot op die dag heilig was geweest.
Een zetfout die, tot onze ellende en toekomstige schande, niemand ooit nog zou kunnen uitwissen.

© 2009 Ricardo Menéndez Salmón en Editorial Seix Barral, S.A.
© 2013 Nederlandse vertaling Bart Peperkamp en Uitgeverij Wereldbibliotheek BV

Madrid wordt opgeschrikt door een reeks bomaanslagen. Om politiek gewin reageert de regering in eerste instantie met leugens en verdraaiing van de feiten op de gruweldaad van de extremistische moslims. Dit wekt de woede van Vladimir, een teruggetrokken jongeman die werkt aan een nieuwe vertaling van Dostojevski’s Boze geesten. Het is alsof hem de schellen van de ogen vallen: hij ontdekt welke zaken in een mensenleven werkelijk van waarde zijn.

‘Er zijn schrijvers die het verdienen eeuwig gelezen te worden. Ricardo Menéndez Salmón is een van hen.’  – Estremadura

Op 11 maart 2004 werd Madrid getroffen door een reeks terreuraanslagen waarbij een groot aantal slachtoffers viel. Ricardo Menéndez Salmón heeft deze ingrijpende gebeurtenis gebruikt in De corrector, het sluitstuk van zijn trilogie over het Kwaad. In deze drie boeken benadert hij het onderwerp vanuit de vraag in welke mate het Kwaad in ieder mens werkzaam is, en hoe men erop reageert. De corrector is het relaas van wat de aanslagen in Madrid op het emotionele vlak losmaakten en van wat er gebeurde in het publieke domein, het terrein van de politiek.

‘Nooit eerder gingen de persoonlijke geschiedenis en het feit burger te zijn, een burger die het recht heeft en in staat is de werkelijkheid te veranderen, zo stevig hand in hand als in die dagen.’ – Ricardo Menéndez Salmón

Wij bespraken eerder Menéndez Salmóns voor de Europese Literatuurprijs genomineerde roman De schending.

 

I

Toen de eerste trein de lucht in vloog en over onze kleine en heldhaftige levens een vloed van bloed, razernij en angst uitstortte, zat ik aan mijn oude tafel van Australisch essenhout en corrigeerde een eerste drukproef van Duivels van Fjodor Dostojevski.
Ik heet Vladimir – in zijn jeugd dweepte mijn vader met de Russische Revolutie – en ik ben corrector. En ik zou durven zeggen dat Fjodor Dostojevski mijn lievelingsschrijver is. (Misschien had ik tien jaar geleden, toen ik vijfentwintig was, gezegd dat mijn lievelingsschrijver Albert Camus was, en waarschijnlijk zal ik over nog eens tien jaar, wanneer ik vijfenveertig ben, een voorkeur hebben voor Stendhal of Plato.)
Daar zat ik dus – om 07:37 uur op donderdag 11 maart 2004, uitgerust, net na mijn ontbijt, bij een prachtig winterlicht dat als een speer van ijzel door het raam viel – een drukproef te lezen in twaalfpunts Bembo letters, waarin Aleksej Kirillov aan Pjotr Verchovenski toevertrouwt dat angst een vloek is voor de mens, toen de eerste trein door de lucht vloog en onze klokken plotseling op nul kwamen staan.
Het is waar dat vandaag de dag, nu er sindsdien zoveel gebeurd is en veel van die emoties gefilterd zijn door de zeef van de bezinning, alles minder verward, eenvoudiger te begrijpen lijkt; maar gedurende de uren waar dit verslag over gaat voelden wij allen die daar waren (en ik denk dat we allemaal, op de een of andere manier, daar waren) dat er een eind was gekomen aan de goede tijden.
Natuurlijk lopen de goede tijden al sinds heel wat lentes ten einde, en geregeld, alsof we zo nodig de scherpzinnige gedachte moeten bevestigen die Aleksej Kirillov aan Pjotr Verchovenski aan het uiteenzetten was toen de eerste bommen het staal van de treinen in gloeiende lava veranderden en de beenderen van de mensen verpulverden; natuurlijk, zeg ik, voelen we geregeld de behoefte om elkaar iets aan te doen, iets wat ons volkomen duidelijk maakt dat op een goede dag alles zomaar naar de verdoemenis zal gaan.
Wij, mensen, zonder uitzondering, of we nu zwart zijn of wit, gelukkig of bedroefd, intelligent of dom, zijn zo: we zwaaien met vlaggen die anderen haten, aanbidden goden die onze buren krenken, omringen ons met wetten die degenen die ons omringen beledigen. Het gevolg valt makkelijk te bedenken: af en toe, of de zon nu schijnt of dat het sneeuwt, in een democratie of onder de bescherming van een of andere fascist die vermomd is als belastinginspecteur, vliegen we vliegtuigen te pletter tegen wolkenkrabbers, bombarderen we straatarme landen en raken we betrokken bij kruistochten die even wreed als onrechtvaardig zijn.
Toen de telefoon ging, om ongeveer 08:50 uur, had ik de briljante, onstuimige bladzijden achter me gelaten waarop Aleksej Kirillov de redenen voor zijn ophanden zijnde zelfmoord onderbouwt, en maakte ik aanstalten om mijn eerste sigaret van die dag op te steken. Uiteraard wist ik toen nog van niets, en pas a posteriori ben ik, met behulp van mijn literaire bagage en mijn aanleg voor fictie, in staat geweest om in artistieke zin vorm te geven aan die eerste indruk die ik in feite pas gewaarwerd zeventig of tachtig minuten na het ogenblik waarop de eerste trein de lucht van Madrid doordrenkte met de stank van ingewanden.
‘Heb je het al gehoord?’
De stem die me het nieuws bracht, die morgen, zei zelfs geen goedendag tegen me. Ik begreep onmiddellijk dat er iets ernstigs aan de hand was. Want een uitgever belt je op een donderdag om 08:50 uur alleen wanneer diezelfde nacht, naast hem in zijn bed, een erg groot probleem heeft geslapen. Dus gunde ik mezelf een paar seconden respijt voordat ik het hoofd bood aan het monster, stak mijn sigaret aan, bracht mijn Faber Castell-potlood in stelling om een bedenkelijk en ongrammaticaal gebruikt ‘van welke’, die de vertaler van Fjodor Dostojevski erdoorheen had laten glippen, te voorzien van een ‘schrappen’ en stelde me Uribesalgo voor met zijn opgetrokken linkerwenkbrauw, alsof hij een Engelse butler was, gehuld in zijn eeuwige corduroy broek en zuigend op een van die pepermuntjes waarmee hij, tevergeefs, zijn slechte adem probeert te bestrijden.
‘Hallo, Uribe,’ antwoordde ik ten slotte beleefd, de vertrouwelijke vorm van zijn naam gebruikend. ‘Hoe gaat het met je? Is er iets?’
‘Of er iets is?’ zei Uribesalgo toen.
Ik geef toe dat op dat ogenblik een stekende en heftige kramp door mijn rug trok, want als ik ergens zeker van ben is het dat ik aan de toon van zijn stem heel goed kan horen wanneer Uribesalgo zonder reden in paniek raakt en wanneer hij echt ongerust is. En die morgen, toen Uribesalgo zei ‘Of er iets is?’, hield mijn intuïtie op alleen maar intuïtie te zijn en begreep ik duidelijk, zonder ook maar een spoor van twijfel, even duidelijk als bijvoorbeeld een corrector begrijpt dat Fjodor Dostojevski een genie is en Hermann Hesse een vreselijke zeur, dat er echt iets ernstigs was gebeurd.
Ik heb niet graag contact met iemand via de telefoon. (Feitelijk heb ik via geen enkel communicatiemiddel graag contact met iemand; ik ben een verstokte misantroop.) Misschien krijg je dat als je zo omgeven bent door boeken, zo intensief leeft door middel van het geschreven woord, en bewondert wat anderen vijftig, honderd of zelfs vijfentwintighonderd jaar geleden hebben geschreven. Bovendien is Uribesalgo een erg opgewonden standje, iemand die geen rust in zijn kont heeft, en als je hem aan de telefoon hebt lijkt het altijd net of hij je staat uit te foeteren of op het punt staat dat te gaan doen, zodat het mijn bedoeling was hem een tijdje te laten praten, hem gratis en als vriend een goede raad te geven en dan zomaar op te hangen.
Maar dat kon ik niet. Niet toen hij me vertelde wat er gebeurd was.
‘Er zijn enkele treinen de lucht in gevlogen.’
Vanuit mijn huis kun je de zee niet zien, maar op dagen waarop er een harde noordoostenwind staat, wanneer de in mijn stad meest geliefde wind het strand geselt en de zeemeeuwen onafgebroken krijsen, kun je de Atlantische Oceaan in de kamers ruiken. Dat is een even mooie gewaarwording als een kind te horen lachen.
Op 11 maart 2004, toen Uribesalgo die zin uitsprak en ik opstond om het raam van mijn werkkamer open te zetten, kwam de zee mijn huis binnen.
‘In Madrid,’ zei Uribesalgo. ‘Twee op het station van Atocha, een in Santa Eugenia en...’ – hier aarzelde zijn stem en ik stelde me voor hoe hij een bericht op teletekst probeerde te ontcijferen of op de tweede lijn een telefoontje van een collega opnam. ‘En nog een in El Pozo del Tío Raimundo. Vier treinen, Vlad. Vier.’
Tegenover mijn huis, op een van de balkons waar ik iedere morgen naar kijk wanneer ik bij het raam ga staan, gaf een buurman met een gele plastic tuinslang een reusachtige ficus water. Mijn buurman liep heen en weer over zijn kleine stukje balkon, twee stappen de ene kant op en twee naar de andere kant, met een pet van de Minardistal op zijn hoofd en een paar espartosandalen aan zijn voeten, als een allegorie van de onverstoorbaarheid, een daguerreotype die onmogelijk te rijmen viel met het nieuws dat Uribesalgo me zojuist had meegedeeld.
‘Vlad. Ben je daar nog, Vlad? Hoor je wel wat ik je net heb verteld?’
Toen keek mijn buurman naar me en maakte met zijn vrije hand een vaag gebaar, alsof hij een groet wilde schetsen die uiteindelijk niet werd afgemaakt, een soort voortijdig afgebroken hallo, wat maakte dat hij er belachelijk uitzag en waardoor de allegorie van de onverstoorbaarheid sneuvelde. Ook ik bracht mijn vrije hand tot op de hoogte van mijn slaap, maar toen draaide mijn buurman de kraan van de waterslang dicht, keerde zich half om en ging zijn huis binnen.
Ik herinner me dat ik daar stil bleef staan, met mijn hand die nergens heen ging, als een vogel die geen tak vindt om op neer te strijken, terwijl ik elke slag van mijn nog jonge en overgevoelige hart telde.
‘Ja, Uribe. Natuurlijk ben ik er nog. En vanzelfsprekend heb ik naar je geluisterd.’
Als ik eerlijk moet zijn voegde het beeld van de treinen die de lucht in vlogen zich, door een enigszins sinister toeval, bij de intensieve lezing van Duivels, waarmee ik al een paar dagen bezig was (ongeacht de omvang ervan corrigeer ik een boek nooit binnen een enkele werkdag: het perspectief van tenminste achtenveertig uur werktijd helpt om je te bevrijden van bepaalde voorbarige oordelen en voorkomt veel aanvechtingen), en de beide samenvallende omstandigheden – het relaas van de samenzwering van Netsjajev en de verschijningsvorm van de hedendaagse terreur (want hoewel Uribesalgo het onheilspellende woord nog niet had uitgesproken, begreep ik dat het een aanslag was geweest) – werden op een even aanlokkelijke als gruwelijke manier aan elkaar gekoppeld.
Het zien van de ficus die pas water had gekregen, alleen in zijn plantaardige rust, en de krachtige zeelucht die de lucht doordrenkte, maakten het ogenblik nog onwerkelijker.
‘Wie waren het?’ vroeg ik toen aan Uribesalgo, en ik had er direct al spijt van, want ik vind het niet prettig over bepaalde zaken te praten met iemand die, ook al is het maar incidenteel, geld naar mijn bankrekening overmaakt.
‘Ben je gek? De eta, verdomme, wie anders?’
Op mijn werktafel staat een foto van mijn vrouw met mijn ouders, waar ik nu, terwijl ik deze bladzijde schrijf, naar zit te kijken. Zoe staat in het midden van de afbeelding met haar armen om haar schoonouders, die allebei kleiner zijn dan zij. Op de achtergrond zijn het gebouw van de Kursaal en een deel van het strand van Gros in San Sebastián te zien. Het is een zomerdag, stralend maar met veel wind, en het haar van de drie toeristen is verwaaid. Zoe en mijn vader hebben hun zonnebril op en laten hun tanden zien bij het glimlachen. Mijn moeder brengt, met een gebaar dat lijkt op dat van de buurman met de tuinslang, een hand naar haar hoofd om haar kapsel te beschermen, maar haar glimlach laat geen enkele van haar tanden zien. De foto is niets veranderd sinds die elfde maart, want die zal altijd intact blijven, tenzij het vuur hem verteert of het water hem aantast; zo is het persoonlijk leven van de voorwerpen: verschrikkelijk voor de mensen. Wijzelf veranderen; zij blijven hetzelfde.
‘Zet de radio of de televisie aan,’ zei Uribesalgo die morgen terwijl ik verlamd naar de foto keek van drie van de vier mensen van wie ik het meest op de wereld hou. ‘Ze hebben het over niets anders.’
En inderdaad, daar buiten, in het vertrouwde universum van de dagelijkse balkons, waar de dood op een nare droom leek, het gevolg van iets dat zwaar op de maag lag, een gebeurtenis die even onwaarschijnlijk was als de geboorte van een lammetje met twee koppen, daar voelde ik plotseling hoe de stad zich er geleidelijk van bewust werd dat er iets verschrikkelijks was gebeurd, dat de wereld veranderd was in een onveilig en afschrikwekkend oord, dat op precies datzelfde ogenblik een handvol uitgevers aan het bellen zou zijn met een handvol correctoren om hen op de hoogte te stellen van een enorme en onuitwisbare zetfout die een wrede hand verborgen had in een tekst die tot op die dag heilig was geweest.
Een zetfout die, tot onze ellende en toekomstige schande, niemand ooit nog zou kunnen uitwissen.

© 2009 Ricardo Menéndez Salmón en Editorial Seix Barral, S.A.
© 2013 Nederlandse vertaling Bart Peperkamp en Uitgeverij Wereldbibliotheek BV

Uitgeverij Wereldbibliotheek

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum