Leesfragment: De vijand van mijn vader

27 november 2015 , door Almudena Grandes

Op 11 juni verschijnt De vijand van mijn vader, de nieuwe roman van Almudena Grandes, in een vertaling van Mia Buursma. Wij publiceren voor: '"Ik weet nog niet wat ik later wil worden," zei ik die dag tegen Macario, en ik merkte dat door iets in de manier waarop ik het zei, misschien door de intonatie of omdat ik heel zachtjes, bijna fluisterend praatte, de man met de handboeien links van mij naar me keek.'

Nino is negen jaar en zoon van een guardia civil in een dorp in het zuiden van Spanje. Met zijn ouders en zusjes woont hij in de kazerne. In de zomer van 1947 leert hij Pepe le Portugués kennen, een mysterieuze vreemdeling. Pepe wordt zijn grote vriend. Terwijl ze geregeld middagen bij het riviertje doorbrengen met vissen en lummelen, leert Nino ondertussen typen op de boerderij van de Rubias. Daar wonen meisjes en vrouwen van wie de vaders en echtgenoten zijn gedood omdat het ‘rooien’ waren. Door Pepe en zijn typelerares raakt Nino enorm geïnteresseerd in avonturenromans en een nieuwe wereld gaat voor hem open. Eigenlijk leert hij via de boeken van Jules Verne de vreemde dingen die in het dorp gebeuren te interpreteren. Hij begint zich af te vragen wat zijn vriend Pepe te maken heeft met de strijd die in de heuvels gaande is. En plotseling raakt Nino zelf in een avontuur verwikkeld en moet hij beslissen aan welke kant hij zich schaart.

Almudena Grandes (Madrid, 1960) debuteerde in 1989 met de erotische, controversiële roman Episoden uit het leven van Lulu. Daarna schreef ze nog zes romans en verhalenbundels. Van Het ijzig hart [toelichting door de vertalers] werden in Nederland 20.000 exemplaren verkocht en in eigen land 650.000. In Spanje is Grandes al jaren een van de bestverkopende literaire auteurs.

 

I
1947

De mensen zeggen dat het in Andalusië altijd mooi weer is, maar in mijn dorp hadden we het in de winter verschrikkelijk koud.
Al eerder dan de sneeuw kwam, als bij verraad, het ijs. Als de dagen nog lang waren, als de zon overdag nog warmte gaf en we ’s middags bij de rivier gingen spelen, werd de lucht plotseling scherp en helder en dan kwam de wind, een gure ijle wind, alsof hij van kristal was, een vluchtig transparant kristal dat fluitend uit de bergen kwam maar het stof in de straten met rust liet. En dan, aan het begin van zomaar een avond in oktober, of als we geluk hadden november, haalde de wind ons in nog vóór we thuis waren, en dan wisten we dat het gedaan was met al het moois. Het maakte niet uit dat we elke ochtend weer op een van die oude, kleurige affiches die don Eusebio op school zo graag aan de muren hing, konden lezen dat de winter op 21 december begint. Dat zou wel in Madrid zijn. In mijn dorp begon de winter als de wind dat wilde, als de wind er zin in kreeg ons door de straten achterna te zitten en met zijn kristallen nagels aan onze gezichten te krabben alsof hij nog een oude rekening met ons te vereffenen had, een schuld die pas vroeg in de ochtend werd voldaan, omdat hij onafgebroken bleef zoemen aan de andere kant van de gesloten deuren en ramen, tot hij plotseling ophield alsof hij zich op dat uur waarop zelfs de slapelozen al slapen, schaamde voor zijn eigen razernij. En in die bedrieglijke, onopvallende stilte, in weerwil van de boeken en de kalenders en al stond het op geen enkel affiche, werden we overvallen door de eerste vorst. Daarna was het echt winter.
Het ijs bedekte de binnenplaats met een wittig, groezelig gaas, als een oud verband om de armetierige boomstammen aan weerszijden van de put, en in het nog vage licht van de dageraad verleende het een mysterieuze betekenis aan elke kiezelsteen, scherpe contouren die afstaken tegen de door de kou omhooggekrulde, stijf geworden grond. En ook aan mijn neus, die eerder dan ikzelf als een bevroren aanhangsel wakker werd in mijn gezicht, haast alsof hij van iemand anders was. Dan stak ik een hand uit om hem aan te raken, alsof ik verbaasd was dat hij daar was, tussen mijn ogen en mijn mond, en het verschil in temperatuur deed tegelijk pijn aan mijn neus en aan mijn vingers. Om dat niet te hoeven voelen, stopte ik mijn hoofd helemaal tussen de warme zachte lakens en viel weer in slaap, en deze keer was beter dan de eerste, maar zoals bijna alles in dit leven wat beter is, was die rust maar van korte duur. De deur van de kamer die ik met mijn zusjes deelde, was in het midden, aan de andere kant van het groene gordijn, maar het raam hoorde bij mij en daarom maakte mijn moeder mij altijd als eerste wakker. Het licht kwam gelijk met haar stem, kom, Nino, opstaan, het is de hoogste tijd, en even later de snelle vluchtige kus op mijn voorhoofd, het onvermijdelijke begin van elke ochtend.
Elke dag begon op dezelfde manier, dezelfde voetstappen, dezelfde woorden, het kleine geluidje van haar vingers die de luiken openmaakten en ook die kleine kus, de huid van mijn moeder die amper mijn huid aanraakte, een zachtheid die voortkwam uit haast en die in niets leek op de luidruchtige, herhaalde druk van haar lippen die me welterusten wensten alsof ze hun afdruk voorgoed op mijn wangen wilden achterlaten. Elke dag begon op dezelfde manier, maar met de eerste vorst veranderde alles zonder dat er iets veranderde. In andere huizen in het dorp werd met gefronste blikken naar de bergen gekeken, één enkele bezorgde uitdrukking op heel veel verschillende gezichten. In mijn huis, dat geen huis was maar drie kamers in de kazerne van Fuensanta de Martos, gedroegen wij ons beter, want we wisten dat zodra de winter begon mijn moeder geen zin meer had in grapjes.
‘Hoe heb ik het ooit in mijn hoofd kunnen halen om met hem hier te trouwen, hè, hoe heb ik dat ooit kunnen doen, en dat terwijl ik het zo goed had in mijn dorp ...’
Dat was waar, maar ook niet waar. Ze was geboren aan zee, in een buurtschapje van vissers, zo dicht bij Almería dat het haast een buitenwijk van de stad leek. Daar was het nooit koud. Dat wist ik omdat haar jongste zus begin maart was getrouwd en ons had uitgenodigd voor de trouwerij. Aanvankelijk had het bericht weinig indruk op mij gemaakt, want we hadden wel vaker dergelijke uitnodigingen gekregen en daar was nooit iets mee gebeurd, maar die keer was anders dan anders. Ten eerste omdat mijn moeder had besloten ernaartoe te gaan, om weer terug te gaan naar haar dorp waar ze meer dan tien jaar niet was geweest. En ook omdat ze had besloten ons mee te nemen. In 1947 was die reis een enorme gebeurtenis voor elke familie in de Sierra Sur.
‘En waarom gaat papa niet mee?’ durfde ik te vragen toen we al in de streekbus zaten die ons van Fuensanta naar Martos zou brengen, terwijl ik door het raampje naar hem keek en zag hoe hij ons op de stoep stond uit te zwaaien.
‘Daarom niet.’
‘Maar waarom niet?’
‘Omdat hij niet kan.’
‘Moet hij werken?’
‘Ja, natuurlijk.’
Die ochtend was mijn dorp ontwaakt onder een dun laagje sneeuw. In Martos was de sneeuw niet blijven liggen, maar het was er wel heel koud. Dat weet ik nog, omdat de bus ons met ruim twintig minuten vertraging afzette bij het station en we naar de trein moesten rennen, maar ondanks het geren, het gezweet en het gedoe met de koffers met de cadeaus voor de bruid en haar familie kregen we het maar niet warm.
Moeder dreef ons voort als een stel schapen, terwijl ze met een getypt vel papier in haar hand door de gangpaden liep, op zoek naar de twee leden van de Guardia Civil die meereisden in de trein. Ik zat voor het eerst zonder mijn vader in een trein, en hoewel ik probeerde net te doen of alles heel gewoon was omdat ik, doordat hij niet meeging, de enige man van de familie was, was ik voor alles bang. Als hij erbij was, was het anders. Als hij vooropging in zijn uniform, met zijn driekante steek en zijn dienstwapen, gingen de reizigers voor ons opzij, en in plaats van ons naar onze kaartjes te vragen, haastten de conducteurs zich om zo nodig iemand op te laten staan zodat we allemaal bij elkaar konden zitten, maar deze keer ging mijn vader niet mee, en ik vertrouwde niet helemaal op de twee getypte vellen papier die hij ons in een envelop had meegegeven toen hij bij het portier van de streekbus afscheid van ons nam. Maar alles ging goed. Mijn moeder kende een van de twee guardia’s die in die trein zaten, een korporaal die in Fuensanta had gewerkt voor hij was overgeplaatst naar het Hoofdkwartier in Jaén, en hij hoefde het papier niet eens te lezen voor hij de conducteur riep, hem uitlegde dat we familie van een collega waren, ervoor zorgde dat we allemaal een plaatsje kregen en mij een handjevol van die sterke pepermuntjes gaf die zowel op je tong als tegen je verhemelte prikken.
‘Voor jou en je zusjes,’ zei hij lachend, maar Dulce spuugde het eerste pepermuntje meteen weer uit nadat ze het in haar mond had gestopt en Pepa was al in mijn moeders armen in slaap gevallen toen ik probeerde haar er eentje te geven, dus at ik ze allemaal alleen op. Het was een kalme, rustige reis, heel anders dan we op de terugweg zouden maken, maar toen de trein vertrok, zat ik nog steeds te bibberen van de kou. Een uur later was de lucht blauw, de zon straalde en haast zonder dat ik het merkte, knoopte ik mijn jas los. Even later had ik het heel erg warm.
‘Ik heb het snikheet, mama,’ zei ik terwijl ik ook mijn trui uittrok. ‘Komt dat door de ketels van de trein, of ...?’
‘Nee,’ antwoordde zij, en ze glimlachte alsof er zojuist een last van haar was afgevallen.
‘Maar het is zo warm.’
‘En het wordt nog veel warmer.’
Toen zagen we de eerste bloemen, bloemen in de winter, enorme groene velden bespikkeld met rode, roze, witte en paarse vlekken, grote, mooie bloemen zoals je in de winkel koopt en die zomaar langs de treinrails groeiden. Mijn moeder wees ze aan en sprak zonder aarzelen hun zonnige, geheimzinnige namen uit, en terwijl ik naar haar luisterde, oleander, hibiscus, bougainville, dacht ik aan de klaprozen, de margrieten en die andere blauwe bloemetjes, die zo klein waren dat ze niet eens een naam hadden en die de enige bloemen in mijn dorp waren en dan alleen nog in de lente. Op de stations liepen de mensen zonder jas, in hemdsmouwen of in een dun loshangend jasje, en ik keek naar hen, ik keek naar die tuin, een eeuwigdurende zomer, en plotseling begreep ik alles, het slechte humeur van mijn moeder, haar verwensingen als een afvallige zonder enige hoop, die verbitterde verbazing waardoor ze zich elk jaar als de vorst kwam en daarmee het harde leven, opnieuw hardop afvroeg wat zij toch te zoeken had in Fuensanta de Martos. Maar de dingen zijn niet altijd zoals ze lijken en ook daar kwam ik op die reis achter.
Oleander, hibiscus, bougainville. Toen ik ze drie dagen later terugzag, zo mooi, zo nutteloos, die bloemen die daar zomaar bloeiden, langs de rails van de trein die me terugbracht naar Jaén, naar Martos, naar de sneeuw in de bergen, had ik geleerd dat je op namen niet kunt kauwen, dat je bloemen niet kunt eten. Ik had de zee gezien, maar ook hoe de golven een voor een mijn moeders blijdschap van haar wegnamen. Ik had ontdekt dat ze niet overdreef als ze zei dat in haar dorp een man per dag genoeg had aan een tomaat en een tros druiven om te werken, en dat er armen waren die nog veel armer waren dan wij. Vader stond dik ingepakt op het perron van het station op ons te wachten. Ik was zo blij hem te zien dat ik het raampje opendeed om zijn naam te schreeuwen en daarbij wild met mijn armen te zwaaien, en ik voelde niet hoe de kou me welkom heette en zich vastbeet in mijn neus en in mijn oren om mijn terugkeer naar haar domein te vieren. Moeder vroeg niet eens waarom hij daar was en niet in het dorp, bij de halte van de streekbus, waar wij eigenlijk verwachtten hem te zien. Hij zei dat hij ons heel erg had gemist, en zij klampte zich aan hem vast alsof ze nog verloofd waren, alsof ze nog niet getrouwd waren, alsof wij nog niet geboren waren en daar niet stonden en naar hen keken, terwijl we mijn moeder hoorden zeggen nee, nee, ik ga niet terug, Antonino, ik zweer je dat ik niet terugga ...
‘En jij, Nino?’ Mijn vader zette mijn zusje Pepa op de grond, pakte me bij mijn schouders en gaf me een zoen. ‘Vond je de zee leuk?’ ‘Nou en of, papa, hij is zo groot ... Enorm.’
Dat zei ik, en hij lachte alsof hij al verwachtte dat ik dat zou zeggen. Toen besefte ik dat ik hem verder niets zou vertellen. Dat ik hem niet zou vertellen dat mijn neefjes mijn schoenen hadden gestolen, dat ik ze uit had gedaan om net als zij met blote voeten op het strand te spelen, en dat ik ze niet meer had gezien tot mijn moeder het had gemerkt en in plaats van mij een standje te geven woedend naar buiten was gelopen en ze meteen had teruggehaald, elke schoen nog met de sok erin, net zoals ik ze had achtergelaten bij een boot. Dat ik hem niet zou vertellen dat tante María del Mar de eieren die haar kippen legden niet aan haar kinderen te eten gaf, maar ze verkocht, omdat ze het geld zo hard nodig had, en ook niet dat moeder ons stiekem brood met kaas gaf, zodat we oma niet om eten zouden vragen. Dat ik hem niet zou vertellen dat op de dag van de bruiloft een donkere magere man, zoals ze daar allemaal waren, bij de deur van de kerk naar me toe was gekomen en me had gevraagd of ik de zoon was van de guardia civil, en dat hij toen had gezegd dat hij dat zomaar had gevraagd, alleen maar omdat hij blij was dat hij mijn vader niet was. Die man, een vroegere vrijer van mijn moeder, had me aangekeken met een scheef, gespannen lachje dat aan de ene kant hoger leek dan aan de andere kant, en dat had me bang gemaakt, maar ook dat vertelde ik aan niemand.
De man die in de trein terug met ons was meegereisd, was ook donker en mager, maar heel smerig. Zijn hemd was aan één kant gescheurd, en opzij van zijn voorhoofd had hij een oude wond, te zien aan een streep opgedroogd bloed. Hij stond en keek strak naar de grond, hoewel hij af en toe zijn hoofd naar links draaide en met een stille, ingehouden, treurige uitdrukking op zijn gezicht door het raampje keek, alsof hij afscheid nam van dat landschap maar niet wilde dat iemand het zou merken. Af en toe haalde hij met zijn linkerhand een sigaret uit zijn broekzak, bracht hem naar zijn mond en vroeg met een beweging van zijn hoofd een vuurtje aan de guardia die naast mijn moeder zat, en toen ik naar hem keek, merkte ik dat alles aan hem trilde, zijn hand, zijn arm, zijn lippen die aan de filter zogen. Hij zei de hele reis geen woord. Hij keek ook geen enkele keer naar de guardia die naast hem stond, al was zijn rechterhand met handboeien vastgeketend aan de linkerhand die uit een olijfgroene mouw tevoorschijn kwam.
Het was een gevangene, of misschien nog niet eens, misschien hadden ze hem pas net opgepakt en was hij nog niet in een gevangenis geweest. Ik wist het, want toen ik een keer met mijn vader naar Jaén ging, had ik een soortgelijk tafereel gezien, al was de gevangene toen een vrouw die zat en geluidloos huilde, met haar hoofd tussen haar armen. Daarom had ze minder indruk op me gemaakt dan deze man. Daarom, en omdat die keer niemand had hoeven plassen. ‘Ik moet naar de wc, Macario, ik hou het niet meer.’
De vastgeketende guardia onderbrak zijn collega, die met vrije handen rustig met mijn moeder zat te praten en mismoedig met zijn hoofd schudde, waarmee hij een tegenvaller suggereerde die voor mij niet duidelijk was.
‘Hou het nog even op, joh,’ zei hij op haast smekende toon. ‘Op het volgende station ...’
‘Nee, Macario, alsjeblieft. Ik doe het in mijn broek.’
‘Godallemachtig ...! Verdomme! Logisch, met al dat water, dat water ...’
‘Maar wat wil je dan, dat moet toch van de dokter?’ Het was een jonge aardige guardia, en te oordelen naar de benauwde uitdrukking op zijn gezicht had hij echt hoge nood. ‘Ik moet heel veel drinken, want ik heb nierstenen.’
‘O ja? Nou, ik sla je nog eens op je kop met een van die stenen.’ Macario was daarentegen van dezelfde leeftijd als de luitenant van Fuensanta, hij was kaal en had een flinke buik, al had hij nog niet eens de insignes van een korporaal. ‘Vertel jij me dan maar eens hoe we dat gaan doen. Want hij kan niet met je mee naar de wc ...’
‘Met mij mee? Geen sprake van. Het moest er nog bij komen dat die daar mijn zaakje ziet.’
Toen keek Macario om zich heen en zijn blik viel op mij.
‘Ik kan hem niet van je overnemen,’ zei hij tegen zijn collega, ‘je kent de voorschriften, hoewel ... Maar ja, als je het echt niet meer kan ophouden en als het die jongen niet uitmaakt ...’
‘Natuurlijk niet!’ Mijn moeder keek naar mij, ze lachte en ik begreep haar woorden en ook haar glimlach niet. ‘Jullie zijn zo aardig voor ons geweest. Vooruit Nino, ga ...’
‘Waarnaartoe?’ vroeg ik, maar zonder verder nog een woord te zeggen, duwde ze me naar voren en voor ik er erg in had, had de oudste guardia zijn collega al van zijn boeien bevrijd en mij vastgeketend aan de trillende man.
‘Ik mag dit eigenlijk niet doen, weet u?’ Macario draaide zich naar mijn moeder terwijl ik begon te zweten zoals ik nog nooit had gezweet. ‘Maar, nou ja, in diensttijd ...’
‘Maakt u zich geen zorgen, u bent ons geen verklaring schuldig.’ Mijn moeder glimlachte nog steeds, en ik zweette, ik hoorde de ademhaling van de gevangene en ik zweette, ik voelde de aanraking van zijn hand, van de manchet van zijn overhemd en ik zweette, het leek of ik zijn hart hoorde bonzen en ik zweette, ik zweette zo verschrikkelijk dat het leek alsof ik vanbinnen helemaal opdroogde. ‘Mijn zoon is in een kazerne geboren en hij heeft nog nooit ergens anders gewoond.’
‘Dat is hem ook wel aan te zien, hè, zo netjes, zo gehoorzaam ... En dan went hij er vast aan, nietwaar?’ Pas toen begon Macario tegen mij te praten. ‘Want als je groot bent, wil je vast ook guardia civil worden, hè, net als je vader?’
Als ik groot ben, word ik guardia civil, zei Paquito, de zoon van Romero, altijd. Wie wil dat niet, want alles is gratis, je kunt zonder betalen in de trein, je hoeft geen kaartje te kopen voor de film, om maar te zwijgen van het voetbal, hè? En wat dacht je van de stieren, je kunt de stierengevechten zien vanachter de schuttingen in de gang rond de arena, net als de hoge pieten, en zonder een cent te betalen ... Natuurlijk word ik guardia, knikte hij zo zelfverzekerd alsof hij de driekante steek al op zijn hoofd had, dan kan ik voor mijn vrouw af en toe een paar kilo aardappels meebrengen, of die meloenen die de buren achterlaten bij de poort van de kazerne, en dan is ze net zo tevreden als mijn moeder, en op de kermis hoef ik ook geen cent uit te geven, want terwijl mijn kinderen gratis in alle toestellen gaan, worden al mijn drankjes betaald, nou, dat bespaar je maar mooi, zoals mijn vader zegt ...
‘Ik weet nog niet wat ik later wil worden,’ zei ik die dag tegen Macario, en ik merkte dat door iets in de manier waarop ik het zei, misschien door de intonatie of omdat ik heel zachtjes, bijna fluisterend praatte, de man met de handboeien links van mij naar me keek. Ik keek ook naar hem en ik zag dat hij net zo jong was als de guardia die naar de wc was gegaan. Hij had donkere ogen, een haviksneus, een blanke huid, roze wangen, dunne gespannen lippen, en aan de ringvinger van de hand die aan de mijne zat vastgeklonken, droeg hij een trouwring die zo glansde dat hij nieuw leek.
‘Ja joh, guardia!’ Macario begon te lachen, zijn gevangene sloot zijn ogen voor hij weer uit het raampje keek, en ik staarde naar het profiel van zijn hoofd, zijn met modder besmeurde haar dat zat vastgeplakt aan zijn nek, de boord van zijn witte hemd dat zo smerig was dat het grijs leek. ‘Je krijgt het toch immers nergens beter?’
Zijn collega kwam terug van de wc en even later zat ik weer tussen mijn zusjes en was hij weer vastgeketend aan de gevangene, alsof er niets was gebeurd. Er was wel wat gebeurd, maar het deed er al niet meer toe, want we waren in Jaén, we waren weer thuis, en daarom vertelde ik dit ook nooit aan mijn vader.

© Almudena Grandes, 2012
Oorspronkelijke titel: El lector de Julio Verne
Vertaald uit het Spaans door Mia Buursma
© 2013 Uitgeverij Signatuur, Utrecht en Mia Buursma

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum