Leesfragment: De Revisor 2013-1

27 november 2015 , door Cat Calcoen

9 juli verschijnt het zesde halfjaarboek van De Revisor, en het eerste van 2013. Hierin debuteert de Vlaamse schrijfster Cat Calcoen met 'De kaarten'. Haar verhaal publiceren we voor op Athenaeum.nl.

De andere bijdragen zijn van Nanne Tepper, Jacob Groot, Martin Reints, Klaske Havik, Martijn den Ouden, Mowaffk Al-Sawad, Rob Waumans, Willem Claassen, Joubert Pignon, Erik Lindner, Arjen Fortuin, Daan Stoffelsen, Janita Monna, Bernke Klein Zandvoort en Bart Koubaa.

Cat Calcoen
de kaarten

De steekkaarten hebben in geen jaren licht gezien, ze ruiken muf. Met mijn vingers tik ik tegen de randen om de stapels zo recht mogelijk te krijgen. Zie ze hier staan, vierentwintig massieve blokken papier, verschillend in hoogte, en ze nemen ongeveer de helft van mijn bureau in. Elke kaart vermeldt een naam, geboortedatum, rijksregisternummer en adres. Bakken om de kaarten in op te bergen hoeven niet, zegt Freddy. ‘Laat voorlopig maar op je bureau liggen.’
Hij neemt documenten door voor zijn wekelijkse vergadering met de burgemeester. Ik hoor zijn pen over het papier krassen. Hij aait zijn baard, duwt zijn lippen naar voren, iets wat op tuiten lijkt. Ik neem een slok van mijn glas, een beetje water loopt naast mijn mond. Die spanning in mijn kop blijft zich overzetten op mijn spieren. De dokter zegt dat het normaal is, dat ik daar voorlopig niet van afkom. Met de mouw van mijn hemd veeg ik het water weg. Freddy heeft het niet gemerkt, hij blijft maar lezen en krabbelen. Op zijn voorhoofd staat een frons. Zijn ogen kijken door het brilletje met de ronde glazen. Ook Martine heeft niets gezien, ze is gestopt met tikken en onderzoekt iets aan de zoom van haar jurk. Misschien hangt er een draadje los, misschien wil ze de aandacht van Freddy trekken. Haar borsten zitten verpakt in een laag uitgesneden decolleté. Ze werkt in de hoek het dichtst bij de deur, vlak bij het enige raam in het kantoor. Voor het raam staat een oude eik die zijn schaduw naar binnen werpt. Doe het licht uit en het is hier donker.
Meer dan vijftienhonderd kaarten, hun randen vergeeld, hun letters vaag. De dorpsgenoten die bij de namen op de kaarten horen zijn gestorven, de meeste nog voor ik werd geboren. ‘Alfabetisch ordenen voor 12.30’, meldde de post-it die op de doos met kaarten kleefde, in het handschrift van Freddy. Toen ik vanochtend arriveerde, stond de doos op mijn bureau. Steekkaarten uit de jaren veertig, vijftig en zestig.
Wanneer ben ik opgehouden met me te verzetten? Tegen Freddy? En ook thuis, tegen Vicky? Die kaarten hebben geen nut. Het zijn kladkaarten, ze horen bij het oud papier. De officiële steekkaarten zitten veilig in de archieven.
Mijn mond is alweer droog, mijn oksels kleven. Ik voel eraan, mijn hemd is nat. Zwart is een goede kleur voor mensen die zweten. Zouden ze het ruiken? Ik buig mijn gezicht naar mijn oksel, geen geur. Je eigen zweet kun je ruiken, toch? Een vlieg strijkt neer op de stapel met namen die beginnen met M. Ik knip met mijn vingers, het insect schiet weg, de hoogte in, naar de tl-buis. Ik kan niet naar boven kijken zonder tranen in de ogen te krijgen. Er hangen zes van die lange tl-buizen aan het plafond. Sinds mijn bureaulamp kapot is, heb ik nog meer last van koppijn. Nu moet ik wachten tot Freddy een nieuwe lamp voor me bestelt.
Vijf voor elf, zie ik op de klok. De deur gaat open, de hengsels moeten nodig gesmeerd, een vrouw stapt met korte passen het kantoor binnen. Het is Lydia. Ik ken haar van toen ik klein was. Mama praatte af en toe met haar, op straat. Sinds ik uit het ziekenhuis ben, heb ik haar al enkele keren gezien, maar ik fietste snel voorbij en zwaaide gewoon even.
Martine tikt verder, haar ogen gericht op de woorden die op het papier verschijnen. Ik kijk naar Freddy. Met zijn kin geeft hij me een knik, zijn lippen vormen een streep. Als ik niet reageer, gaan zijn wenkbrauwen omhoog. Ik schik mijn hemd goed. Zal ik kunnen praten met die droge mond? Nog een slok water nemen is riskant, ik ga morsen. Op weg naar de balie schraap ik mijn keel. Ik probeer te glimlachen. In mijn hoofd rolt een loden balletje van de ene kant naar de andere. Evenwicht zoeken.
‘Dag Lydia, waarmee kan ik je helpen?’
‘Dag Wim, ik heb een nieuwe pas nodig.’
De warmte in haar stem doet me aan vroeger denken. Ze schuift me een brief toe met daarop het bericht dat haar identiteitskaart vervalt op 15/10/1998. Dat is over een maand. Naast de brief legt ze een pasfoto, haar huidige identiteitskaart en enkele biljetten van honderd frank. Lydia Devos. Ze is mager geworden. Haar man is vorig jaar gestorven. Ze heeft een zoon, iets ouder dan ik, die bij haar inwoont.
‘Ik heb gisteren je moeder nog gezien. Ze was aan het wandelen met de hond.’
Ze kijkt me aan, fonkelende ogen met rimpeltjes eromheen. Sinds mijn opname doen mensen overdreven opgewekt. Alsof ze willen bewijzen hoe prachtig het leven is. Ik probeer blij te kijken en voel de spieren rond mijn ogen samentrekken.
‘Ja, die twee zijn onafscheidelijk.’
Ze buigt zich naar me toe. ‘Hoe gaat het met je?’ Haar stem klinkt stiller nu, dwingender.
‘Prima, hoor.’ Ik klem mijn hand om het hout van de balie.
‘Is het leuk wonen in die straat bij de rijkswachtkazerne?’
Ik knik.
‘Weet je nog, in het café van je grootmoeder, vroeger? Je speelde altijd op de flipperkast.’
Opnieuw haar hartelijke stem. Haar glimlach is breed, mijn wangen worden warm. Die flipperkast van Superman. Wat mis ik die flipperkast. Achter me hoor ik Freddy kuchen, een stoel verschuift, ik hoor het geritsel van kaarten die lijken te vallen of die ergens in worden gegooid. Mijn kaarten? Ik kijk naar Lydia, iets drukt op mijn borst. De voetstappen die naderen zijn van Freddy. Martine draagt hakken, deze stappen klinken dof en zwaar. Lydia’s blik verandert, ik wend mijn ogen af. Het lijkt alsof mijn borstkas krimpt en om mijn longen gaat spannen.
Freddy komt naast me staan en kijkt me aan. De glazen van zijn bril maken zijn ogen kleiner. Als hij die bril afzet, om hem schoon te wrijven met een doekje, ziet hij er heel anders uit. Ik schrik daar altijd van.
‘Wim, ga maar aan je bureau zitten. Ik denk dat Lydia graag een correcte identiteitskaart krijgt.’
Hij richt zich tot Lydia. Ze fronst, kijkt me afwachtend aan. Mijn hoofd duizelt, mijn benen tintelen, ik moet zitten, zo snel mogelijk. Ik keer me om. Op mijn bureau staat de doos. Ik loop ernaartoe, in mijn schoenen is te veel ruimte, mijn voeten glijden, alsof de zolen zompig zijn. In de doos liggen de kaarten op een hoop, er kleeft een nieuwe post-it op, ‘ordenen, aub’.
Ik laat me op mijn stoel vallen. Een rilling in mijn nek, mijn schouders. Ik wil naar huis, naar de poezen.
Martine mijdt mijn blik, ze lijkt te verzuipen in het tikwerk. Doet ze alsof ? Ik kieper de doos om, de kaarten kletteren neer op het bureau, vormen een berg. Freddy en Lydia kijken naar me. Hij zegt iets. Ik draai mijn gezicht weg. Mijn handen trillen, ik krijg ze niet in bedwang.
Ademen, ik moet ademen. In de zak van mijn jas grijp ik naar mijn pillen. Ik neem er twee uit het flesje en duw ze mijn mond in, dan drink ik. De pillen blijven in mijn slokdarm steken. Ik drink nog eens, en nog eens, tot ik ze naar binnen voel glijden. Volhouden nu, tot het waas komt.
Freddy is klaar met Lydia, met een brede glimlach zegt hij: ‘Tot ziens, mevrouw.’ Lydia vertrekt en kijkt niet meer naar mij. Freddy keert terug naar zijn plaats. Hij knipoogt naar Martine, zij giechelt. Hij vraagt of ze koffie wilt. Ja, zegt ze. Hij loopt naar het koffiezetapparaat.
Had ik die kaarten verkeerd geordend? Alles in vierentwintig stapeltjes, geen familienamen die met X of Q beginnen. Ach, wat doet het ertoe? In die tien jaar heb ik nooit een identiteitskaart verpest. Morgen verzint hij weer iets nieuws. Het begon twee jaar geleden, toen ik hem vertelde over mijn depressie, over de ernst ervan. Sindsdien duwt hij me dieper en dieper. Na die maand in het ziekenhuis is het nog verergerd.
Ontsla me dan toch, man. Spuw je gal in het commentaar op het ontslagformulier. Je weet dat ik geen nieuwe job zal vinden, zonder diploma, met mijn ziekte. Laat Vicky maar panikeren, laat haar maar klagen en zagen tot mijn kop barst. Ze zegt het zo dikwijls, dat ik mijn job niet mag verliezen, dat we nu al amper de afbetaling van het huis aankunnen, laat staan met een werkloosheidsuitkering.
Druppels zweet lopen langs mijn rug. Een kwestie van afstellen en experimenteren met medicijnen, noemt de dokter het. Makkelijk praten heeft hij.
Zaterdagochtend haal ik de revolver op in Charleroi. Vicky is dan op haar werk, ze zal niet merken dat ik een paar uur weg ben. Ik moest per post een voorschot sturen. Altijd een risico, ze hebben het me al eens gelapt. Geen wetten op het internet. Met de Smith & Wesson schiet je binnen een afstand van vijf meter altijd raak. Zo liet die kerel het uitschijnen. Zes meter tussen het bureau van Freddy en dat van mij.
De druk op mijn borst mindert. Vanuit een ooghoek hou ik hen in de gaten. Freddy staat bij Martine, met de koffie. Ze fluisteren, kijken in mijn richting, ik hoor ze grinniken. Zoals hij daar staat, komt hij sympathiek over, beminnelijk zelfs. Hij heeft een lach die je inneemt, die vertrouwen inboezemt, een joviale lach. Als hij er niet is, als hij verlof heeft of naar een vergadering moet, spreekt Martine met me, kijkt ze me zelfs aan, soms. Zodra ze hem ziet, slaat het om. Freddy passeert en zet zijn lege kopje op mijn bureau, naast de berg kaarten. Ik zoek zijn ogen maar hij kijkt niet naar me. Hij loopt verder.
Ik zit naast de berg, mijn armen gekruist om mijn handen stil te houden. Om half een kan ik naar huis om te eten. Ik denk aan de poezen. Hoe ze ronken als ik ze over hun buikje streel, hoe ze zich tegen mijn benen vlijen als ik de deur binnenstap, hun snoepjes uit de kast haal. Een geluk dat Vicky er niet is tussen de middag. Rust is wat ik nodig heb, alsof die pillen de rust kunnen vervangen. Ik weet wat mij rust zal brengen.
Nog een halfuur. Freddy staat op, Martine ook. Zij nemen hun middagpauze vroeger dan ik. Meestal gaan ze samen lunchen in een brasserie op het marktplein. Martine slaat haar handtas om de schouder, Freddy zet zijn pet op, haalt een sigaar tevoorschijn. Over de kaarten heen kijk ik naar hen. Ondanks het waas voel ik mijn hart kloppen onder mijn ribben. Martine draait haar gezicht weg. Freddy glimlacht. Ik zie hem naar de lichtschakelaar grijpen. Een droge klik volgt. Het kantoor is donker.

Copyright © Cat Calcoen 2013
Copyright © Querido Uitgeverij 2013

Cat Calcoen schrijft wekelijks een stuk op haar weblog ‘kat in de soep’ (cattekop.wordpress.com).

Literair tijdschrift De Revisor

Uitgeverij  Querido

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum