Leesfragment: De republiek

27 november 2015 , door Joost de Vries

19 april verschijnt de tweede roman van Joost de Vries, De republiek. Wij publiceren voor.

'Hitler leefde. op meerdere plekken. In Chili, de geatrofieerde ruggengraat van Latijns-Amerika, woonde niet alleen Hitler Lima fils, de kunstenaar wiens bestaan Brik had geïnspireerd mij op pad te sturen, maar ook Hitler Lima père, de man die zijn eigen voornaam niet beladen genoeg vond om ’m niet trots door te geven aan zijn zoon.'

Josip Brik, popfilosoof en professor in de Hitlerstudies, is dood: onopgehelderde omstandigheden. Nu is het aan zijn rechterhand, Friso de Vos, om Briks intellectuele nalatenschap naar zich toe te trekken. Maar er zijn er meer met die ambitie en zodra Friso - jaloers, hypochonder, intelligenter dan goed voor hem is en onhandig verliefd op het meisje dat hij net heeft verlaten - probeert de concurrentie buitenspel te zetten, tuimelt hij in een verhaal dat absoluut niet het zijne is.

Wat begint als een oefening in rouwverwerking en liefdesverdriet verandert gaandeweg in academische satire, speculatieve geschiedschrijving en iets wat zomaar een spionageroman zou kunnen zijn.

De republiek gaat over bedrog en zelfbedrog, ambitie en liefde, over geschiedenis als entertainment en de jacht op de perfecte vijand.

 

6

Hitler leefde. op meerdere plekken. In Chili, de geatrofieerde ruggengraat van Latijns-Amerika, woonde niet alleen Hitler Lima fils, de kunstenaar wiens bestaan Brik had geïnspireerd mij op pad te sturen, maar ook Hitler Lima père, de man die zijn eigen voornaam niet beladen genoeg vond om ’m niet trots door te geven aan zijn zoon.
Kort nadat ik het vliegtuig uit was gestruikeld, werd ik op de ruime, minimalistisch ingerichte werkkamer ontvangen van Amanda Romero, bijzonder hoogleraar Burgerlijke Geschiedenis aan de Universiteit van Santiago. Een assistente bracht me een flesje water, Romero wees me naar een stoel die net iets te diep was. Zelf zat ze rechtop aan een glazen, levervormig bureau en nam ze een van haar eigen boeken in de hand, het prestigieus klinkende The Oxford History of Chile. Ze begon me voor te lezen: In het hooggerechtshof zat een Pepsicola Phillipe, in het eerste van Colo-Colo speelde een Adidas Gomez en in het meidenpopgroepje Bailamos zong en danste Blancanieves Diaz (‘Sneeuwwitje Diaz’). De Brits- Indiase schrijver Salman Rushdie voerde in zijn roman The Ground Beneath her Feet (1999) een Chileense voetballer op met de klassiek-literaire naam Hector Achilles. De naam was bovenal een glossy paradox, zei ze, het type waar Rushdie patent op had, Hector Achilles, Trojaan en Griek, slachtoffer en moordenaar, en zou verder volledig ongeloofwaardig zijn, ware het niet dat de zoon van de Chileense ambassadeur van de Verenigde Naties, een bekend society figuur, daadwerkelijk Hector Achilles heette.
Pas later las ik haar studie en kwam ik ook nog de verwijzing naar De papegaai van de Luitenant (1965) tegen, de enige roman van Gabriel Garcia Marquez die zich in Chili afspeelde, waarin drie rivaliserende dorpszonen naar de hand dingen van de dochter van de burgemeester; Minimaxi Gonzalez en Ivanho Sucre verliezen het gevecht, terwijl Donalduk Marinha uiteindelijk met de mooie Ariel Bulnes op de zonsondergang af rijdt. Ladida, zo gaat het liedje.
Volgens Romero waren dit soort onorthodoxe namen het gevolg van een antiklerikale golf die in de jaren twintig en dertig door de Chileense politiek en media ging: ‘Je moet je voorstellen hoe het Chileens staatsburgerschap eruitzag in de vroege twintigste eeuw. Enorme hoeveelheden immigranten kwamen dit land binnen, de grote steden waren een melting pot van Duits, Italiaans, Spaans, Iers, Grieks, noem maar op. Om geen religie te bevoordelen en zo etnische spanningen in de hand te werken, voerde de overheid al vroeg een rigide beleid van scheiding van kerk en staat. Wat je ziet is dat de gebruikelijke namen — veelal verwijzingen naar heiligen en martelaren — in die tijd massaal verdwenen, ten faveure van seculiere namen, soms ingegeven door politiek, maar vaker ingegeven door de Amerikaanse popcultuur die vanaf de jaren veertig een ongekende opmars maakte. Zo’n big deal was Hitler niet.’
Haar theorie kwam overeen met een onderzoek uitgevoerd door een van Briks studenten, die behalve Hitlers ook vijf Stalins, drie Churchills en twee Mussolini’s in het telefoonboek telde. Alsnog liep de snelheid van mijn aantekeningen achter bij Romero’s privecollege, waardoor ze soms moest pauzeren. Ik dacht niet dat ze oog had voor mijn jetlag en vond dat het niet heel flink zou zijn om erover te beginnen, maar opeens doorbrak ze haar vacante gezicht met een glimlach en zei: ‘Hee chico, ga toch lekker slapen.’ Ik knikte, ik straalde, ik was altijd bereid me te laten bemoederen. — Morgen moet ik naar Aquila rijden.
— Dat is heel ver.
— Ik heb een interview met iemand die Hitler heet, en die zijn zoon ook Hitler heeft genoemd. Hitler Lima.
— Dat is best een beruchte naam, zei ze. Doe voorzichtig.
Hij gold als de bekendste Hitler in Chili en er waren er best wat. Brik had een Spaanssprekende studente laten zoeken; nog voordat ik vertrok was ze glunderend bij me gekomen op het Slaapwandelaar- kantoortje. Je kon ze in het nationale telefoonboek vinden, gewoon, tussen alle huis-tuin-en-keukennamen lichtte de naam op als een vallende ster. Hitler Mendoza, Hitler de la Huerta, Hitler Fazal. Ze had de naam niet teruggevonden op Facebook — een beleidsmaatregel van de sociale netwerksite, om te zorgen dat mensen geen accounts creeren op naam van seriemoordenaars en oorlogsmisdadigers — maar vond op de gok wel de fonetische Hitlers, een Diego Ytler Bravo en een Itler Moccadenes.
Hitler Lima woonde in Aquila, een kustplaatsje 500 kilometer onder Santiago, in de Jauregui-baai. Hij stond gewoon onder zijn eigen naam, voluit, in het telefoonboek. Het was zes uur rijden. Op het grootste cafe aan de boulevard was ooit een rood Coca Cola-logo geschilderd dat nu door de zoute zeewind was verweerd als een paar dagen oude plaktatoeage. Aquila was nooit een toeristische trekpleister geworden. Vanaf de boulevard keek je uit over een vreemd panorama; het zeewater werd door verschillende stromingen uit de Zuidpool de baai in geduwd, waardoor het ongewoon wit en helder was. Tegelijk was het strandzand door vulkanische activiteit duizenden jaren geleden pikzwart, waardoor het in de zomer te heet was om er op blote voeten op te lopen. Wit water, zwart zand, een dia-negatief van hoe het zou moeten zijn.
Vanaf het strand kon je Lima’s huis zien staan, in het verlengde van de boulevard. Het stond net los van het stadje — een vierkante doos, omringd door hoge, gesnoeide dennenbomen die als cipiers rond het huis stonden opgesteld.
Hitler Lima was inmiddels op leeftijd, maar hij liep rechtop, zijn borst vooruit. Een trotse man. Een gaucho. Hij had nog een volle bos zilverwit haar, een dikke, rechthoekige snor. Aan zijn heup bungelde een holster die nu leeg was, maar zodra hij naar buiten ging, vertelde hij, de provincie in, stak hij zijn zesschotsrevolver bij zich. Hij leidde me door zijn huis en liet me in de tuin kennels zien waar vier dobermanns in zaten, hun vacht zwart en glanzend. Eentje liet hij naar buiten, die meteen in de houding ging zitten, oren recht overeind. Lima gooide een snoepje op de grond en de hond bewoog niet. Tien, twintig seconden gingen voorbij voordat hij een seintje gaf en de hond op het snoepje dook. Mevrouw Lima bracht ons vanuit de keuken een schotel met koffie en koekjes, die ze geroutineerd op haar rollator balanceerde. De koekjes had ze speciaal voor mijn bezoek gebakken en na één hap zei ik haar al hoe lekker ze waren.
– Eigenlijk zouden we moeten afspreken dat dit gesprek op onze voorwaarden verloopt, zei meneer Lima.
– Misschien kun je de vragen vooraf geven, zodat hij – mevrouw Lima noemde zijn naam niet – van tevoren kan bepalen waarover hij wel of niet wil praten.
– Er is geen vooraf, zei ik. Ik ben hier nu. Mevrouw Lima en haar man deelden een blik en het was niet duidelijk in wiens voordeel de dialoog was beslist, maar meneer Lima begon met praten. Hij groeide in de binnenlanden op, in een plantagedorpje tussen de uitlopers van de Garenta-rivier. Tegenwoordig was het dorpje overwoekerd door de jungle en zo goed als vergeten, behalve door een handjevol archeologen en historici dat het ossuarium bezocht dat net als in avonturenromans achter een waterval iets verderop lag verscholen. Het waren de botten, schedels en ruggengraten van Mapuche-indianen die vanaf de zestiende eeuw systematisch door conquistadores waren opgejaagd en uitgemoord. Hitlers vader nam hem daar mee naartoe, als kind al, ze klauterden twee uur voordat ze in de grot waren en in het stille donker glommen de beenderen als de maan en zijn vader zei hem dat hij nergens bang voor moest zijn, zeker niet voor de doden.
Lima was een social climber, vertelde hij. In de provincie was hij misschien de zoon van een prominent, in de stad was hij in de eerste plaats een provinciaal. Toen hij in uniform op straat in Santiago bekeuringen uitschreef, beten wildparkeerders hem toe dat hij naar de jungle moest oprotten; als zedenagent lachten junkies en hoertjes hem uit om zijn accent: ‘Ik heb het meegemaakt dat pooiertjes en moordenaars me ongevraagd richtingaanwijzingen gingen geven. Het was ronduit gênant.’
Het voorval dat hem beroemd had gemaakt, speelde zich af vlak voordat hij naar de veiligheidsdienst was gepromoveerd. Op een doorsnee, anonieme doordeweekse dag reden hij en zijn partner toevallig langs een bank, waar ze iemand schichtig in het portiek zagen staan. Er was geen noodoproep geweest, maar toen ze halt hielden en uitstapten, werd zijn partner direct dodelijk getroffen. (‘We waren vast overduidelijk herkenbaar als rechercheurs, met onze snorren en zonnebrillen.’) Ergens in zijn hoofd ging een deur open en zonder aan wat voor gevolgen dan ook te denken, bestormde hij in z’n eentje de bank, kogels zongen langs zijn oren, eentje scheurde een manchetknoop van zijn blazer, een tweede schroeide zijn schoudervulling, en Hitler Lima schoot met vier kogels vier overvallers dood. De gijzelaars waren ongeschonden, hijzelf was niet eens buiten adem.
– Je hoort wel eens dat mensen zoiets als een black-out ervaren, dat ze zich na afloop niets kunnen herinneren. Ik herinner me alles nog. De kogels gingen als vertraagd langs me heen. Ik weet nog hoe het licht het gebouw binnenviel en hoe de overvallers keken toen ik ze neerschoot.
– Hoe dan?
– Alsof ze het niet konden geloven.
Lima toonde in de woonkamer de sleutels van de stad Santiago die hij kreeg bij zijn pensioen, en zocht een videoband waarop de uitreiking van zijn volksmedaille ‘voor moed’ stond. Uw fifteen minutes of fame, opperde ik.
– Nee hoor, zei hij zonder enige ironie, de videoband duurt maar twee of drie minuten.
De recorder accepteerde de videobandmet het geluid van een robot die moeite heeft met slikken en na tien seconden ruis kwam een ceremonie in beeld.De camera toonde een rijmannen die salueren naar generaal Pinochet, die op dat moment nog het podium moet beklimmen. Het beeld versprong soms. Er klonk marsmuziek en de voice-overwas slechtsmetmoeite te verstaan, terwijl de camera één voor één op de mannen inzoomde. Als derde kwam Lima in beeld – zijn ogen hadden nog steeds dezelfde staalblauwe kwaliteit, maar zijn huid spande zich hier nog zelfovertuigd strak om zijn gezicht en nu viel het pas op hoe breed zijn kaak was. ‘H. Lima’ stond in beeld. Zijn snor was dik en zwart en soeverein en zat op zijn lip als een getraind beest.
In een wit uniform met allerlei gouden tressen en paletten hield Pinochet halt tegenover Hitler Lima, die met zijn borst vooruit stond, kaarsrecht. De regie schakelde over naar een andere camera die een close-up had van de generaal. Pinochet oogde fragiel – maar misschien kwam dat omdat ik hem alleen kende als oude man uit de nieuwsberichten, en was dit de toekomst die de geschiedenis beïnvloedde, een dubbelzijdige spiegel. Na de medaille te hebben opgespeld, salueerde de generaal terug naar Lima. Ook als je niet zou weten wat hij ging zeggen, kon je de woorden van zijn glimlachende lippen aflezen.
Heil Hitler!’ grijnsde Pinochet.
Daarna was het echt begonnen. Collega’s waren met hun hakken gaan klikken als hij passeerde, antwoordden breed grijzend met ‘Jawohl mein Führer!’ wanneer hij ze vroeg koffie te halen. Een paar keer moest hij zich door een erehaag van uitgestoken rechterhanden banen en toen hij bij een wekelijks overleg rapporteerde een onderzoek te hebben opgelost, zei de hoofdcommissaris er niet aan getwijfeld te hebben dat hij de zaak naar ‘een spoedige Endlösung’ zou brengen. ‘Maar daar moet je niet iets van denken. Het was gewoon, hoe zeg je dat, kantoorhumor. Zoals andere mensen kopjes suiker met kopjes zout verwisselen, zodat je het verkeerde in je koffie doet. Het had helemaal niets met de moord op joden te maken.’
Wat wist hij van de oorsprong van zijn naam?
— Mijn vader was de opziener van de cacaoplantage. Iedereen in het dorp werkte voor hem, iedereen viel onder zijn verantwoordelijkheid. (...) Twee keer in de week kwam de post langs, op dinsdag en op vrijdag. Weinigen konden lezen of schrijven. Maar iedereen had een gezonde interesse in het nieuws, dus aan het einde van de dag nam mijn vader de krant en die las hij grotendeels voor aan zijn werknemers. Die hingen aan zijn lippen. (...) De verhalen uit Duitsland waren in die tijd erg inspirerend, dat kunt u niet ontkennen. Ook in Chili had de Depressie voor ontregeling gezorgd, en hier was iemand — iemand van bescheiden komaf — die een heel land aan zijn haren omhoogtrok. Duitsland was een land waar we met afgunst naar keken. Toen mijn moeder van mij beviel, was Hitler een inspirerende naam.
Dat was in april 1940, net voordat nazi-Duitsland West-Europa onder de voet liep. Zijn vader knipte een foto uit de krant waarop Hitler poseert voor de Eiffeltoren. Lima herinnerde zich dit, wat erop wijst dat de foto er nog hing toen de oorlog al lang was afgelopen. In die tijd was oorlog iets anders, zei hij. Het was niet het taboeonderwerp dat het nu is. Het hoorde bij politiek.
Het gesprek ging nog veel verder, over zijn vader die moeite had de werkelijkheid van de Tweede Wereldoorlog te bevatten, over zijn leven als vader van vier kinderen, over zijn zoon die hij naar zichzelf had genoemd, gewoon ‘omdat dat zo hoorde’, vaders & zonen, never easy, pompidom — hij sprak over de schilderijen van zijn zoon en liet me er een zien die hij voor Vaderdag had gekregen, ik schreef het allemaal op; op elke vraag had hij een beleefd en nauwgezet antwoord, zijn vrouw bracht ons twee koude biertjes en een schaaltje pinda’s. Pinochet kwam niet meer ter sprake.

 

© Joost de Vries
Auteursportret © Nienke Laan

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum