Leesfragment: De natuur op papier. 175 jaar Artis Bibliotheek.

27 november 2015 , door Erik Zevenhuizen

Artis bestaat 175 jaar en ter ere daarvan verschijnt op 10 december de kleurrijke verhalenbundel De natuur op papier. 175 jaar Artis Bibliotheek. Wij publiceren voor uit het essay van Erik Zevenhuizen: 'Salm had op zijn bouwtekening elke kast negen planken gegeven, ruimte voor bijna driehonderd strekkende meter boeken oftewel bijna negenduizend banden. Op de galerij was plaats voor nog eens zo’n hoeveelheid. Met de vijfduizend banden die de bibliotheek volgens het eerder besproken verslag in 1862 bezat was de ruimte dus duidelijk op de groei gemaakt.'

Natura Artis Magistra, opgericht in 1838, is de oudste nog bestaande dierentuin van Nederland. De Artis Bibliotheek, die nu deel uitmaakt van de Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, viert in 2013 samen met Artis haar 175-jarig bestaan.

In De natuur op papier. 175 jaar UvA-Artis bibliotheek maken we een rondgang door de geschiedenis. We lezen hoe Artis zich ontwikkelde van een kleine, voor een select publiek toegankelijke instelling tot een van de grootste publiekstrekkers van Amsterdam. En we maken bovenal kennis met de wonderen der natuur die meeslepend en gloedvol op papier zijn gebracht en die nergens zo mooi zichtbaar worden als in de Artis Bibliotheek.

De historici Hans Mulder en Erik Zevenhuizen redigeerden de prachtig geïllustreerde verhalen van de vele onderzoekers die zich met de Artis Bibliotheek nauw verbonden voelen, zoals Redmond O'Hanlon, Tijs Goldschmidt en Kester Freriks. De toegankelijk geschreven teksten en de vele bijzondere illustraties uit de collectie van de bibliotheek maken dit een heerlijk boek om in te lezen en te bladeren.

'Een bijzondere collectie in een bijzonder gebouw. Een geschiedenis van de Artis Bibliotheek'

door Erik Zevenhuizen

I. Genootschapsbibliotheek

Levend, opgezet en van papier

Waren ze het vergeten, vonden ze het te vanzelfsprekend, of vonden ze het niet aantrekkelijk genoeg om te vermelden? Toen in het voorjaar van 1838 enkele natuurlievende Amsterdammers een circulaire verspreidden waarin zij lieten weten 'eene sociëteit' met de naam Natura Artis Magistra op te willen richten met als doel 'het bevorderen van de kennis der natuurlijke historie', meldden zij daarin dat de verzameling van dat genootschap zou gaan bestaan 'uit eene collectie uitheemsche vogelen en viervoetige dieren, zoowel levende als opgezet'. Dat ook een collectie zoölogische boeken en tijdschriften zou worden aangelegd, een collectie waarvan de huidige Artis Bibliotheek de lijnrechte afstammeling is, werd niet gemeld. Toch was dat vrijwel meteen het geval.
Dat de levende en opgezette dieren gezelschap zouden krijgen van papieren dieren was onvermijdelijk. Rond 1840 was het lang niet altijd mogelijk om 'kennis der natuurlijke historie' te verwerven of te bevorderen aan de hand van levende dieren. Dieren vanuit andere continenten overbrengen naar Europa was een moeizame onderneming; vaak overleefden zij de reis niet. Lukte het wel ze levend over te brengen, dan stierven ze vaak al spoedig want de kennis over voeding, leefgewoonten en ziekten was gering. Dieren in hun eigen omgeving bestuderen was evenmin eenvoudig. Een expeditie uitrusten vergde veel geld en een enorme organisatie. Onderzoek vond daarom vaak plaats aan de hand van opgezette exemplaren. Dieren die in gevangenschap overleden werden ontleed en opgezet. Reizigers, onderzoekers, familieleden en vrienden in andere continenten waren goede bronnen van geprepareerde dieren, al dan niet tegen betaling. Opgezette dieren waren handelswaar, en wetenschappers en liefhebbers ruilden onderling. De vergaarde kennis werd vastgelegd en verspreid in boeken en tijdschriften, vaak voorzien van prachtige illustraties. Voor veel liefhebbers enerzijds en veel diersoorten anderzijds was een beschrijving en een afbeelding het enig haalbare. Levende, opgezette en papieren dieren vormden zo een onafscheidelijke en vanzelfsprekende drie-eenheid met een wat begeerlijkheid betreft afnemende volgorde.
Al in de algemene ledenvergadering van het Genootschap Natura Artis Magistra (spoedig kortweg 'Artis' genoemd) op 10 april 1839, nog geen jaar na de oprichting, meldde G.F. Westerman, boekhandelaar, drukker, uitgever en een van de initiatiefnemers, dat van de directeur van het Rijksmuseum voor Natuurlijke Historie in Leiden 'een geschenk in boeken' was ontvangen. Nog diezelfde maand kwamen meer boeken binnen. Bestuurslid L.J.J. Serrurier schonk het veertien delen tellende Oeuvres complètes de Buffon (1828-1830). Twee weken later meldde Westerman de ontvangst van Nouveau recueil de planches coloriées d'oiseaux (1820- 1838) door Temminck en Meiffren de Laugier, baron de Chartrouse, compleet in 102 afleveringen. De gever wenste onbekend te blijven, maar uit het inmiddels gestarte register waarin de binnengekomen geschenken werden genoteerd blijkt dat het de secretaris van het bestuur, H.C. Müller, was. Dat register was ingedeeld in drie rubrieken: Diergaarde, Kabinet en Bibliotheek. Het derde kopje werd spoedig weggelaten want in de betreffende kolom werden tevens andersoortige geschenken genoteerd zoals beelden en planten. Het illustreert heel mooi de eerder geschetste driedeling en de verschillende graden van begeerlijkheid.
Vergeten, te vanzelfsprekend of niet aantrekkelijk genoeg: het maakt eigenlijk niets uit waarom het aanleggen van een collectie boeken in de 'geboorteakte' van Artis ontbrak. Het ontstaan van de Artis Bibliotheek was onvermijdelijk. Terecht beroept zij zich daarom op haar 175-jarig bestaan.

Bibliotheek, bibliothecaris, boekenkast

De bovengenoemde circulaire met daarin het plan voor de oprichting van Artis werd verspreid vlak nadat de initiatiefnemers de beschikking hadden gekregen over de tuin 'Middenhof'. Deze lag op de hoek van de Plantage Middenlaan en de Prinsengracht in 'De Plantage': een gebied met tientallen tuinen, doorsneden door lommerrijke lanen, dat aan het einde van de zeventiende eeuw door het stadsbestuur aldus was ingericht omdat particulieren geen belangstelling hadden de grond te kopen voor huizenbouw. Van de grond (eigendom van de gemeente) had het Genootschap het huurcontract en van het erop gebouwde huis (van de vorige huurder) het eigendom verkregen.
Spoedig nadat de circulaire was uitgegaan en de eerste potentiële leden bij elkaar waren gekomen, was al duidelijk dat het plan voor de sociëteit op voldoende steun kon rekenen. Diverse leden schonken levende en opgezette dieren uit eigen bezit en met de eerste contributiegelden werden enkele aankopen gedaan. Zo was er al na enkele maanden een kleine collectie voorhanden waarmee 'Middenhof' kon worden ingericht. Voor de opgezette dieren, de dieren die niet in de buitenlucht konden blijven en voor het inmiddels ontvangen 'geschenk in boeken' werd een houten gebouwtje neergezet. Het kwam achterin de tuin, met de achterzijde langs de (inmiddels verdwenen) Plantage Franselaan. Op 9 september 1839 werd het feestelijk in gebruik genomen. Het was feitelijk het eerste onderkomen van de Artis Bibliotheek.
In de bestuursvergadering van 10 juni 1840 meldde Westerman opnieuw een schenking voor de boekerij, namelijk de verslagen uitgegeven door de Zoological Society in Londen. Het was voor hem aanleiding om zijn collegabestuursleden te vragen 'of 't geen zaak was om eens goed te denken over de bibliotheek'. Voorzitter C.F. Gulcher stelde hierop voor om bestuurslid Serrurier te benoemen tot bibliothecaris 'ten einde die kostelijke werken onder behoorlijke zorg te houden'. Het voorstel werd met algemene stemmen aangenomen. Serrurier maakte direct werk van zijn nieuwe taak. Al in de volgende bestuursvergadering presenteerde hij een tekening voor een boekenkast. Die viel bij iedereen in de smaak, en nog groter was het genoegen toen Serrurier staande de vergadering verklaarde de kast uit eigen zak te zullen betalen. Of zoals de notulist het verwoordde: 'De heer Serrurier vereerd op zijn wel edele eigene wijze de kast voor de bibliotheek van het Genootschap'. Meer geschenken volgden, en dus was twee maanden later het volgende besluit onvermijdelijk: 'Op voorstel van de bibliothecaris wordt besloten een catalogue te formeeren. Agter elk werk zal worden geplaatst de naam der gever of tijdelijk ter beschikking aan het genootschap gesteld.'

Open voor het publiek

Artis groeide na haar bescheiden begin verder en de boekerij groeide mee. Maar terwijl de groei van de collecties levende en opgezette dieren voor alle leden zichtbaar was en daarvan met volle teugen werd genoten, was dat voor de collectie papieren dieren niet het geval. Dat blijkt uit Het Genootschap Natura Artis Magistra in eenige voorname punten van beschouwing beoordeeld, een in 1853 uitgegeven brochure waarin zich enkele achter het pseudoniem 'Schrijver & Co' verschuilende leden flinke kritiek uitoefenden op de gang van zaken. Over de bibliotheek schreven zij: 'Wel zegt men het een en ander te bezitten dat naar eene boekerij zweemt, dat althans daarvan een begin kan vormen, maar het is opgesloten, het ligt in diepe eenzaamheid, voor het grootste deel welligt in een bijzonder huis, verscholen en komt nooit onder de oogen der leden.'
Misschien was het door deze kritiek dat het bestuur besloot een ruimte speciaal voor de boekencollectie in te richten en die voor de leden open te stellen. Op de plattegrond van de diergaarde die werd afgedrukt in het Jaarboekje (een combinatie van almanak, aanlokjaarverslag en leesboekje dat sinds 1852 door het Genootschap onder de leden werd verspreid) voor het jaar 1854 prijkt een gebouwtje dat wordt aangeduid als 'bibliotheek'. Het was het huis van de voormalige tuin 'Binnenvreugd'. Deze tuin, gelegen aan de Plantage Franselaan tussen de Prinsengracht en de Plantage Lepellaan, was toen juist verworven, samen met zes aangrenzende tuinen waardoor de oppervlakte van de diergaarde aanmerkelijk was vergroot. Ook trad het bestuur in onderhandeling met G.F. Westerman, inmiddels directeur van Artis. In de voorgaande jaren had die veel boeken en tijdschriften voor het Genootschap gekocht maar alles uit eigen zak betaald omdat de kas van Artis onvoldoende gevuld was. Hij had de collectie thuis staan en maakte er als verwoed (amateur)zoöloog druk gebruik van. Andere leden die de werken wilden raadplegen waren echter altijd welkom om dat te doen. Dat zich boeken van het Genootschap 'in een bijzonder huis' bevonden, zoals Schrijver & Co vermoedden, klopte dus, maar verscholen waren ze niet. Met het voornemen om de bibliotheek voor de leden open te stellen was het tijd de collectie over te nemen. Na het optellen van alle aankoopbedragen bleek dat Westerman bijna ƒ 8000,- had uitgegeven. Sommige boeken waren voor de destijds betaalde prijs niet meer te krijgen zodat de verzekeringswaarde werd geschat op ƒ 12.000,-. Ter vergelijking: een geschoold arbeider verdiende toen ƒ 300,- tot ƒ 400,- per jaar. Een vergoeding in eens kon de kas van het Genootschap niet dragen en dus besloot het bestuur Westerman te compenseren met een jaarlijkse vergoeding van ƒ 600,-, zijn hele leven lang.
Inmiddels had het bestuur besloten de bibliotheek bij de aanvang van het nieuwe verenigingsjaar 1857-1858 te openen. De wet van het Genootschap werd aangepast (aan de middelen om de doelstelling te bereiken, namelijk 'eene uitgebreide diergaarde, een zoo volledig mogelijk museum en de uitgave van [het tijdschrift] Bijdragen tot de Dierkunde', werd toegevoegd: 'eene bibliotheek') en er werd een 'Reglement van orde voor de bibliotheek' vastgesteld. Volgens dit reglement was de bibliotheek elke dinsdag en donderdag van elf tot vier uur geopend, maar diende een bezoeker zich vooraf toch te melden bij de directeur of de bibliothecaris. Zelf boeken uit de kast halen was niet toegestaan; wie iets wenste diende de bibliothecaris te vragen het verlangde te pakken. Met uitzondering van de plaatwerken mochten boeken worden geleend gedurende veertien dagen, welke periode kon worden vernieuwd. Op te laat terugbezorgen stond een boete van 50 cent, wie een boek meenam buiten medeweten van de bibliothecaris verbeurde ƒ 3,-. Sommige bepalingen gelden in de huidige Artis Bibliotheek nog steeds: 'Zij die de bibliotheek bezoeken zullen de behoorlijke stilte in acht nemen ten einde anderen in hunne lektuur niet te hinderen'; 'Bij het nemen van afschriften is het gebruik van inkt verboden. Potlood en papier zullen ter dienste der bezoekers voorhanden zijn'; 'Het tabakrooken op de bibliotheek is verboden'.
Ten slotte werd vastgesteld 'dat vóór de opening der bibliotheek alle de boeken die het eigendom zijn van het Genootschap als zoodanig met den stempel van hetzelve zullen worden voorzien'. Dat is het fraaie reliëfstempel met het monogram 'nam' en het randschrift 'Koninklijk Zoölogisch Genootschap - Amsterdam' dat in ontelbare boeken van de Artis Bibliotheek is aan te treffen. Door onbekende oorzaak liep de opening van de bibliotheek vertraging op; het werd niet de aanvang het nieuwe verenigingsjaar, 1 mei 1857, maar de aanvang van het nieuwe kalenderjaar: 1 januari 1858.

Minder populair dan een apenpaleis

De bibliotheek trok niet het aantal bezoekers dat het bestuur had gehoopt. Er werd geprobeerd de belangstelling te vergroten met berichtjes in de krant, aanplakbiljetten in de 'gezelschapszalen' van Artis en een stukje in het Jaarboekje voor 1860 waarin een aanlokkende afbeelding van het bibliotheekinterieur was opgenomen. De 'Commissie voor de Bibliotheek' (directeur Westerman en een bestuurslid) meldde het bestuur in haar verslag over het verenigingsjaar 1861-1862 dat er werkelijk 'tekenen van toenemende belangstelling' te bespeuren waren geweest, maar dat het gebruik nog steeds tegenviel. De Commissie hoopte dat met meer reclame de belangstelling verder zou toenemen. 'Zij twijfelt nogtans of het wel ooit gelukken zal aan de bibliotheek die algemeene en levendige sympathie te verzekeren die van de zijde der menigte bijna uitsluitend aan theetafel, trompetgeschal en apenpaleis schijnt voorbehouden te zijn'.
Het gebouw zelf liet volgens de Commissie ook te wensen over: dak en wanden waren in slechte staat, het gebouw was erg vochtig en er was te weinig ruimte om de groeiende collectie behoorlijk te kunnen herbergen. De tegenvallende belangstelling hadden commissie en bibliothecaris er niet van weerhouden de boekenschat uit te breiden met enkele aankopen. De meeste nieuwe aanwinsten waren nog steeds schenkingen. Ook aan de registratie was serieuze aandacht geschonken. Alle boeken en tijdschriften die vóór de opening waren binnengekomen waren genoteerd in een 'stamboek' en dat werd met de nieuwe aanwinsten steeds aangevuld. Midden 1862 omvatte de collectie 1950 titels, verdeeld over vijfduizend banden; naar schatting 170 meter plankruimte.
De Commissie voor de Bibliotheek meldde verder dat zij graag de catalogus van de bibliotheek in boekvorm zou uitgeven, maar daarvoor eerst van het bestuur duidelijkheid wilde hebben over de plaats die de bibliotheek binnen de verschillende verzamelingen van Artis zou moeten innemen. Dacht het bestuur aan 'eene eenvoudig ingerigte leeskamer waarin de leden gelegenheid vinden nu en dan een nuttig of aangenaam geschrift te raadplegen', of wilde het 'eene betrekkelijk volledige wetenschappelijke bibliotheek voor de beoefening van natuurlijke historie en verwante vakken van natuurkundige wetenschap'? Het zou nog twintig jaar duren eer er antwoord op deze vraag kwam. In 1881 werd een gedrukte catalogus gepubliceerd die voldeed aan alle wetenschappelijke eisen: een indeling in rubrieken (overgenomen uit het Leerboek van de grondbeginselen der dierkunde door de Utrechtse hoogleraar zoölogie Pieter Harting), de volledige vermelding van de titels, de opgave van het formaat en een alfabetische index. Het is dan ook een kloek boekwerk van 563 pagina's. De titels zijn genummerd van 1 tot en met 4381. In twintig jaar tijd was de collectie wat het aantal titels betreft dus meer dan verdubbeld. De zoölogische werken zijn uiteraard het talrijkst: 1929 nummers. Daarnaast zijn algemeen natuurhistorische werken (inclusief de vele werken van Buffon en Linnaeus) en land- en reisbeschrijvingen het ruimst vertegenwoordigd: 281 en 460 titels. De tijdschriften omvatten 925 titels. Samensteller was Gilles Janse, waarschijnlijk sinds 1876 de bibliothecaris. Voor zijn eigen administratie beschikte hij over een met blanco pagina's doorschoten exemplaar; hierin noteerde hij alle veranderingen en aanvullingen. Dat exemplaar is nog steeds in de huidige bibliotheek aanwezig. De boeken en tijdschriften zijn sinds 1881 enkele keren van nieuwe nummers voorzien. In de huidige digitale catalogus staan de oude nummers nog als extra informatie vermeld.

II.Stenen bibliotheek

In de problemen door succes

Alle zalen en alle kamers in het grote gebouw waarin de Artis Bibliotheek gevestigd is, hebben in hun bijna 150-jarig bestaan meer dan één gebruiker en meer dan één functie gehad. Op één uitzondering na: de zaal waarin de bibliotheek zelf zich bevindt. Is zo'n lange, ononderbroken gebruiksgeschiedenis voor een openbaar gebouw al bijzonder, voor een bibliotheek is het bijna uitzonderlijk; er zijn in ons land maar enkele bibliotheken uit de negentiende eeuw die hun oorspronkelijke functie hebben behouden. De ruimte waarin de Artis Bibliotheek zich bevindt is dan wel speciaal voor haar gebouwd, de reden om haar te bouwen ligt erbuiten.
Vijfentwintig jaar na de oprichting was Artis een cultureel-wetenschappelijk trefpunt geworden, een begrip in de stad en nationaal en internationaal bekend en gewaardeerd. Het aantal (mannelijke) leden en (vrouwelijke) donatrices liep tegen de vierduizend. Voor steeds meer scholen en instellingen, zowel van binnen als van buiten de stad, was Artis het doel voor een uitje. In de tuin was een keur aan exotische dieren te zien, zowel zwemmend, kruipend, lopend als vliegend. In het imposante hoofdgebouw langs de Plantage Middenlaan (nabij de Plantage Kerklaan) konden leden en bezoekers terecht in twee 'gezelschapszalen' met restaurant. Op de eerste verdieping bevonden zich twee museumzalen vol met opgezette dieren en skeletten. In de muziektent voor het hoofdgebouw werden in de zomermaanden muziekuitvoeringen gegeven.
Maar datzelfde succes had tot enkele problemen geleid waarvan er drie om onmiddellijk ingrijpen vroegen. Ten eerste was daar de enorme drukte in de gezelschapszalen, gebouwd in het begin van de jaren vijftig, toen het aantal leden minder dan de helft bedroeg van dat van tien jaar later. Ten tweede was er het ruimtegebrek in de tentoonstellingsruimten. De collectie was zogegroeid dat maar een deel tentoongesteld kon worden. Ten slotte was er de krappe huisvesting van enkele dieren. Het nijpendst was de situatie van de twee nijlpaarden. Het Genootschap had de beide dieren, Betsy en Herman genaamd, in 1860 gekocht. Ze waren toen nog geen twee jaar oud geweest en in hun bassin van 24 m² hadden zij dan ook alle ruimte gehad. Maar inmiddels waren de dieren volwassen en was het bassin veel te klein.
In de bestuursvergadering van 18 december 1865 presenteerde de bouwcommissie van het Genootschap (directeur Westerman en twee bestuursleden) een plan dat een oplossing bood voor alle drie de problemen. Eenvoudig was het opstellen ervan niet geweest, zo liet men weten. Het Genootschap was gesticht met het doel 'de kennis der natuurlijke historie in het algemeen, die der dierkunde in het bijzonder te bevorderen' en het bestuur had daardoor de verplichting de collectie steeds uit te breiden en 'door eene doelmatige plaatsing deze aan het onderzoek der leergierigen dienstbaar te maken'. Aan geld om dat doel te verwezenlijken ontbrak het door het grote aantal leden niet. Echter:

Wie nu wanen mogt dat het grootste getal der leden uit zuivere zucht voor de wetenschap hun offer aan de inrigting brengen, of dat er vreemdelingen gevonden worden die hunne introductie betalen om de pogingen des bestuurs te ondersteunen, bedriegt zich zeer. Zeer gering is het getal dergenen die binnen onze muren voedsel zoeken voor hunnen geest, noch geringer dat van hen die met kennis van zaken de zorgen ter vermeerdering der verzamelingen en hunnen doelmatige plaatsing door het bestuur aangevend, naar eisch waarderen. Men wil genieten, elk naar mate zijner verstandelijke ontwikkeling, naar de aandrift van zijn gevoel. Vriendschappelijk verkeer, aangename wandeling, sierlijke aanleg, fraaije bloemen, naar eisch ingerigte lokalen, goede en niet te dure ververschingen, van tijd tot tijd muziek, en hier en daar een mooi dier. Zie daar wat de massa wil, zie daar waar zij hare contributie met genoegen voor betaalt.

Om het doel van het Genootschap te realiseren was het onvermijdelijk noodzakelijk 'de zoo even geschetste massa te vriend te houden'. Die verzekerde het Genootschap met haar lidmaatschap en bezoeken immers van een vast inkomen. De bouwcommissie had voor haar plan dan ook speciaal rekening gehouden met de wensen van het grote publiek.

Een ambitieus bouwplan

Het plan van de bouwcommissie omvatte drie onderdelen. In de eerste plaats moest er een nieuw gebouw met gezelschapsruimten en restaurant komen op de hoek van de Plantage Middenlaan en de Plantage Kerklaan. Ook het bureau van het Genootschap, de vergaderkamer van het bestuur en de receptieruimte zouden hierin ondergebracht kunnen worden. De bouwkosten werden geschat op ƒ 90.000,-.
Ten tweede diende er volgens de commissie een nieuw gebouw te komen voor alle dikhuidigen, waaronder de olifanten en de nijlpaarden. Voor wat betreft de locatie had men volgens de commissie weinig keus. Het gebouw moest pal naast het bestaande nijlpaardenverblijf komen, tegenover de roofdierengalerij, 'alwaar nu de bibliotheek in een bouwvallig lokaal gevonden wordt'. De commissieleden konden zich namelijk niet voorstellen dat beide kolossale dieren 'naar een van hunne tegenwoordigen stal ver verwijderd gebouw kunnen worden overgebragt, en bij de voltooijing van hun nieuw verblijf daarin (om het zoo uit te drukken) vrijwillig moeten overloopen'. De bouwkosten werden geschat op ƒ 60.000,-.
Ten slotte moesten er ruimten worden gebouwd voor het onderbrengen van de museumobjecten. Dat wilde de bouwcommissiebouwcommissie groots aanpakken. Ze stelde voor om langs de Plantage Middenlaan, van iets voorbij de vijver tot aan de Plantage Badlaan, 'een reeks van lokalen' te bouwen. Zes collecties zouden daarin ondergebracht kunnen worden: de bibliotheek; de insecten, krabben en kreeften; de vissen, slangen en amfibieën; de vogelnesten en eieren; de poliepen en fossielen; en ten slotte de skeletten en schedels. Met de tentoonstellingszalen op de eerste verdieping zouden de ruimten op de begane grond kunnen worden gebruikt voor stallen of aquaria.
Het liefste zag de commissie dat alle zes 'lokalen' tegelijk werden gebouwd, maar dat was financieel en organisatorisch niet mogelijk. De plaats die men ervoor op het oog had was voor het grootste deel bebouwd met voormalige buitenhuizen die hadden behoord bij de erachter gelegen tuinen. Al deze huizen dienden gesloopt te worden. Dat was volgens de bouwcommissie alleen maar toe te juichen want daarmee zou 'de treurige indruk verdwijnen welke op den wandelaar wordt teweeggebracht wanneer zijn oog door de gebrekkige gebouwen langs de Middenlaan onaangenaam wordt getroffen'. Het gebouw waarin het Etnografisch Museum van Artis was ondergebracht maakte een gunstige uitzondering; dat kon behouden blijven. Echter: buitenhuis 'Vrede is mijn Lust' was ingericht als museum voor de collectie vissen, slangen en amfibieën op sterk water en de collectie vogelnesten en eieren (het 'Kleine Museum', als tegenhanger van het 'Grote Museum' op de bovenverdieping van het hoofdgebouw), en 'Leeuwenrust' werd gebruikt als kantoor en vergaderruimte. Voor deze twee moest eerst nieuwbouw plaatsvinden eer er gesloopt kon worden. Nog lastiger was de status van 'Welgelegen' en 'Weltevreden': die werden nog bewoond. Toen het Genootschap in de jaren 1858-1860 alle percelen die het op dat moment huurde van de gemeente Amsterdam kocht, was bepaald dat ook de overige nog in huur zijnde tuinen binnen het gebied omsloten door dePlantage Kerk-, Midden-, Lepel- en Doklaan aan het Genootschap zouden worden verkocht. De huurcontracten hiervan zouden echter van kracht blijven tot de huurders deze zelf zouden beëindigen door opzegging of hun overlijden. Door deze 'noodlottige bepaling', aldus de bouwcommissie, zouden Welgelegen en Weltevreden pas gesloopt kunnen worden na het overlijden van de eigenaresse, de weduwe Happé-Visser, die zelf in Welgelegen woonde en Weltevreden verhuurde. Hierdoor was er voorlopig slechts ruimte voor drie van de zes benodigde gebouwen. De kosten voor elk afzonderlijk gebouw werden begroot op ƒ 22.400,-.
De bouwcommissie stelde ten slotte ook nog voor een nieuw huis te bouwen voor de hoofdopzichter. De kosten hiervoor werden geschat op ƒ 16.000,-, waarmee de totale investering uitkwam op het destijds enorme bedrag van ƒ 300.000,-.

Prioriteit voor de bibliotheek

Het ambitieuze bouwplan was enkele vergaderingen achter elkaar onderwerp van discussie. Onder de bestuurders leefden namelijk twijfels over de financiële haalbaarheid, over de noodzaak veel geld te besteden aan nóg een 'gebouw tot gezellig verkeer' en over de wijze waarop het bestaande hoofdgebouw zich zou verhouden tot de nieuwbouw. De bouwcommissie beantwoordde de twijfels met een verweerschrift waarin zij tevens dieper inging op haar voorstel een reeks afzonderlijke lokalen voor de museumcollecties te bouwen. Het museum van Artis was geen rijksmuseum of academisch museum dat het hoger onderwijs moet ondersteunen, maar een instelling 'om de kennis der dierenwereld uit te breiden, de zucht naar die kennis bij ongeoefenden aan te wakkeren en tevens voor de vakgeleerden de gelegenheid te openen hunne onderzoekingen op het door hun gekozen veld voort te zetten'. Voor dat dubbele doel leek het de commissie dat afzonderlijke zalen te verkiezen waren boven 'een groot geheel waar het oog van den niet-kenner duizelingwekkend wordt vermoeid, de vakgeleerden door de omgeving van zooveel dat niet in zijnen kring van onderzoek ligt wordt afgeleid en gestoord'. Door de zalen (vanwege de ongunstige invloed van bodem en klimaat op de collecties noodzakelijkerwijs gesitueerd op de eerste verdieping) steeds af te wisselen met een trap en vestibule had de bezoeker de keus alle zalen achter elkaar te bezoeken of na enkele of zelfs slechts één zaal het gebouw te verlaten. Ook dit verweerschrift was weer aanleiding tot uitgebreide discussie. Uiteindelijk werd in de vergadering van 12 februari 1866 het voorstel onveranderd aangenomen.
De bouwcommissie ging hierop voortvarend te werk, gedreven door de noodzaak het lot van de nijlpaarden zo snel mogelijk te verbeteren. Eind maart presenteerde architect G.B. Salm, die reeds eerder voor Artis had gewerkt, het bestuur zijn ontwerp voor de eerste van de reeks museumgebouwen, namelijk het onderkomen voor de bibliotheek. Het ligt voor de hand aan te nemen dat hij een gedetailleerd plan had voor indeling en uiterlijk, maar van de bouwtekeningen die van het project bekend zijn draagt alleen het ontwerp van de fundering de datum 'april 1866'; de andere tekeningen zijn van later datum. Wellicht wilde (of beter: kon) de bouwcommissie op dat moment nog niet verder gaan. In de vergadering van 16 april vroeg ze namelijk toestemming aan het bestuur om alvast de fundering van het bibliotheekgebouw te mogen aanbesteden en de bouwkosten daarvan voor te schieten uit de begroting voor volgend jaar; aan de financiering van het hele bouwplan werd nog gewerkt. Het bestuur zag de noodzaak van snel handelen in en gaf de gevraagde toestemming. Van Burgemeester en Wethouders was enkele dagen eerder vergunning ontvangen voor de sloop van de opstallen op de plaats waar de nieuwe bibliotheek zou verrijzen. Nadat B en W op 16 mei toestemming spoedig de uitnodiging aan acht aannemers uit om op het werk in te schrijven; G.G. van Kleef was met ƒ 3268,- de laagste inschrijver. Het contract met hem werd op 11 juni getekend. Precies twee maanden later (de afgesproken bouwtijd) meldde Salm aan het bestuur dat de fundering naar behoren was uitgevoerd en voltooid.

Eenvoud en waarheid

Pas een half jaar later werd de bouw voortgezet. In de bestuursvergadering van 25 februari 1867 presenteerde de bouwcommissie de plannen en ontving zij machtiging de zaak uit te voeren zoals was voorgesteld. Salm had nu alle tekeningen gereed: zijn ontwerp bestond uit een gebouw van dertig meter breed met op de begane grond zeven stallen met ruimte voor uitloop aan de tuinzijde, op de eerste verdieping een zaal (twintig meter bij negen meter) en op de tweede verdieping een galerij geheel rondom de zaal, met aan beide kanten van de stallen en de zaal een toegang met vestibule, trappenhuis en kamers op de eerste en tweede verdieping. De gevels waren eenvoudig uitgevoerd, zoals in veel werk van Salm uit deze periode. De versiering beperkte zich tot het afwisselend gebruik van gele en rode bakstenen, sierlijsten van baksteen en natuursteen en de omlijsting van de deuren en ramen. Onder de dakrand zouden, aan beide zijden, nog wel zes marmeren platen komen met namen van illustere zoölogen uit het verleden. Kunstenaar Jan Groenestein vulde in 1952 de grote lege muurvlakken aan de straatzijde met afbeeldingen van dieren. Hij gebruikte hiervoor de weinig gangbare sgrafitto-techniek: hij bracht drie lagen gekleurde mortel aan en creëerde vervolgens de afbeeldingen door delen van de bovenste twee lagen te verwijderen. Voor het verstevigen van enkele constructies in het gebouw werd ijzer gebruikt. De vloer van de zaal zou ondersteund worden door acht ijzeren kolommen en in de nok zouden ijzeren trekstangen en ornamenten worden aangebracht.De galerij zou een ondersteuning krijgen van enkele sierlijk gekrulde ijzeren consoles en in de balustrade zouden ijzeren spijltjes komen. De staanders van de boekenkasten op de eerste verdieping, waaraan de consoles werden bevestigd, zouden eveneens van ijzer worden. Doordat ze in houtnerf werden geschilderd zijn ze op het oog niet te onderscheiden van de houten zijpanelen van de kasten. Er zouden vierentwintig kasten met losse planken komen. Salm had op zijn bouwtekening elke kast negen planken gegeven, ruimte voor bijna driehonderd strekkende meter boeken oftewel bijna negenduizend banden. Op de galerij was plaats voor nog eens zo'n hoeveelheid. Met de vijfduizend banden die de bibliotheek volgens het eerder besproken verslag in 1862 bezat was de ruimte dus duidelijk op de groei gemaakt.
Van de tien aannemers die op het werk inschreven was dit keer de firma Schröder en Batelt de goedkoopste met ƒ 23.845,-. Het contract werd getekend op 27 maart 1867. Rond 1 oktober was het gebouw zo goed als gereed.
Een artikel met prent in het Jaarboekje voor 1868 bracht de leden van het Genootschap op de hoogte van de nieuwe aanwinst die volgens de anonieme auteur werd gekenmerkt door 'eenvoud en waarheid'. De kasten in de zaal op de eerste verdieping waren bestemd voor 'de werken van allen die op het gebied der dierkunde en aanverwante wetenschappen zich een roemvollen naam verwierven'. De kasten op de galerij waren gereserveerd voor tijdschriften en 'periodieke werken van geleerde genootschappen'. De twee kamers op de eerste verdieping zouden gaan dienen als wachtkamer en studeervertrek. Op het moment dat het Jaarboekje uitkwam, eind 1867, was er in de bibliotheek echter nog geen boek te bekennen. 'Het betrekken van pas voltooide woningen werkt nadeelig op de gezondheid der menschen', aldus het artikel. 'Even onraadzaam is het daarin boekwerken te plaatsen, dewijl het papier, vooral dat der laatste vindingen, zeer geneigd is tot opslurping van vocht. Wij achten het even ondoelmatig de chemische verbindingen der bouwstoffen door het aanbrengen van overdreven kunstwarmte te storen en gelooven daarom te mogen aanraden de ingebruikstelling der nieuwe bibliotheek afhankelijk te maken van het weder dat de lieve lente ons brengen zal.' Op 14 januari 1868 verklaarde Salm dat de bouw (op enkele kleine werkzaamheden na) voltooid was. Dat in het voorjaar de boeken uiteindelijk in de kast zijn gezet lijkt waarschijnlijk. Helaas is nergens te lezen wanneer precies de nieuwe bibliotheek haar deuren voor het publiek opende. Je kunt het de ironie van de geschiedenis noemen dat op het moment waarop de nieuwe bibliotheek gereed was de noodzaak die te bouwen niet meer aanwezig was. Het voorgaande jaar had het Genootschap de stoomrijstpelmolen 'Java en Carolina', gelegen op een terrein dat grensde aan de dierentuin, gekocht. Het werd bestemd tot nieuw onderkomen van de nijlpaarden. Voordeel was dat op het benodigde geld voor nieuwbouw werd bespaard, maar nadeel was dat de beide dieren nu, alsnog, verplaatst moesten worden naar een onderkomen dat niet pal naast hun deur lag. Niet alleen was het niet te verwachten dat de twee kolossen zich gemakkelijk door de tuin naar hun nieuwe huis zouden laten leiden, hun gevoeligheid voor temperatuursverandering maakte de tocht beslist ongewenst. Artislid en metaalhandelaar B.J. Nijkerk bood uitkomst. Hij stelde rails en dwarsliggers beschikbaar waarmee een spoorweg werd aangelegd vanaf het oude naar het nieuwe nijlpaardenhuis, een afstand van 280 meter. In één van de zijmuren van het oude verblijf werd een opening gemaakt en hier tegenaan werd een speciaal geconstrueerde wagon geplaatst, gevuld met eten. Na drie dagen geduldig wachten was eindelijk het moment daar waarop beide dieren zich tegelijkertijd in de wagon bevonden. Meteen werd de wagon afgesloten en naar het nieuwe onderkomen gereden. Daar sloot de wagon weer aan op een speciaal gemaakte uitbouw.'Gedurende den togt kon men uit de sterk verhoogde rode kleur van het wijfje afleiden dat het transport min of meer op haar zenuwen werkte. De man bleef rustig zijn maaltijd houden,' aldus een verslag in het Algemeen Handelsblad. De operatie kostte het Genootschap ƒ 488,44. Zonder het genereuze gebaar van Nijkerk zou men zeker ƒ 2000,- kwijt geweest zijn.

Zes bleef drie

Begin oktober 1867, toen de bibliotheek zo goed als voltooid was, kreeg de firma Schröder en Batelt de opdracht voor het tweede museumgebouw. Het diende exact zo te worden uitgevoerd als het eerste, echter met dit verschil dat in de kasten glazen vitrinedeuren moesten worden aangebracht. Na inspectie op 20 januari 1869 verklaarde architect Salm dat het 'tweede museum' voltooid was en de aannemer de laatste termijn van de bouwsom uitbetaald kon krijgen. Het werd (na de noodzakelijke droogtijd van enkele maanden) ingericht met de collectie poliepen en fossielen als museum voor de lagere diersoorten. In de stallen onder zowel het museum als de bibliotheek kregen enkele grote herten een nieuw onderkomen.
In februari 1872 gaven B en W toestemming om de ruimte tussen bibliotheek en museum (twintig meter lang, precies de maat van de zalen in de musea) op te vullen. Het ontwerp ervoor was opnieuw afkomstig van Salm. Door (zowel aan de straat- als de tuinzijde) een naar voren springend onderdeel met puntgevel precies in het midden aan te brengen zette hij de ritmering van de bestaande gevels door en creëerde hij een precies symmetrisch gebouw. De ramen hierin ontwierp hij in dezelfde stijl als die in de reeds bestaande vooruitspringende delen, maar in groter formaat. Hierdoor kreeg het onderdeel extra nadruk en was het direct herkenbaar als spiegellijn van het hele gebouw. Tevens werden er aan zowel de straat- als de tuinzijde toegangen gemaakt. De zaal op de eerste verdieping kreeg dezelfde constructie als die van de reeds bestaande gebouwen: kasten rondom en een gaanderij met daarop nog meer kasten. In de afwerking van de galerij zijn echter kleine verschillen te ontdekken zoals een gesneden sierlijst onder de balustrade en een andere indeling van de ijzeren spijltjes en houten balusters. De zaal van het middengedeelte werd ingericht als museum voor vergelijkende anatomie, oftewel met de collectie skeletten en schedels. Waarschijnlijk werd ook de benedenruimte als museum ingericht; stallen lijken hier niet geweest te zijn. Ook op de gevels van deze twee zalen werden marmeren platen met namen van zoölogen aangebracht waardoor hun aantal in totaal op zesendertig kwam. Wie de keuze maakte en wat de criteria waren is onbekend. In elk geval waren allen op het moment van vereeuwiging overleden. Op de lege muurvlakken werden later eveneens sgrafitti aangebracht.
Met de voltooiing van het 'middenmuseum' waren drie van de geplande zes museumzalen gerealiseerd. Hierbij zou het blijven. Toen de bouw van de bibliotheek begon was het de bedoeling geweest deze aan beide zijden uit te breiden: op de bouwtekeningen zijn uitsparingen in de gevels aan de kopse kanten aangegeven voor het maken van doorgangen. Maar tijdens de bouw moet dat plan gewijzigd zijn. In de gevel aan de kant van Weltevreden is op de benedenverdieping de uitsparing inderdaad gemaakt (en nog steeds te zien), op de andere verdiepingen niet. De uitbreiding aan die zijde werd kortom geschrapt. Overigens zou aan deze kant slechts plaats geweest zijn voor één zaal; voor nog een zaal stond het Etnografisch Museum in de weg. Ook het 'tweede museum' werd aan één zijde afgesloten: er werden geen uitsparingen aangebracht. Ook aan deze kant zou slechts plaats geweest zijn voor één zaal; hier lag de vijver in de weg. Onbekend is hoe Genootschap en architect zich het gehele museumgebouw aanvankelijk hadden voorgesteld. Wilde men vier of vijf zalen langs de Plantage Middenlaan en de resterende als uitbouwen in de richting van de tuin? Wilde men in bepaalde delen twee zalen boven elkaar? Evenmin is bekend wat de plannen waren nadat de drie zalen waren voltooid. Was het de bedoeling een identiek gebouw met nogmaals drie zalen verderop aan de Plantage Middenlaan te bouwen? Het is helaas niet meer te achterhalen. Het enige dat zeker is, is dat die drie extra zalen er nooit zijn gekomen.

NB: Op vrijdag 13 december vindt de presentatie van het boek De natuur op papier - 175 jaar Artis Bibliotheek plaats, om 16:30 uur in de Artis Bibliotheek. Hier leest u meer over de presentatie.

Copyright © 2013 Erik Zevenhuizen en Hans Mulder, Athenaeum-Polak & Van Gennep

Athenaeum - Polak & Van Gennep

MINDBOOKSATH : athenaeum