Leesfragment: De dode arm

27 november 2015 , door Allard Schröder

25 februari verschijnt de nieuwe, grote roman van Allard Schröder, De dode arm. Wij publiceren voor. 'Het was in dit Arcadië dat Ernst Elfkind Wolkenband – laten we hem voorlopig zo maar noemen – in de naoorlogse jaren opgroeide, in een buitenwijk met stralende ochtenden en bedauwde velden, lauwe regens, laaiende zomerhitte, waarin alles wat groeide tegen het eind van de dag grijsblauw van kleur kon verschieten, waar in de verte schelle kinderstemmen klonken en liedjes van toen, die over de liefde voor the boy next door gingen en werden gezongen door die licht hese maar meisjesachtige vrouwenstemmen, waarop de jongen altijd verliefd was.'

1     De jongen met de drie namen

1   De rivier

Aan de bovenloop in de bergen was de rivier wild water geweest, koud en grijs, vol onrust zoekend, onzeker van steen naar steen glijdend; eerder al had ze zich daarboven wit schuimend van de klippen in het diepe geworpen omlater, in hoog tussen de rotsen opschietende fonteinen, moeiteloos de horden van de cataracten te nemen, en verder, dieper, steeds dieper het dal in te stromen. In het eerste laagland gleed ze jong nog, maar niet langer koortsig kolkend en al broeierig met woelend water, langs naakte oevers en banken met blanke kiezel en zwarte elzen, over dwergengoud naar steeds lager land, waar ze breeduit voor het eerst met andere rivieren samenvloeide, ’s winters buiten haar oevers trad, over straten ging, in huizen zocht, tot ze uiteindelijk glinsterend A*** bereikte, waaraan ze, inmiddels oud en breed, voorbijging, aarzelend hier en daar – erwas niemand die haar zei waar ze moest zijn – al niet meer wetend hoe ze daar was gekomen.Verderop verliep ze zich, bleef ze staan, koesterde ze haar oppervlak in de zon, begaan door een enkel schrijvertje; verstrooid verdwaalde ze en vond in dode armen vergetelheid en waterlelies; een van de oevers daar had een strand van grauw, slaperig zand waar alleen kinderen en libellen kwamen.

2   De jongen

De villawijk was in de vroege jaren twintig met de rug naar de rivier gebouwd. De verveling, die er als een fijne nevel tussen de huizen hing, moest al op de bouwtekening te zien zijn geweest. Nu, in de vroege jaren vijftig, was ze met haar oude, krom gegroeide eiken, welig opschietend struikgewas, geschoren gazons, bemoste rietdaken en vermoeide straten een paradijs voor kleine zangvogels, mollen en oude honden. Verten waren er niet, aan de hemel trokken vliegtuigen geruisloos hun strepen. Bejaarde echtparen schuifelden het tuinpad op en af tot op een dag de zwarte auto’s kwamen voorrijden en de gordijnen in de straat werden dichtgeschoven. ’s Zomers zaten jonge moeders achter het huis onderuitgezakt in een rotanstoel te lezen, het hoofd een beetje scheef, de blote benen meisjesachtig gestrekt of zedig over elkaar geslagen, steels gadegeslagen door de jongens van de buren, die vanuit hun kamers op de eerste verdieping vele tuinen overzagen. De echtgenoten waren ’s ochtends tegen negenen al, geurend naar after-shave, op de fiets of in hun auto’s naar hun werk vertrokken.
Het was in dit Arcadië dat Ernst Elfkind Wolkenband – laten we hem voorlopig zo maar noemen – in de naoorlogse jaren opgroeide, in een buitenwijk met stralende ochtenden en bedauwde velden, lauwe regens, laaiende zomerhitte, waarin alles wat groeide tegen het eind van de dag grijsblauw van kleur kon verschieten, waar in de verte schelle kinderstemmen klonken en liedjes van toen, die over de liefde voor the boy next door gingen en werden gezongen door die licht hese maar meisjesachtige vrouwenstemmen, waarop de jongen altijd verliefd was. De dagen duurden er langer dan elders, soms eindeloos lang, in een verlammende stilte sleepten de uren zich naar hun eind, onverwacht voelden kinderen de ouderdom in hun leden tintelen.
’s Nachts beefden de boomtoppen.

Mogelijk kwam het door zijn donkere haar en de diepliggende blauwe ogen dat de jongen door velen als een buitenstaander werd beschouwd, als iemand die niet ‘van hier’ was, al sprak niemand hem er ooit op aan – men hield voor zich wat men van hem dacht. Toch had hij al vroeg gemerkt dat hij van zijn leeftijdgenoten verschilde; er ging een schaduw in hem schuil, die de anderen niet hadden en die hem met angst en bevreemding vervulde, een enkele keer ook met verwarrende trots, maar vaker was hij er terneergeslagen onder omdat het kind dat hij nog was het liefst zo wilde zijn als iedereen van zijn leeftijd: een jongen met stug grauw haar en kleine grijze ogen, die de kleren van een oudere broer afdroeg. Sommigen dachten dat hij zijn ouders in de oorlog had verloren en door Wolkenband, wiens naam hij droeg, en zijn vrouw – een geboren Coltersteen – in liefde was aangenomen. Dat was niet het geval. Als er al iets ongewoons aan zijn afkomst was, bleek dat misschien uit zijn papieren, waarin werd vermeld dat hij op 1 september 1945 was geboren in het London Lock Hospital, Harrow Road 283A, als Ernst Elfkind Coltersteen, zoon van Emma Louise Coltersteen.
Vader onbekend.
Schuchter had de jongen eens aan zijn moeder gevraagd of het waar was dat zijn vader niet bekend was, waarop zijn moeder kortaf had geantwoord dat hij niet zulke vragen moest stellen. Door dit antwoord meende hij te weten dat zijn vader werkelijk onbekend was en voelde hij zich nog meer ontheemd dan hij al was. Instinctief besefte hij nu dat hij door zijn onduidelijke afkomst kwetsbaar was. Uit angst dat mensen zijn zwakte zouden opmerken, groeide hij op tot een gesloten, vuisten ballend kind, dat steeds op zijn hoede was. Dagen achtereen kon hij stil en afwezig zijn, al bleef zijn blik waakzaam.
Hij zat nog op de lagere school toen hij Wolkenband en zijn moeder achter een gesloten deur hoorde ruziën. Gewoonlijk vochten ze hun geschillen uit waar hij bij was, nu hadden ze zich in hun slaapkamer opgesloten, ze wilden niet dat hij zou horen wat ze elkaar verweten.
‘Het is voorbij, Emma. Voorbij. Voorgoed voorbij, ’ hoorde hij Wolkenband zeggen.
Zijn vrouw gaf niet toe. ‘Het is niet voorbij, Eddy, het gaat nooit voorbij. Nooit.’
Wat het was dat nooit voorbijging, zei ze niet, maar het zorgde lang voor onrust in zijn hart omdat zijn intuïtie hem zei dat het met hem te maken had.
Soms vond iemand bij toeval zijn zwakke plek. Eenmaal was het een brede, boerse jongen met hoge jukbeenderen en gezwollen oogleden, die in een aangrenzende wijk woonde, waarmee de jongens uit Ernsts buurt een rituele vete uitvochten. Roekeloos had hij zich te dicht bij de vijand gewaagd en was in het nauw geraakt. De jongen, die hem uiteindelijk te pakken kreeg, draaide ruw zijn arm op de rug. Ernst probeerde zich los te maken en schold hem uit toen dat niet lukte.
‘Jij bent onecht, ’ siste de jongen hem in het oor. ‘Je bent niemand.’
‘Wat zeg je?’ Ernst was zo verbouwereerd dat hij vergat terug te vechten.
‘Jij bent een onecht kind.’
‘Wie zegt dat?’
‘Mijn vader zegt dat.’ Hij duwde de arm van de jongen nog verder omhoog. ‘Onecht, dat ben je.’
Anderen die het gehoord hadden kwamen om hen heen staan en herhaalden honend dat hij ‘onecht’ was. Het woord wond hen op. Terwijl ze het aan één stuk door bleven scanderen – onecht! on-echt! – stampten ze, om hem heen dansend, met de voeten op de grond.
Bevangen door een uitzinnige woede, waarvan hij naderhand niet wist waar die vandaan kwam, rukte Ernst zich los en sloeg in het wilde weg om zich heen. Onbekend genot welde in hem op, elke rake klap gaf hem een gevoel van bevrijding – de razernij ging over in extase, hij voelde geen pijn, de verrukking onkwetsbaar te zijn verdoofde zijn zinnen. Zonder goed te weten wat hij deed, raakte hij een van zijn belagers zo hard in het gezicht dat de jongen op de grond viel. Geschrokken weken de anderen achteruit. Toen de neergeslagene versuft overeind ging zitten, kwam er bloed uit zijn neus. Hij kermde zachtjes.
Er viel een stilte.
Bloed. Het was tegen de erecode de tegenstander zo hard te slaan dat er bloed vloeide.Iedereen keek naarErnst, die ineengekropen klaarstond omzich te verdedigen, de blik zwart van concentratie. Geen van de jongens waagde het dichterbij te komen.
‘Hij slaat je op het gezicht, ’ zei iemand ontzet, maar ook met ontzag. ‘Tot het bloedt.’

Thuis bekeek Ernst zichzelf in de spiegel. Waarom hadden ze hem onecht genoemd? Was hij dat werkelijk? Zoals een vogelverschrikker, gevuld met stro of oude kranten? Was hij hol, als de poppen van het buurmeisje? Hij keek naar de knokkels van de vuist waarmee hij de jongen in het gezicht had geraakt. Ze waren ontveld, er was wat bloed gestold – onecht bloed – maar hij voelde niets. Hij bracht de knokkels naar zijn mond en beet erop tot hij de weeë smaak van zijn bloed proefde.
Toen hij zich daarna in de spiegel bekeek, stelde hij vast dat zijn gezicht ongeschonden was, niemand had hem daar kunnen raken, maar de rest van zijn lichaam voelde zwaar aan en deed hem overal pijn – tegelijk herinnerde hij zich de roes die bezit van hem had genomen en het onverwacht intense genot dat hij tijdens het gevecht gewaar was geworden, en hij lachte de tanden bloot: vechtend was hij voor even gelukkig geweest.
Het bleef niet geheim wat er was gebeurd. Kleinere jongens keken nu naar hem op, zochten zijn gezelschap, boden hem met glanzende ogen hun diensten aan. Meisjes draalden als ze hem passeerden, plooiden koket hun rokken om hun benen of sloegen quasi zedig de blik neer, nadat ze eerst hun best hadden gedaan die te kruisen, en gingen hem opzichtig uit de weg.
Het dienstmeisje, de bleke dochter van een garagehouder, vertelde hem buiten het gehoor van zijn moede dat de ouders van de jongen die Ernst zo hard in het gezicht had geraakt, woedend waren geweest toen hun zoon met bebloed gezicht was thuisgekomen.
‘Ik was alleen, ’ verdedigde hij zich tegen het dienstmeisje, ‘zij waren met veel.’
De boze ouders hadden verhaal willen halen, maar hadden ervan afgezien toen ze hoorden wie het was geweest die hun zoon had geslagen. De moeder van de dader was een Coltersteen en die kon je beter niet tegen je hebben als je geen connecties had.

3   De school

De onderwijzers waren mannen die door de oorlog met rust waren gelaten. Ze hadden hoog opgeschoren hoofden en afstaande oren, hun kleren hadden ze laten keren. Het doel van het onderwijs was de wil van het kind te breken, wisten ze. Als ze de jongen beetpakten om hem tot de orde te roepen, knepen ze hem in de arm en kleineerden hem voor het oog van de klas, in stilte genietend van zijn vernedering. Het was hun niet ontgaan dat de jongen iets schoons en misschien wel iets tragisch uitstraalde, dat andere kinderen misten; in hun verbeelding leek er soms een aureool van iriserend licht om hem heen te hangen, betoverd als hij nog was door het geestenrijk van het kind – iets wat ze zich, wegduikend in hun kraag, nog flauwtjes van hun eigen jeugd herinnerden; ze zuchtten hun lauwe hondeadem uit: ach die dagen van toen, toen ze nog net als hij...

4   Almi (1)

Almi was de uitzondering op iedereen.
Ze was voorbestemd altijd een kind van drie te blijven; dat zei iedereen die haar kende, maar het duurde jaren voordat het tot de jongen doordrong wat dat wilde zeggen. Het eeuwige kind woonde bij de buren en was in jaren even oud als hij. Hij was eraan gewend dat ze niet sprak en alleen ongearticuleerde geluidjes voortbracht, soms vrolijk kirrend, soms verrukt zangerig, soms stuurloos en boos zoekend naar de juiste klank, maar altijd licht en melodieus. De jongen luisterde er graag naar, voor hem betekenden ze meer dan de stroom van ordelijk geformuleerde zinnen van de grote mensen.
Almi en hij waren samen opgegroeid, ze hadden samen lopen geleerd, waren samen in bad gestopt en hadden de zandbak gedeeld, waar het meisje nooit iets had aangeraakt. Ze had naast hem in het zand gezeten en was daar volmaakt tevreden geweest. Het hoofd schuin naar de hemel gekeerd, leek ze over hem te waken.
Toen het meisje twee was, overleed de vader aan een sluimerende tropische ziekte. Het liet haar ogenschijnlijk onberoerd. Wanneer Almi’s moeder voor enkele dagen op reis ging, sliep het meisje bij de jongen op de kamer. Waarom werd hem niet verteld, maar de gordijnen werden dan niet dichtgeschoven; misschien omdat Almi, hoewel ze naar het scheen weinig zag, het donker slecht verdroeg, misschien was er een andere reden. De eerste keer dat ze naast hem in het andere bed sliep – hij was net zes – lag de jongen lang wakker, voor het eerst zou hij ’s nachts niet alleen zijn. Almi lag roerloos op haar rug in het ledikant naast het zijne, waarin hij naar haar zacht ruisende ademhaling luisterde en gelukkig was.
Uiteindelijk viel hij in een onrustige sluimer, waaruit hij meteen weer opschrok om naar haar adem te luisteren. Telkens als de volle maan zich liet zien, die de wolken verblindend witte randen van koud vuur gaf en de kamer in een koel, schemerig schijnsel zette dat alle dingen grijs maakte, draaide de jongen zich op zijn zij en keek naar het bed naast het zijne. Almi leek ook wakker te zijn en had het gezicht naar het schijnsel van de maan en de sterren gewend. Tussen haar wimpers zag hij de lichtende hemel in haar ogen schitteren.
Ineens verstrakte hij en luisterde; hij wist zeker dat iets ijls en zuivers het vertrek vulde. Een koel, beweeglijk schijnsel viel op het meisje, vergezeld door vluchtige, dansende klanken, die de kamer in een zilveren gloed zetten. De jongen boog zich naar haar toe. Ze scheen het niet te merken; ze lag daar met een sprankelend licht in haar ogen en een glimlach om de lippen. Hij lachte ook en een vonkje daalde in hem neer.
Verrukt wierp hij het hoofd in de nek.
Een wolk schoof voor de maan. Hij ging weer liggen, nog altijd met een lach om de lippen. Er was iets gebeurd, de schaduw in hem leek voor even te zijn opgelost, alles was lichter, er was niets wat op hem drukte. Omdat hij een kind was, verbaasde hij zich er niet over.
Sinds die nacht bekeek hij de hemel met nieuwe ogen. Het was een plek geworden waar het licht levend leek te zijn, vanwaar wonderlijke klanken naar de wereld gezonden leken te worden, naar meisjes als Almi, voor altijd driejarig.
Langer dan een half mensenleven zou het duren voor hij hetzelfde geluid opnieuw zou horen, al was het niet meer dan een flauwe afschaduwing van wat ooit in zijn kinderkamer had geklonken: tijdens een diner had iemand in gedachten met de vochtige top van een vinger over de rand van een kristallen wijnglas gestreken.

Almi ging nooit alleen naar buiten. Toen de jongen oud genoeg was, bracht hij haar twee keer per week naar een schooltje, waar ze niets leerde. De hele dag zat ze lieflijk lachend voor het raam en keek de wolken na.
Onderweg naar school of naar huis luisterde ze geduldig naar de eindeloze stroom verhalen die hij vertelde. Ze hadden kop noch staart, maar dat gaf niets, ze begreep toch niet wat hij zei, ze leek het gewoon prettig te vinden wanneer hij tegen haar sprak. Als Ernst haar aankeek om tegen beter weten in te zien wat ze van zijn verhalen vond, maakte ze zachte geluidjes en liet haar blonde krullen dansen. Wanneer hij lachte, lachte Almi mee, zoals een baby naar de gezichten lacht die zich over de rand van zijn wieg buigen. Het was een lachen dat alle kinderen vertrouwd is: giechelig, met een slap gevoel in armen en benen. Het waren mooie dagen.
Van afstand keek Almi’s moeder fronsend toe. Ze rookte de hele dag aan één stuk door en vloekte zachtjes in het Frans, waarom wist niemand. ’s Avonds naaide ze met rook in de ogen geruite jurkjes met pofmouwtjes voor Almi.
Ondanks haar gebreken was Almi het hart van de wereld, voor zover de jongen die kende. Al op de kleuterschool hadden andere kinderen lachend om haar heen gedanst, blij dat ze er was. Alles leek om háár te draaien. Ook later bleef dat zo. Toen ze naar de middelbare school gingen, bleven ze haar graag zien. Omdat ze niet ouder werd, hield ze de herinnering aan hun eerste jaren levend.

5   De moeder

De moeder van de jongen zweeg. Ergens achter het hoge ivoorwitte voorhoofd verborg Emma Wolkenband, geboren Coltersteen, haar geheimen die ze met niemand deelde.
Uiterlijk was hij steeds meer op haar gaan lijken, het werd steeds duidelijker dat Wolkenband niet de vader kon zijn.
Toen Ernst, jaren nadat hij haar de vraag voor het eerst had gesteld, zijn moeder voor de tweede keer schuchter vroeg wie zijn natuurlijke vader was, antwoordde ze eerst niet en leken haar gedachten af te dwalen. Hij moest zijn vraag herhalen om net als de eerste keer het antwoord te krijgen dat hij geen vragen moest stellen. Daarna voegde ze er bijna terloops nog iets aan toe: de Amerikaan – want dat was degene naar wie hij vroeg – was morsdood, gesneuveld zoals velen in de oorlog. Uit haar mond klonk het als een grimmige bezwering, een onuitgesproken vloek, haar ogen kregen een harde glans en ze perste haar lippen op elkaar, kwaad omdat ze eigenlijk had willen zwijgen.
Morsdood.
Een woord dat om niemand treurde.
Het bracht het onvoorstelbare in het leven van de jongen: de dood. Hij kende kinderen die hun vader hadden verloren en koesterde een stil ontzag voor hen. Toch vond hij niet dat hij een van hen was, hij had zijn vader nooit gekend. Hoewel hij nu wist dat deze een Amerikaan was, die aan het eind van de oorlog was gesneuveld, bleef de man iemand die nooit levend was geweest – waardoor hij ook nooit echt had kunnen sterven.

Zolang de blik van zijn moeder niet op hem rustte, was de jongen ontspannen en was de schaduw die hij in zich meedroeg nauwelijks aanwezig. Daardoor talmde hij vaak om meteen van school naar huis te gaan. ’s Winters, als het al donker was geworden en de school was uitgegaan, dwaalde hij door de winkelstraten, die een warm geel licht uitstraalden, dat nog warmer werd wanneer er sneeuw lag, waarin alle geluid smoorde. Lauwe lucht woei hem uit de winkels tegemoet, de kruidenierswinkels geurden naar koffie, kruidnagel en gedroogde abrikozen, bij de bakker dreven de geuren van de dovende ovens de straat in, de zachte zeep glansde olieachtig in het vat, in de modemagazijnen plooiden modepoppen, vastgeschroefd op de etalagevloer, berustend hun lippen in een glimlach – waar hij ook keek trof hij beloften van geluk.
Met een strak gezicht worstelde zijn moeder zich door de winter. Soms greep ze hem ruw bij de arm en keek hem onderzoekend aan, alsof ze wilde weten wat er aan gene zijde van die ogen lag, die niet de hare waren. Toen hij ouder werd, dwong hij zich ertoe strak terug te kijken. Dan was zij het die korzelig, maar toch ook met iets van weemoed in haar blik, het hoofd afwendde. Eén keer vroeg hij haar uitdagend waarom ze hem toch altijd zo aankeek, waarop ze quasi achteloos antwoordde, alsof het geen belang had: ‘Ik vroeg me af wie je eigenlijk was.’ Intussen waren er ook raadselachtige dagen dat zijn moeder haar koele houding onverwacht liet varen en hem ruw tegen zich aan trok, zijn haar streelde, hem aanhalig in het oor fluisterde dat hij haar jongen was en hem vurig op de lippen kuste. Op die momenten leken ze minnaars, die het geheim van hun liefde voor de vijandige wereld verborgen moesten houden. Zonder verzet liet hij haar haar gang gaan, weerloos als hij was tegen haar liefkozingen, maar zijn lichaam was niet meegaand; dit waren ook de momenten dat hij het meest voor haar op zijn hoede was, bang dat ze haar kille houding zou hervinden en hem van zich zou wegduwen, alsof hij háár met zijn aanhankelijkheid had lastig gevallen.

 

Copyright © 2013 Allard Schröder
Copyright auteursportret © Anja van Wijgerden

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum