Leesfragment: De preek over de val van Rome

27 november 2015 , door Jérôme Ferrari

De preek over de val van Rome van Jérôme Ferrari is een van onze zomerboeken. Wij publiceren een fragment: 'Libero ging achter de tapkast staan. Hij keek naar de bonte rij flessen, de spoelbakken, het kasregister en voelde zich op zijn plaats. Deze muntsoort was in omloop. Iedereen begreep de betekenis ervan en had er vertrouwen in. Dat maakte de waarde ervan uit en geen enkele andere, hersenschimmige waarde kon ertegen worden ingebracht, op aarde zoals in de hemel.'

Marie-Angèle Susini zoekt een nieuwe beheerder voor haar dorpscafé op Corsica, maar niemand slaagt erin de zaak goed te laten draaien. Dan melden Matthieu Antonetti en Libero Pintus zich als kandidaten, twee jongens uit het dorp die aan de Sorbonne in Parijs filosofie zijn gaan studeren. Ze slagen er boven verwachting in om het café goed uit te baten. Grote troef daarbij is de aanwezigheid van vijf serveersters, onder wie de opwindende Annie. Maar terwijl de sfeer niet stuk lijkt te kunnen, dreigen er rivaliteit en kwaadwillendheid. Uiteindelijk gaat de wereld van het dorpscafé hier tijdens een bloedige apotheose aan ten onder. 

Dat is het lot van alle werelden, volgens Jérôme Ferrari. Hij spiegelt zijn verhalen over het Corsicaanse café en de familie Antonetti aan de preken over de val van Rome die Augustinus in 410 uitsprak, waarin hij zijn toehoorders wees op de angstwekkende vluchtigheid van alle denkbare werelden. Als troost mag dienen dat er toch steeds weer nieuwe werelden opdoemen en dat daarover geschreven kan worden. Zoals in deze buitengewoon fascinerende roman, die werd beloond met de Prix Goncourt 2012, de belangrijkste literatuurprijs van Frankrijk. In juni verscheen De preek over de val van Rome in Nederland, in een vertaling van Reintje Ghoos en Jan Pieter van der Sterre.

Ten slotte vond Libero zijn eigen redenen om een hekel te hebben aan Parijs, en Matthieu was daar op geen enkele manier verantwoordelijk voor. En zo voelden ze zich elke avond en ochtend naast elkaar in een tjokvolle wagon van lijn 4 verbonden door een bittere uitzichtloosheid, hoewel die niet bij beiden hetzelfde werkte. Aanvankelijk had Libero gedacht dat hem nu toegang was vergund tot het kloppende hart van de kennis, als een ingewijde die een aantal voor een gewone sterveling onbegrijpelijke beproevingen heeft doorstaan, en hij kon niet door de grote hal van de Sorbonne lopen zonder zich vervuld te voelen van de bange trots die wijst op de aanwezigheid van de goden. Hij torste niet alleen zijn analfabete moeder met zich mee, maar ook zijn broers – boeren en schaapherders – en al zijn voorouders – gevangenen van de heidense duisternis van de Barbagia, die diep in hun graf lagen te huiveren van genot. Hij geloofde in de eeuwigheid en onveranderlijke verhevenheid der eeuwige dingen, die in het fronton van een hoge, heldere hemel stonden gegrift. En toen verdween zijn geloof erin. Zijn college ethiek werd gegeven door een jonge, buitengewoon breedsprakige, sympathieke oud-leerling van de École normale, wiens nonchalance bij de behandeling van de teksten haast walgelijk briljant was en die zijn studenten stellige meningen over het absolute kwaad opdrong waar een dorpspastoor zich niet voor zou hebben geschaamd, ook al luisterde hij ze op met een behoorlijk aantal bronvermeldingen en citaten, maar die slaagden er niet in om de conceptuele leegte ervan te vullen en de onmiskenbare banaliteit te verdoezelen. Heel die moralistische overdaad stond ook nog eens ten dienste van een volstrekt cynische ambitie, de universiteit was voor deze man duidelijk niet meer dan een verplichte maar onbeduidende tussenstap op een weg die moest leiden naar zijn inwijding voor de televisiecamera’s, waar hij in gezelschap van soortgenoten de goede naam van de filosofie te grabbel zou gooien onder het vertederde oog van opgetogen, weinig erudiete journalisten, want journalistiek en commercie hadden tegenwoordig de plaats van het denken ingenomen, daar kon Libero niet meer omheen, hij voelde zich alsof hij na enorme inspanningen net een berg geld had gekregen maar in een muntsoort die niet meer in omloop is. De houding van deze docent was natuurlijk niet representatief voor die van het hele docentencorps, dat zich van zijn taak kweet met een sobere integriteit die Libero’s respect afdwong. Hij had een grenzeloze bewondering voor de promovendus die elke donderdagavond van zes tot acht, gekleed in een beige ribbroek en een flessengroen jasje met vergulde knopen dat uit een opslagplaats van de Stasi leek te komen en getuigde van zijn onverschilligheid inzake het materiële, onverstoorbaar het boek Gamma van Metafysica vertaalde en uitlegde voor een schaars publiek van onverdroten, aandachtige hellenisten. Maar de gewijde stemming die er hing in de stoffige zaal aan trap C, waarheen ze waren verbannen, kon de omvang van hun nederlaag niet verhullen, ze waren allemaal overwonnenen, onaangepaste en eerdaags ondoorgrondelijke wezens, overlevenden van een stiekeme apocalyps die hun soort had uitgedund en de tempels afgebroken van de door hen vereerde goden, wier licht vroeger over de hele wereld had geschenen. Geruime tijd mocht Libero zijn lotgenoten graag. Het waren rechtschapen lieden. Hun collectieve nederlaag was hun aanspraak op trots. Het moest mogelijk zijn te doen alsof er niets was gebeurd en een volstrekt overbodig leven te blijven leiden, geheel gewijd aan de verering van ontheiligde relieken. Libero geloofde nog steeds dat zijn rechtschapenheid in het fronton van een hoge, heldere hemel stond gegrift, waarbij het weinig uitmaakte dat niemand het bestaan ervan kende. Ze dienden vooral geen aandacht te besteden aan morele en politieke kwesties, die besmet waren met het gif van de actualiteit, en hun heil te zoeken in de onherbergzame oorden van de metafysica, in gezelschap van schrijvers die zich onder geen beding ooit zouden verlagen tot belangstelling voor journalistiek. Hij besloot zijn masterscriptie over Augustinus te maken. Matthieu, wiens onwankelbare vriendschap dikwijls de vorm aannam van slaafse bijval, koos voor Leibniz, en verdwaalde zonder veel overtuiging in de duizelingwekkende doolhoven van de goddelijke rede, in de schaduw van de onbevattelijke piramide van de mogelijke werelden, waar zijn tot in het oneindige vermenigvuldigde hand ten slotte op de wang van Judith kwam te liggen. Libero las de vier preken over de val van Rome en had daarbij het gevoel een grootse verzetsdaad te verrichten, en hij las De civitate Dei, maar naarmate de dagen kortten, loste zijn laatste hoop op in de regenachtige mist die zwaar op de vochtige trottoirs drukte. Alles was treurig en vuil, aan de hemel stonden alleen beloften van onweer en motregen geschreven, en de verzetsstrijders waren even verachtelijk als de overwinnaars, ze waren geen smeerlappen maar malloten en kneuzen, hijzelf in de eerste plaats, met een opleiding om verhandelingen en commentaren voort te brengen die al even nutteloos als onberispelijk waren, want de wereld had misschien nog wel behoefte aan Augustinus en Leibniz, maar geen boodschap aan hun armzalige exegeten, en Libero voelde nu een en al minachting voor zichzelf, voor letterlijk iedereen onder zijn docenten, de schriftgeleerden en de droogstoppels, en voor zijn medestudenten, Judith Haller in het bijzonder, die continu heen en weer slingerde tussen domheid en waanwijsheid en met wie Matthieu ondanks Libero’s verwijten bleef omgaan, niets ontsnapte aan zijn stormachtige buien van minachting, zelfs Augustinus niet, die hij niet meer kon uitstaan nu hij zeker wist hem beter te begrijpen dan ooit tevoren. Hij zag alleen nog maar een weinig erudiete barbaar in hem, die blij was met het eind van het Rijk, want dat bracht de komst met zich mee van de wereld van de middelmatigen en van de zegevierende slaven waar hij deel van uitmaakte, zijn preken kwamen uit een wraakzuchtige, verdorven verlustiging gesijpeld, de oude wereld van de goden en de dichters verdween voor zijn ogen, werd verzwolgen door het christendom met zijn weerzinwekkende meute asceten en martelaren, en Augustinus verborg zijn jubelstemming onder hypocriete woorden vol wijsheid en medelijden, op de manier van meneer pastoor. Toen Libero zijn scriptie met kunsten vliegwerk had afgemaakt, was hij mentaal zo uitgeput dat hij zijn studie onmogelijk kon voortzetten. Bij het nieuws dat Bernard Gratas zijn verloederingsproces met glans had voltooid, wist hij dat hij een unieke kans kreeg en zei tegen Matthieu dat ze beslist de exploitatie van het café moesten overnemen. Uiteraard was Matthieu enthousiast. Toen ze aan het begin van de zomer in het dorp aankwamen had Bernard Gratas net Marie-Angèle laten weten dat het hem wegens onverdiende maar aanzienlijke verliezen bij het pokeren niet mogelijk was de caféhuur te betalen, en de nieuwe draaien om zijn oren die hij kreeg van Vincent Leandri konden daar niets aan veranderen. Marie-Angèle reageerde gelaten op het nieuws. Omdat ze alle hoop op verbetering van de situatie had laten varen, overwoog ze niet het café zelf over te nemen maar het tot september in handen te laten van Gratas, zodat hij haar tenminste een deel kon betalen van wat hij haar verschuldigd was. Libero en Matthieu gingen bij haar langs en boden hun diensten aan. Ze erkende volmondig dat zij het moeilijk slechter konden doen dan hun voorgangers. Maar waar haalden ze het geld vandaan? Ze had vertrouwen in hen, kende hen sinds hun kindertijd en wist dat ze er niet op uit waren haar af te zetten, maar er moest nu eenmaal brood op de plank komen en ze wilde absoluut vooraf worden betaald. Libero was erin geslaagd tweeduizend euro bij elkaar te krijgen door zijn zaak te bepleiten bij zijn broers en zussen. Op een avond in juli bracht Matthieu zijn voornemen ter sprake aan de familietafel. Claudie en Jacques legden hun bestek neer. Zijn grootvader bleef methodisch zijn soep eten.
– Dacht je dat we je geld gaan geven om met je studie te kunnen stoppen en cafébaas te worden? Dacht je dat echt?
Hij probeerde zijn zaak te bepleiten door argumenten aan te voeren die hem onweerlegbaar leken, maar zijn moeder onderbrak hem bot.
– Hou je mond.
Ze werd lijkbleek van woede.
– Ga onmiddellijk van tafel. Ik wil je niet meer zien.
Hij voelde zich geschoffeerd, maar gehoorzaamde zonder iets te zeggen. Hij belde naar zijn zus en vroeg nadrukkelijk om haar steun, maar wist het niet overtuigend te brengen. Aurélie barstte in lachen uit.
– Wat een lariekoek! Dacht je dan dat mama een gat in de lucht zou springen?
Weer probeerde Matthieu zich te verweren, maar ze luisterde niet.
– Wanneer word jij eens een beetje volwassen? Ik heb langzamerhand genoeg van je.
Hij ging Libero opzoeken om hem het slechte nieuws te brengen en ze dronken zich somber een stuk in de kraag. Toen Matthieu de volgende dag rond het middaguur wakker werd, met een barstende hoofdpijn die hij zowel aan de wanhoop als aan de drank te danken had, zat zijn grootvader aan zijn bed. Matthieu kwam moeizaam overeind. Marcel keek hem ongewoon vriendelijk aan.
– Jij wilt hier komen wonen en je bezighouden met het café, jongen?
Matthieu gaf vaag een bevestigend knikje.
– Nou, ik zal het volgende doen. Dit jaar zal ik de caféhuur betalen en volgend jaar zal ik dat ook nog doen. Daarna krijg je niets meer, helemaal niets, geen cent. Twee jaar heb je de tijd om te bewijzen waar je toe in staat bent, jongen.
Matthieu vloog hem om de hals. Daarna volgde een apocalyptische week. Claudie ging vreselijk tekeer tegen Marcel. Ze beschuldigde hem van kwaadwilligheid en sabotage met voorbedachten rade en bezwarende omstandigheden, hij hielp zijn kleinzoon alleen maar omdat hij een hekel aan hem had en wilde zien hoe hij zijn leven verprutste, louter omdat hij het leuk vond te bewijzen dat hij zich niet in hem had vergist, en die sukkel daar was dolblij, hij begreep niks, stortte zich geestdriftig in de afgrond, klootzak die hij was, en Marcel kon haar nog zo verzekeren van zijn oprechtheid, niets wilde baten, ze gaf hem een grote mond, schreeuwde dat hij voor zijn rotstreek hoe dan ook zou boeten, net als Marie-Angèle, bij wie ze onverwacht kwam aanwaaien en stampij maakte, ze vroeg of ze de kinderen van anderen begon te verpesten als troost voor het feit dat ze zelf een hoer had voortgebracht, maar niets baatte, uiteindelijk kalmeerde Claudie en midden juli namen Matthieu en Libero het café in bezit nadat ze Gratas grootmoedig hadden aangenomen als afwasser. Libero ging achter de tapkast staan. Hij keek naar de bonte rij flessen, de spoelbakken, het kasregister en voelde zich op zijn plaats. Deze muntsoort was in omloop. Iedereen begreep de betekenis ervan en had er vertrouwen in. Dat maakte de waarde ervan uit en geen enkele andere, hersenschimmige waarde kon ertegen worden ingebracht, op aarde zoals in de hemel. Libero wilde zich niet meer verzetten. En terwijl Matthieu zijn oeroude droom werkelijkheid zag worden, terwijl hij met onstuimig genoegen het land van zijn aan de vlammen prijsgegeven verleden verwoestte en meteen korte metten maakte met de berichten van steun en gemis die Judith hem koppig bleef sturen, wees gelukkig, wanneer zie ik je weer? vergeet me niet, alsof hij haar nu uit zijn droom kon verjagen, was Libero allang gestopt met dromen. Hij erkende zijn nederlaag en stemde ermee in, een pijnlijke, totale, vertwijfelde instemming met de stupiditeit van de wereld.

Copyright © 2012 Actes Sud
Copyright Nederlandse vertaling © 2013 Reintje Ghoos en
Jan Pieter van der Sterre
Oorspronkelijke titel Le sermon sur la chute de Rome

Uitgeverij De Bezige Bij

MINDBOOKSATH : athenaeum