Leesfragment: De Revisor 2013-2, Halfjaarboek 7

27 november 2015 , door Bart Koubaa

18 december verschijnt het nieuwe nummer van De Revisor, halfjaarboek 7. Wij publiceren er het essay van Bart Koubaa uit voor. 'Elke tekst gaat over zijn schrijver: een wetenschappelijk artikel over middeleeuwse kopiisten die bewust fouten maakten om zichzelf en hun publiek te behagen, een verhaal over een man die op een ochtend wakker wordt in een nieuw insectachtig lichaam of een kritiek op een literair tijdschrift: Waarom schrijven alle Revisor-redacteuren over zichzelf ? Mis ik andermaal de ironie of kunnen ze oprecht geen boeiender onderwerp verzinnen?'

Het zevende halfjaarboek De Revisor onder nieuwe redactie (Bart Koubaa, Daan Stoffelsen, Erik Lindner, Gustaaf Peek, Jan van Mersbergen) opent met een verhaal van Wytske Versteeg (VrouwDebuutprijs 2013, nominatie BNG Nieuwe literatuurprijs), reflecteert in een drietal essays op de werkelijkheid in poëzie, proza en het maatschappelijk schrijverschap, en brengt fris proza en kruidige poëzie. Hij bevat proza van Wytske Versteeg, Eva Meijer, Barry Smit, Marieke Rijneveld, Jente Posthuma en Erik Lindner, poëzie van Vicky Francken, Guido Favié, Arnoud van Adrichem en Elmar Kuiper, en essays van Kiki Coumans, Daan Stoffelsen en Bart Koubaa dus.

Als je regent, word je nat

Elke tekst gaat over zijn schrijver: een wetenschappelijk artikel over middeleeuwse kopiisten die bewust fouten maakten om zichzelf en hun publiek te behagen, een verhaal over een man die op een ochtend wakker wordt in een nieuw insectachtig lichaam of een kritiek op een literair tijdschrift: Waarom schrijven alle Revisor-redacteuren over zichzelf ? Mis ik andermaal de ironie of kunnen ze oprecht geen boeiender onderwerp verzinnen? Onderzoeker Maarten Prot, schrijver Franz Kafka en criticus Sven Vitse schrijven over zichzelf. De vraag van Vitse, Waarom schrijven alle Revisor-redacteuren over zichzelf, is eenvoudig te beantwoorden: ‘Omdat ze schrijven.’ Met of zonder vrije wil: elke tekst gaat over zijn schrijver omdat wat hij waarneemt een constructie is van zijn zintuigen en zijn hersenen. En die hersenen laten zijn vingers letters, spaties en leestekens tot een tekst combineren. Ook met beschadigde ogen of hersenen, zelfs met vreemde vingers, zou de tekst over niemand anders dan zichzelf gaan: ‘I am large. I contain multitudes,’ fluistert een waarachtige Whitman losjes tussen haakjes in Song of Myself. Elke tekst gaat over zijn schrijver omdat boven de materie – zijn hersenen en de letters en leestekens die zijn vingers hebben gecombineerd – een bewustzijn hangt dat de schrijver en zijn tekst onlosmakelijk met elkaar verbindt. Geen enkele tekst kan zich van zijn schrijver losmaken; ze wijzen naar elkaar, ze zijn tot elkaar veroordeeld. De schrijver is de detective en wat hij geschreven heeft de moord die moet worden opgelost, of vice versa. Zijn tekst kan hem iets over zichzelf leren, in het beste geval een cold case oplossen door zijn intuïtie of gezond verstand te gebruiken.
Waarom schrijft Montaigne over zichzelf? Mis ik andermaal de ironie of kan hij oprecht geen boeiender onderwerp verzinnen? Een ongeluk met een paard, de dood van een vriend of hardnekkige nierstenen kunnen verklaren waarom Montaigne meer opduikt in zijn neergepende pogingen zichzelf en de wereld te begrijpen, het neemt niet weg dat zijn zogenaamde onpersoonlijke teksten van voor het cavaleske ongeval, van voor de dood van zijn boezemvriend en de genetisch geërfde nierstenen ook over Montaigne gaan.
Het essay, de twijfelende traditie, het verleidelijke probeersel... Rudy Kousbroek stijgt sterk als een djinn uit de inkt: ‘Het spreekt vanzelf – of zou dat moeten spreken – dat een schrijver er een min of meer eigen wereldbeschouwing op na houdt. Helaas is ook die zelden eigentijds. Het wereldbeeld van veel schrijvers staat op voet van oorlog met de exacte vakken; zulke mensen leven eigenlijk in een soort geestelijke Middeleeuwen en hebben geen flauw benul van de voornaamste denkprestaties van onze eeuw.’ En Jonah Lehrer in Proust was een neuroloog: ‘Henry James definieerde de schrijver als iemand aan wie niets onopgemerkt voorbij gaat; kunstenaars mogen de inspirerende wetenschappelijke beschrijvingen van de werkelijkheid niet negeren. Iedere kunstenaar moet Nature lezen.’ En iedere criticus moet Nature lezen om zijn taal te verrijken en zich te kunnen bevrijden van de traditie die hem aanspoort te denken in functie van materie en geest, en in functie van wat blijft, terwijl alles één is en onophoudelijk verandert; ook de schrijver en zijn tekst.
Iedere schrijver moet Nature lezen en iedere wetenschapper moet Literature lezen. Briljante wetenschappers hebben de vooruitziende klassiekers begrepen: je wordt inderdaad zoals Gregor Samsa wakker met je oude herinneringen in een nieuw lichaam, geuren en smaken prikkelen effectief herinneringen en het bewustzijn schijnt gedurende een paar minuten te kunnen overleven in een afgehakt hoofd. (Dit opmerkelijke gegeven haalt schrijver en criticus James Wood aan in zijn Hoe fictie werkt naar aanleiding van Tolstojs novelle Hadji Murad. Is het trouwens mogelijk dat er iets gelijkaardigs over afgehakte hoofden te lezen staat in de verhalen van Duizend-en-één nacht? Een vraag voor Borges.) Zoals Proust, die een aantal principes van ons geheugen voorvoelde, waren Kafka, Tolstoj en misschien de schrijvers van de Arabische vertellingen ook neurologen avant la lettre. Lazen zij Nature? De schrijvers van Duizend-en-één nacht alleszins niet.
Met of zonder hoofd: elke tekst gaat over zijn schrijver, en een pen is geen kromzwaard, een toetsenbord geen mitrailleur. Schrijven is handelen en handelen roept ethiek op; hoe moeten we juist handelen, hoe moeten we juist schrijven? Weer James Wood (iedere schrijver zou ten minste één keer door hem besproken moeten worden): ‘Natuurlijk biedt de roman geen filosofische antwoorden (zoals Tsjechov zei moet de roman alleen maar de juiste vragen stellen). In plaats daarvan doet de roman wat Bernard Williams de moraalfilosofie wilde laten doen – de roman geeft het beste verslag van de complexiteit van onze morele constructies.’ In een borgesiaanse bui zouden we kunnen stellen dat wij, mensen, de optelsom zijn van alle handelingen en gedachten in alle geschreven en ongeschreven verhalen – en die handelingen en gedachten schipperen tussen goed en kwaad of spelen zich er voorbij af, spreken elkaar tegen, zijn bewust en onbewust beïnvloedbaar, zorgen voor innerlijke conflicten, bewegen, veranderen – met het gevaar in de netten van het moreel relativisme verstrikt te geraken.
In een gesprek met de Vlaamse filosoof Herman De Dijn vraagt de interviewer: ‘Hoe komt u dan tot een onderscheid tussen goed en kwaad?’ Waarop De Dijn antwoordt: ‘Wat het goede is, wordt niet bepaald door de een of andere filosoof. Het goede is geen categorie van de filosofie, maar van de mensen. Het wordt bepaald door de manier waarop mensen collectief, in opeenvolgende generaties, het goede zien. Het goede is niet subjectief, maar heeft wel een zekere relativiteit.’
Als we onze blik naar het Oosten richten – en de Wijzen kwamen uit het Oosten – wordt dat: ‘Aangezien alles slechts een verschijning is, volmaakt in het zijn wat het is, niets uitstaande heeft met goed of slecht, niets met aanvaarding of afwijzing, kun je net zo goed in lachen uitbarsten!’
Zoals Tsjechov zei moet de roman alleen maar de juiste vragen stellen? Bedoelt Woods: zoals Tsjechov schreef moet de roman alleen maar de juiste vragen stellen? In iedere tekst spreekt zijn schrijver ons toe; de letters komen tot leven, de materie wordt bewust. We horen Rudy Kousbroek tegen ons praten in zijn essays. We kunnen ons, zonder de klankkleur van hun stem, voorstellen hoe Kafka en Proust met hun geliefden converseerden en we herkennen de tong van John Donne in zijn gedicht ‘De vlo’: ‘Kijk eens naar die vlo...’ het zouden de eerste regels van een haiku kunnen zijn.
Stelt de roman – de tekst – vandaag de juiste vragen? En hoe onmisbaar is de stem van de schrijver in onze door economie en wetenschappen gedomineerde wereld? Zijn de hedendaagse schrijvers in staat uitspraken te doen die relevant zijn maar waar niemand anders aan denkt? En hoe krijgen ze dat voor elkaar: als kleine goden zonder angst of wroeging die onbevangen en énergiquement non-intellectuel aan de slag gaan of door logische verbanden en redeneringen?
Met of zonder Nature: elke tekst gaat over zijn schrijver is een geldige redenering met twee premissen waarvan de eerste een voorwaardelijke uitspraak is, een modus ponendo ponens: als de schrijver een tekst schrijft, schrijft hij over zichzelf. De schrijver schrijft een tekst, dus de tekst gaat over zichzelf. Het is zoiets zeggen als: als het regent, word je nat. Daar is geen speld tussen te krijgen als het regent, maar wel een paraplu. Het is best handig en logisch om een paraplu te openen als het regent, maar die houdt je weg van de regen, weg van de realiteit. Onder een paraplu loop je in de illusie dat het droog is terwijl de werkelijkheid nat is. Je wereldbeeld vereenvoudigt onder een paraplu, het wordt consistenter waardoor je geneigd bent eenvoudige en oorzakelijke verklaringen te zoeken voor toevallige feiten; je loopt zonder zelfkritiek in je eigen verhaal rond en hebt geen oog voor de veel realistischere statistiek. De vraag waarom alle Revisor-redacteuren over zichzelf schrijven, wordt zonder paraplu: ‘Waarom schrijven alle schrijvers over zichzelf?’
Er bestaan paraplu’s in alle maten en kleuren, sommige hebben onplooibare baleinen, andere kun je zo klein maken dat ze in je tas passen, er bestaan asymmetrische modellen die stormen tot windkracht tien kunnen doorstaan en er zijn er waarmee je iemand kunt vergiftigen. Het overaanbod zorgt ervoor dat we minder vrij zijn; het klinkt contra-intuïtief, maar hoe meer keuze we hebben, hoe minder vrij we zijn, en dat geldt niet alleen voor paraplu’s. In Hotel Montaigne in Parijs hebben ze geen paraplu’s voor de gasten: ‘Non monsieur, désolé.’ Maar wat is de Parijse regen ravissant! Hoe zalig en verfrissend, je kleren doorweekt over je spiegelbeeld in plassen hinkelend als een onbekende op een zwart-witfoto; waarom naar een betekenis zoeken als de dingen spreken, waarom gebonden zijn aan een plu? Kijk: Paul Valéry komt uit Hotel Le Walt: ‘Het is merkwaardig hoeveel mensen hun leven verliezen door ongelukken bij pogingen om te voorkomen dat ze hun paraplu verliezen.’ Hoor je het hem zeggen?
Een paraplu belemmert ons het zicht en inzicht; hij knipt ons los van de wereldwijde willekeurige werkelijkheid waar alles met elkaar verbonden is. Denken we aan de droeve en aandoenlijke haikudichter Issa:

Zie: door de scheuren
in mijn papieren venster,
beeldschoon – de Melkweg!

of aan de kritische Shiki:

Op karperkoppen
die uit het water steken
trommelt de regen.

In het gedicht van Issa kunnen we het papieren venster in een paraplu veranderen en dan zien we door een scheur waarschijnlijk geen Melkweg, maar donkere wolken en flitsende regen, een deel van de realiteit waardoor we er ons misschien een beeld van vormen dat te overtuigend is. In het gedicht van Shiki is er enkel realiteit die we niet kunnen overdrijven; alleen de onzichtbare wolken in het gedicht kunnen overdrijven, van gedaante veranderen.
Wat weten we? Dat alles verandert; Michel Montaigne: ‘Want ook wat ik nu schrijf zijn míjn gevoelens en meningen. Ik breng ze naar voren als dat wat ík geloof, niet als wat men geloven moet. Het gaat er mij alleen om hier mijn eigen ik te ontdekken, dat er morgen misschien anders uitziet, als ik verander met het nieuwe dat ik leer.’
Elke tekst gaat over zijn schrijver, elke tekst is een poging, elke schrijver een al dan niet vermomd essay; hij is de tekst. Elk verwijt dat we hem – zijn tekst – maken, maakt van hem een betere schrijver; in feite zegt iedere kritiek: ‘Eigenlijk had je het anders kunnen doen.’ Maar is dat zo als de schrijver schrijft wat hij schrijft, als hij is wat hij schrijft, authentiek of corrupt: een probeersel met mogelijkheden en beperkingen vanaf het moment dat hij de eerste letter vormt tot hij een punt achter zijn tekst zet; een gedachte waarbij je alleen maar in lachen kunt uitbarsten?
Waarom zijn er dan goede en slechte teksten? Vlaams filosoof De Dijn parafraserend: ‘Wat een goede tekst is, wordt niet bepaald door de een of andere criticus. Een goede tekst is geen categorie van de kritiek, maar van de mensen. Hij wordt bepaald door de manier waarop mensen collectief, in opeenvolgende generaties, een tekst als goed beschouwen. Wat een goede tekst is, is niet subjectief, maar heeft wel een zekere relativiteit.’
We kunnen natuurlijk binnen blijven als het regent, gezellig met een kop muntthee en een speculaasje voor het raam van de regen zitten genieten. We kunnen zoals de dichter Issa beleven en dan moeten we geen tekst schrijven (zijn gedicht is louter observatie en probeert zoveel mogelijk woorden weg te nemen tussen zichzelf en de lezer, zoals R.H. Blyth het ziet), maar hier en nu zijn we willens nillens tekst want we lopen vooruit op de herinneringen – de teksten – die bij onze verwachtingen aan onze schrijftafel aanschuiven. Ja, wat verwachten we? Een rijkere taal die constructieve kritiek en minder fouten mogelijk maakt, een taal die onze zelfkennis vergroot, onze vragen en oordelen verfijnt, een taal die verrast?
Met of zonder vlooien: in 1631, het jaar dat John Donne stierf, werden de drukkers Barker en Lucas tot een zware geldboete veroordeeld. In vers 14 van het twintigste hoofdstuk van het boek Exodus van hun Bijbeluitgave staat: ‘Gij zult het huwelijk breken.’ Was dit een fout, a Donnian slip, of hadden de drukkers bewust het woordje ‘niet’ vergeten? De mens is dubbelzinnig, de wetten van Mozes niet: overspel, effectief of in gedachten, betekent de doodstraf door steniging. Jezus, die vreugdeloze psycholoog, zoals Woods hem definieert, is milder, menselijker. Wanneer schriftgeleerden en Farizeeën (lees: critici) hem een op overspel betrapte vrouw brengen (lees: een tekst die afwijkt van de regels), bukt Hij zich en schrijft met Zijn vinger op de grond. Ze blijven maar doorvragen wat ze met de overspelige tekst moeten doen waardoor Jezus zich opricht en zegt dat wie zonder zonde is de eerste steen mag werpen. Hij bukt zich weer en schrijft verder op de grond terwijl de schriftgeleerden en Farizeeën een voor een afdruipen. Als Jezus en de vrouw alleen zijn zegt hij tegen haar: ‘Ik veroordeel u ook niet. Ga heen, zondig van nu af meer.’ En de tekst, door Johannes opgeschreven, gaat verder: ‘Jezus nam opnieuw het woord. Hij zei: “Ik ben het licht voor de wereld. Wie mij volgt loopt nooit meer in de duisternis, maar heeft licht dat leven geeft.” De Farizeeën wierpen tegen: “Uw getuigenis is niet betrouwbaar, want u getuigt over uzelf.” Maar Jezus ging verder: “Ook al getuig ik over mezelf, toch is mijn getuigenis betrouwbaar, omdat ik weet waar ik vandaan gekomen ben en waar ik naartoe ga. Maar u weet niet waar ik vandaan kom of waar ik naartoe ga. U oordeelt met menselijke maatstaven, maar ik oordeel over niemand.”’ Alles goed en wel, maar wat schreef Jezus over zichzelf in het zand?

 

Copyright © 2013 Bart Koubaa

Literair tijdschrift De Revisor

Uitgeverij  Querido

MINDBOOKSATH : athenaeum