Leesfragment: De man van je leven

27 november 2015 , door Arthur Japin

1 oktober verschijnt de nieuwe roman van Arthur Japin: De man van je leven. Wij publiceren voor. 'Twintig jaar geleden, ja, toen Markus bij haar introk, had zij zich ook zo op het uitmesten van haar bezittingen verkneukeld. Alsof haar leven ervan afgehangen had. Dat deed het toen ook. Net als nu.
De gretigheid waarmee ze indertijd armen vol kleding, boodschappentassen vol make-upspullen, haar turnpak en haar oude teddybeer, syllabi en schoolagenda’s, boeken die ze toch niet meer ging lezen, een schoenendoos met brieven van een vakantievriendje en god-mag-weten-wat nog meer zingend naar de afvalbak gebracht had!'

'Te willen beschermen wat je lief is, desnoods voorbij dit leven.'

Dit lijkt Tilly's drijfveer. Zij is ernstig ziek en zoekt een vervangster voor zichzelf, iemand die straks haar plaats naast haar man kan innemen. De vrouw die zij vindt blijkt echter zo perfect bij hem te passen dat hij haar - zonder dat Tilly dit wist - zelf al had gevonden en in het geheim al een relatie met haar heeft gehad. Door de verrassing die Tilly hun bereidt, verandert haar tragedie in een klucht. Maar wie heeft daarvan eigenlijk de regie? Niets is wat het lijkt.

Eén man, twee vrouwen en een afgelegen huis op een zonnig vakantie-eiland. Een wrange komedie over liefde, trouw, overspel en wraak - voor iedereen die ooit geloofd heeft in de liefde.

 

Deel een

Leven is een verslaving als alle andere. Mensen beginnen eraan zonder na te denken over de gevolgen. Hoe het ondanks alle ellende die het met zich meebrengt ooit is aangeslagen, dat moet ik me door een van hen nog maar eens laten uitleggen.
De verwoesting die het teweegbrengt, uiterlijk zowel als innerlijk, de hartverscheurende bijverschijnselen, ze zijn algemeen bekend. De voorbeelden zijn, zou je denken, toch voldoende afschrikwekkend.Wat ervan komt is overal in al zijn lelijkheid te zien, maar vrijwel geen sterveling laat zich erdoor weerhouden. Dóór willen ze ermee, koste wat het kost, en het gros is met geen tegenslag of ramp van dat idee meer te genezen. Ze gaan eraan dood, maar willen er niet vanaf; alsof ademen het hoogste is. Hoe eindeloos de rij ongelukkigen ook is die een mensenkind in de geschiedenis zijn voorgegaan, wie eenmaal met leven is begonnen, wil het zo lang mogelijk rekken en voor geen goud ooit opgeven.
Hen er dan van overtuigen dat dit nu toch echt een keer zal moeten, ik geef het je te doen.
Daarom is iemand als Tilly zo’n verademing.

 

 

I

Vanochtend stond ze om kwart voor negen voor de kast in haar slaapkamer kleding te sorteren – wat ze nog weleens dragen zou over een stoel, op bed alles waarmee ze iemand een plezier kon doen en oude troep zonder pardon de hoek in – toen ze door het open raam Markus’ stem hoorde vanuit de tuin.
‘Ergens moet er toch een zitten.’
Dit deed hij soms, iets tegen Tilly zeggen zonder te kijken of zij eigenlijk wel in de buurt was – een eigenaardigheid van hem, een van de vele.
‘Wat?’ riep ze. ‘Ik ben even boven.’
‘Zie jij hem?’
‘Of ik wát zie?’
‘Een regenboog.’
Ze schoof het raam verder omhoog en leunde naar buiten.
‘Wie zeg je dat er loog?’
Met zijn hoofd in zijn nek stond Markus midden in een perk met dahlia’s en speurde de hemel af.
‘Het is kermis in de hel.’ Pas toen hij een kwartslag draaide zag hij haar, verbaasd dat zijn vrouw boven hem hing in plaats van dat ze naast hem
stond.
Zijn gezicht lichtte op, zoals altijd. Hij blies een kus in haar richting, haalde zijn schouders op en liep verder, wat voor Cousteau een teken was om met grote sprongen naar het hek te dartelen, riem in zijn bek, omdat hun wandeling nu dan toch eindelijk leek te beginnen.
Maar zijn baasje draalde opnieuw.
‘Het regent en de zon schijnt,’ zei Markus. ‘Ergens moet er dan toch een te zien zijn. Waarschijnlijk staat hij aan de andere kant, achter de duinen.’ En hij verduidelijkte nog eens, als was zijn vrouw nu eenmaal langzaam van begrip: ‘Een re-gen-boog.’
‘Het regent niet.’
‘O nee?’ Hij stak een arm uit en hield zijn handpalm op.
‘Welnee, het is een schitterende dag.’
‘Je hebt gelijk.’ Hij keek omhoog. ‘Het regent niet. Zeker net opgehouden.’
Dit was echt Markus, droog blijven vertelde hem niet onmiddellijk dat hij niet in een stortbui stond. Dit was waarom ze van hem hield, dit was waarom zij zich zo’n zorgen maakte, waarom ze bang was dat een man als hij het niet nog eens veertig jaar zou redden in zijn eentje: geen oog voor de werkelijkheid totdat een ander hem er met zijn neus op drukte.
‘Onzin, er komt vandaag geen regen.’ Tilly klonk geërgerd. ‘Het is prachtig weer, de hele ochtend al.’
Ze had gedacht dat hij al weg zou zijn. Elke dag rond deze tijd liep Markus al lang en breed langs het strand, en uitgerekend vandaag… Dat zul je nu altijd zien.
‘Echt wándelweer,’ riep ze nog eens voordat ze zich omdraaide en een nieuwe greep deed in haar kledingkast.

Het legen van een lade, wie verwacht nu dat daaruit troost te putten valt? Al die zooi die je te lang gekoesterd hebt en opgebruikt – even slikken soms, maar dan vastberaden in een vuilniszak enweg ermee – scheiden van dat enkele ding waar een ander, later, misschien nog iets aan heeft, de laatste weken gaf het Tilly zo onverhoopt voldoening.
Ontnuchterend misschien dat zij zich had verkeken op zoveel van wat zij in de loop van haar leven had verzameld, maar ook: wat een verademing dat het eindelijk met een gerust hart zonder er nog ooit naar om te hoeven kijken weg kon.
Wat schiep schoon schip een vrijheid, afstand, opluchting! Van de laatste maanden kon zij zich niets herinneren wat haar zoveel goed gedaan had als de voldoening die zij voelde wanneer er weer ergens in huis een hoekje leeg was.
Na al haar onzekerheid, de spanningen en inspanningen, waarvan het een tijdlang had geleken alsof er geen einde aan zou komen, kwam nu af en toe de bodem plots in zicht en lag daar dan, leek het, tussen alle rotzooi naar haar te lonken als beloning. Het simpele feit dat je weer even wist wat nog van waarde was en wat niet meer.
Orde had ze nodig, korte metten, eindjes aan elkaar en opgeruimd staat netjes. Zo’n grondige behoefte voelde ze aan rust, aan regelen wat er in hart en hoofd nog rommelde, aan weten hoe het precies allemaal zat en zit en verder zou. Plannen trekken en ten uitvoer brengen, waar nodig rigoureuze stappen zetten, dat een mens daar zo van kon genieten, dat wist je niet totdat je, nu of nooit, eraan begon.
Dus ordende zij sinds een week of twee elke dag wel ergens in huis een la, zoals gisterochtend van het linker keukenblok de op één na onderste. Hoeveel pakjes maïzena heeft een mens helemaal nodig? Zijzelf in elk geval geen enkel meer. Ruimen dus, uitdunnen, wegsnijden. Zo kreeg ze, als ze maar stug doorging, alles beetje bij beetje duidelijk.
Dit was haar manier van mediteren, zolang zij maar bleef opschonen en schiften, hoefde ze nergens anders aan te denken. Alle zorg en angst leek dan behapbaar, teruggebracht tot zoiets overzichtelijks als een houdbaarheidsdatum.
Iedereen heeft er een. Niet te geloven hoeveel kostelijks eenmens ongemerkt laat verstrijken.

Twintig jaar geleden, ja, toen Markus bij haar introk, had zij zich ook zo op het uitmesten van haar bezittingen verkneukeld. Alsof haar leven ervan afgehangen had.
Dat deed het toen ook.
Net als nu.
De gretigheid waarmee ze indertijd armen vol kleding, boodschappentassen vol make-upspullen, haar turnpak en haar oude teddybeer, syllabi en schoolagenda’s, boeken die ze toch niet meer ging lezen, een schoenendoos met brieven van een vakantievriendje en god-mag-weten-wat nog meer zingend naar de afvalbak gebracht had!
Zodra Markus haar, per brief, had laten weten dat hij nog maar één ding wilde: bij haar zijn; dat hij daarvoor zijn vrienden en zijn familie zou achterlaten; dat hij zijn baan aan de andere kant van het land had opgezegd zodat hij bij haar in kon trekken, sindsdien was er op Tilly’s studentenflat geen plaats meer voor vroeger, alleen nog voor hun toekomst samen.
Twintig jaar geleden.
(Die brief van hem was ze onlangs ook tegengekomen. Ze had hem, gebogen over de papierversnipperaar, herlezen en daarna toch maar teruggelegd. Dat soort woorden kon nog van pas komen.)
Zo was hun toekomst begonnen met diepe, brede, lege laden.
Drie had ze er indertijd voor hem geleegd, de bovenste helft van haar enige commode. Een inwijding was dat geweest. Een plechtigheid. Tilly had er maar liefst een week over gedaan. Ze had het niet lastig gevonden haar eigen spullen weg te doen om plaats te maken voor de zijne, ze was zich er alleen sterk van bewust geweest dat zij een ritueel aan het voltrekken was.

Bij de simpelste handeling wilde zij stilstaan – toen evenzeer als nu – en tegen zichzelf zeggen dat die nodig was omdat haar leven op het punt stond onomkeerbaar te veranderen.
Datmoment wilde zij proeven.
Niet dat zij niet bang was voor verandering, integendeel, toen vreesde zij die evenzeer als nu, maar als het leven dan toch op zijn kop moest, dan wilde zij die omwenteling liefst zelf bewust in gang zetten. Dit deed haar goed. Het ritueel. Alsof ze daarmeewat stond te komen nog enigszins in eigen hand hield.
Diepe, brede, lege laden, wachtend op een toekomst.
Dus deed ze alles met beleid en een strakke blik vooruit. Op beslissende momenten in het leven krijgt zelfs het opvouwen van sokken een betekenis.

Toen ze met een stapeltje beneden kwam en het in de bijkeuken in de bananendoos met spullen voor het goede doel wilde leggen, vond ze Markus daar op handen en voeten, half weggedoken in de kast met haar tuiniergereedschap, een hobby waar ze hem nooit eerder op had kunnen betrappen.
‘Wat zoek je?’
‘Ehm.’Markus aarzelde. ‘Een paraplu?’
‘Ik weet het goed gemaakt, probeer de paraplubak eens.’ Tilly wierp een blik op haar horloge. ‘Daar staan er een stuk of zes, misschien zit er iets voor je bij.’ Ze legde het linnengoed weg, gooide de deur open en snoof de buitenlucht op, nadrukkelijk verheerlijkt. ‘Niet dat je er een nodig hebt, ik zeg je toch, het weer is goddelijk.’
Ongeduldig sprong Cousteau tegen hem op.
Zij hield één hand op de klink en wees Markus, alsof hij niet wist waar het mooie weer zich precies bevond, met een galant gebaar de weg naar buiten, maar de enige die het zich geen twee keer liet zeggen was Cousteau.
‘En kijk dat zand dan eens,’ stribbelde Markus tegen. Hij kwam overeind met een grote spade. ‘Dat zand is nat.’
‘Straks ja,’ verzuchtte Tilly, ‘straks gaat het regenen, later. Na de middag, hebben ze gezegd, ver na de middag is er hier en daar kans op een bui. Maar dan ben jij al lang en breed terug, nietwaar? Gesteld tenminste dat je nu onderhand een keer vertrekt, zeg, alsjeblieft. Ik dacht dat jij al weg was. Je bent nooit zo laat.’
‘Eigenlijk is het ook beter zo,wat steviger, die grond. Zo’n beetje vochtig.’ Markus liep terug naar de kast, koos een scherp plantenschepje en veegde met een duim wat roest van de punt. Uit de stapel schoenendozen voor het goede doel koos hij de allergrootste, die waar Tilly haar bontgevoerde winterlaarzen in had bewaard, en hij verdween ermee de hal in.
Dit was eigenaardig gedrag, zelfs voor hem.
‘Ik kan nou eenmaal geen geheim bewaren,’ riep hij over zijn schouder. ‘Je zou er toch achter zijn gekomen.’
Het liep tegen half tien, nu werd het nijpend.
‘Het is nogal droevig,’ was het enige wat hij kwijt wilde toen zij uitleg vroeg.
‘Het hele leven is nogal droevig,’ zei ze. ‘Dat is geen reden om er dan verder maar gewoon nooit meer iets over te zeggen.’
Hij sloeg zijn ogen neer en knikte. ‘Het is Eefje.’
‘Wat is er met Eefje?’
‘Dood.’
‘Dood? Aggot. Wanneer?’
‘Net.’
‘Nú net? Hè, bah! En hij?’
‘Hij? Hij is ontroostbaar natuurlijk, wat dacht je?’
‘Waar is ze?’
Markus hield de schoenendoos voor zich en schudde die voorzichtig heen en weer. Er schuurbonkte daarbinnen iets.
‘De hele begrafenis is al gepland, ze komt op het ereveld. Tussen de parkiet en de hamster. Met zijn allen onder een regenboog! Zo’n teken van de natuur verschaft altijd troost op zo’n moment. Hoopvol. Alsof de goden even knipogen.’
‘Er is geen regenboog.’
‘Nee, er is er geen.’Hij haalde zijn schouders op. ‘Hoe dan ook, we gaan een mooi plekje voor haar zoeken.’
‘Ik weet een plekje.’ Tilly nam hem de schoenendoos uit handen, liep ermee naar de keuken, pakte de diepe koperen braadslee en liet die vollopen met water. Ze opende de doos, haalde de dode kreeft die erin zat tevoorschijn en bekeek haar.
Het was dat de kop enigszins geknakt terzijde hing, verder vertoonde de overledene amper minder leven dan tijdens haar gevangenschap.
Sinds enkele maanden hielden zij in een groot aquarium in de woonkamer twee kreeften, gered uit de vistank van een vijfsterrenrestaurant – een idee van Markus uiteraard, die er niet tegen kon dat ze hem de hele maaltijd lang zo smekend waren blijven aankijken. Eefje en Jozias had hij ze genoemd naar de eigenaar en zijn vrouw die hem de dieren uiteindelijk hadden verkocht tegen de prijs waarvoor ze op de menukaart stonden. Niet volledig weggegooid dat geld als je bedacht dat een van twee vandaag alsnog ging eindigen à la thermidor.
‘Niets verloren laten gaan.’ Tilly hield Eefje onder dewarme kraan en begon haar af te borstelen. ‘Dat is de grootste eer die je de natuur kunt bewijzen: van elke catastrofe nog iets nieuws proberen te bakken.’
‘Goed om te weten dat je er zo over denkt.’ Markus kwam achter haar staan, sloeg zijn armen om haar heen, drukte haar even tegen zich aan en kuste haar in haar nek. ‘Ik zal het doorgeven aan jouw uitvaartverzorger: een korte toespraak, een stemmig stuk muziek en dan iedereen een servet voor en aanvallen!’
‘Kannibaal!’ Tilly lachte en duwde hem weg.
Ze keek op de klok. Zo meteen wilde hij nog vrijen.
‘Op die manier kan ik me straks het geld voor een koffietafel mooi besparen. Weet je wat ze voor die onzin vragen met een krentenbol erbij en een plak cake?’ Hij schoof een kruk bij en kwam zitten. ‘Dan doe ik daar liever iets leuks van.’
‘Jij gaat zitten?’
‘Klopt.’ Hij liet zijn hoofd op zijn gevouwen armen rusten en keek haar dromerig aan.
‘Dus je maakt geen wandeling?’
‘Ongelooflijk, zo scherp als jij de dingen doorhebt.’
God ja, dacht hij, wat een schitterende vrouw! Hij zag alle veranderingen wel die zich aan haar voltrokken, maar ze schrokken hem niet af. Integendeel, na zoveel jaren huwelijk hadden die hem de ogen juist opnieuw geopend: hij hield van haar. Niets deed daar afbreuk aan, hij had altijd van haar gehouden.
‘Ik bedoel,’ sprak ze, ‘nog even en het is tien uur.’
‘Alweer juist.’
‘Het is eb.’
‘Je bent een wandelende almanak.’
‘Waarom ga jij niet? Wat betekent dat, waarom juist vandaag niet? En Cousteau dan? Je gaat elke ochtend zodra het eb wordt.’
‘Behalve als het regent.’
‘Het regent niet!’ Ze smeet Eefje met zo’n kracht in het water dat het in zijn gezicht spatte. ‘Het is kurkdroog buiten. Al weken. Het is te hopen dat het straks gaat regenen. Na de middag. Als jij terug bent. Van je wandeling. De natuur smacht naar een beetje regen. Om een keer een eind te maken aan die droogte. Links en rechts vallen duinkonijnen dood van dorst.’
‘En toch is dat zand nat.’
‘Natuurlijk is dat zand nat,’ snauwde Tilly. Ze greep met haar handen naar haar haren en plukte pulkend aan de pieken terwijl ze zocht naar een verklaring. ‘Ik heb de tuin gesproeid.’
‘De tuin gesproeid, wanneer?’
‘Vannacht. Vanochtend vroeg. Vijf uur, half zes. Ik kon niet slapen.’
‘Waarom niet?’
‘Waarom wel? Zou jij zo lekker slapen als je mij was?’
Haar man hield zijn hoofd schuin en bekeek haar door zijn wimpers. Ze had een punt en toch wist hij niet of hij haar moest geloven.
‘Ik heb niks gemerkt,’ zei hij. ‘Je moet me wakker maken.’
‘Daar kan ik niet aan beginnen. Ik slaap zo vaak niet tegenwoordig.’
‘Jij zou me wakker maken, dat heb je beloofd. Ik wil niet in mijn eentje liggen, Tilly. Ik wil gewoon bij jou zijn, ook ’s nachts.’
‘Dat slapen, ik vind het gewoon zonde van mijn tijd.’
‘En mijn tijd dan? Onze tijd samen. En dan nog, al ben je op, waarom ga je uitgerekend de tuin sproeien in het holst van de nacht?’
‘Omdat ik die droogte zat ben.’ Ze was klaar met dit gesprek en flapte het er zomaar uit, maar nu de woorden tussen hen in hingen, begreep ze dat het waar was. Ze pakte zijn hand en drukte die tegen haar wang. ‘Ik wil dat alles deze zomer opbloeit. Kun je dat begrijpen? Iedere struik, iedere tak. Alles moet uitkomen. Begrijp je dat, Markus? Ik wil alles laten bloeien. Ik wil dat alles bloeit. Nog één keer. Elk rottig sprietje.’
‘Ik geloof jou voor geen meter,’ zei hij en hij drukte een kus op haar voorhoofd. ‘Jij wilt maar één ding, jij wilt mij de deur uit hebben. Vraag me niet waarom, maar dat hele verhaal is bedoeld om mij naar buiten te werken, nietwaar?’
Hij liep naar de deur. ‘Kijk eens, ik geloof je niet en toch ga ik. Dat is nou liefde.’
‘Het is eb,’ zei Tilly. ‘Als je nog schelpen wilt vinden, moet je nu gaan. Dat is alles.’
Cousteau sprong met zijn poten tegen zijn baasje op en rende vast vooruit.
‘Nu maar hopen dat het niet is wat je weleens hoort,’ mompelde Markus plagend, ‘over vrouwen zoals jij.’
‘Vrouwen zoals ik, wat heb jij dan gehoord?’
‘Dat ze ineens nog één keer... je weet wel.’ Hij koos een plastic tasje om de schelpen in te doen die hij onderweg zou vinden, en pakte het nagelborsteltje om het zand eraf te vegen.
‘Dat ze op de valreep een keer buiten de pot willen piesen.’
‘Op de valreep?’ Ze lachte. ‘Doen ze dat?’
‘Om te zien of ze nog aantrekkelijk zijn.’ Hij keek Tilly aan. ‘Wat dat betreft kan je hem wel afbellen, die gigolo. Jij bent de aantrekkelijkste vrouw die ik ken, Til. De meest bijzondere die ik ooit gekend heb. Als ik daarover nadenk kan ik niet geloven dat een vrouw als jij ooit heeft kunnen vallen voor eenman zoals ik. Nee, echt, ik kan het niet geloven. Na al die jaren nog steeds niet, niet echt. Ik hou van jou. Weet je dat goed? Jij bent mijn leven. En als jij mij zo nodig even weg wilt hebben, heb je daar vast een goeie reden voor.’ Hij ritste zijn windjack dicht en trok de kraag van zijn overhemd erbovenuit.
‘Ik hoop alleen niet dat hij zo’n kort t-shirtje draagt, die geheime minnaar van je, dat vind ik zoiets ordinairs, zo’n kort t-shirt met van die opgerolde mouwen en een strakke spijkerbroek.’
‘Maak je geen zorgen,’ zei Tilly, terwijl ze haar portemonnee uit de la van het keukenblok haalde, ‘zolang ik met hem bezig ben draagt hij helemaal niks. Nou vooruit, zet je horens op en ga.’ Ze stopte hem wat bankbiljetten toe.
‘Hier.’
Mij hoef je niet te betalen, ik ben een van die sukkels die het gratis en voor niks doen.’
‘Neem het nou.’
‘Waar is dat voor?’
‘Als je doorloopt naar het dorp kun je meteen een nieuwe kopen.’
‘Een nieuwe kreeft? Meteen vandaag?’
‘Ik vind het zielig voor die ander,’ zei Tilly. ‘Zo in zijn eentje.’
‘Maar is dat wel gepast?’ vroeg Markus. ‘Terwijl de overledene nogmaar amper onder de sauce béarnaise ligt?’
‘Ze leven nou eenmaal in paren.’
‘Dat is waar, ze leven in paren.’
‘Arme Jozias. Zeg, als je dan toch in het dorp bent, breng bij de bladenman wat leesvoer voor me mee.’
‘Is hij zo langzaam?’ Markus stopte de biljetten bij zich.
‘Die kerel die je elk moment verwacht? Dat je me helemaal heen en weer probeert te laten lopen naar het dorp. Nogal doorzichtig, mij om allemaal boodschappen sturen alleen om jullie hier voldoende tijd te geven.’
‘Niet álle mannen hebben aan vijf minuten genoeg.’
‘Niet alle mannen zouden zo’n lange tocht voor jou ondernemen, enkel en alleen uit liefde, en dat in die “verzengende” droogte!’
‘Als je voor de avond niet terug bent, zal ik een patrouille sturen,’ zei Tilly laconiek en ze liep op hem toe om hem een afscheidskus te geven als altijd, maar dit keer nam hij haar beet en hij drukte haar weer tegen zich aan.
‘Liefste, áls ik misschien eens te veel haast heb – wat ik bij hoog en bij laag ontken – maar als ik haast heb, in bed of waar dan ook, dan is dat hooguit om tijd te winnen. Tijd om nog veel vaker met jou te kunnen vrijen. Tijd! Er is zoveel wat ik met jou nog wil. Weet je dat goed?’
‘Dat weet ik.’
Ze wilde meer zeggen, maar wist niet hoe. Ze greep zijn armen beet en trok hemnog dichter naar zich toe. Dit zou het moment zijn om het hem te vertellen. Gewoon nu alles op tafel gooien voordat het hele plan in gang gezet werd en er zometeen geen weg terugmeer zou zijn. Ze keek over zijn schouder op haar horloge. Wat een zenuwen zou het schelen, wat een ellende, als ze het er nu gewoon uit had kunnen gooien.
‘Wat, lieverd?’ vroeg Markus.
‘Niks.’
‘Goed,’ zei hij, ‘tot straks dan.’ Hij maakte zich los en floot door zijn tanden ten teken aan Cousteau dat hun wandeling nu officieel begon. ‘Maar denk niet dat ik het erbij laat zitten. Het eerste wat ik in het dorp ga doen, is ergens een veel te kort t-shirt kopen én een strakke spijkerbroek en dan zullen wij nog weleens zien wie er aan het langste eind trekt.’

 

Copyright © 2013 Arthur Japin
Auteursportret copyright © Corb!no

Uitgeverij De Arbeiderspers

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum