Leesfragment: Dietrich & Riefenstahl

27 november 2015 , door Karin Wieland

Deze week verscheen Dietrich & Riefenstahl. Twee vrouwenlevens in Hollywood en Berlijn van Karin Wieland, vertaald door Goverdien Hauth-Grubben. Zondag 26 mei gaat Wieland hierover in gesprek met Duitsland-correspondent Frank Vermeulen, vanaf 16.00 in het NRC Restaurant Café. Wij brengen een uitgebreid fragment: 'De weg naar de kunst gaat voor Leni Riefenstahl via het lichaam. Als adolescente ontdekt ze haar lichaam als middel om aan de vaderlijke almacht te ontsnappen. Het onzekere meisje traint haar wil, probeert haar moed uit: ambitieus en intensief doet ze aan sport. Het trainen van haar lichaam maakt haar sterk tegenover haar vader.'

Berlijn, 1918. Twee vrouwen dromen van succes. Marlene Dietrich en Leni Riefenstahl voelen aan dat hun grote ogenblik is aangebroken. De een wil filmactrice worden, de andere wil de planken op, en het sterrendom zal niet lang op zich laten wachten. Ze hebben allebei een fijne neus voor hoe ze zich als moderne vrouw moeten presenteren. Maar ze maken volstrekt uiteenlopende keuzes om hun doel te bereiken. Dietrich steekt de oceaan over en groeit in Hollywood algauw uit tot internationale ster, terwijl Riefenstahl Adolf Hitler van de filmbeelden voorziet die hij nodig heeft voor zijn propaganda. Die keuzes zullen verstrekkende gevolgen hebben voor de rest van hun leven.

 

Op haar oude dag zal Marlene Dietrich zich het marcheren van de soldaten herinneren en het alomtegenwoordige hoefgetrappel van de paarden, dat haar jeugd begeleidde. Ze werd geboren op 27 december 1901 in Schöneberg, een kleurloze voorstad van het nieuwe Berlijn. In die tijd was men daar begonnen met de bouw van drie tot vijf verdiepingen hoge huizen met huurwoningen voor lagere ambtenaren, arbeiders en werknemers. De straten waarin deze huizen aaneengeregen stonden, laten dat gevoel van monotonie opkomen dat je in Berlijn nooit helemaal kwijtraakt. 
De Schönebergse Sedanstraße, waar Marlene Dietrich de eerste jaren van haar leven slijt, is gelegen op het zogenaamde eiland, dat door treinrails van de rest van de stad is afgescheiden. Het ritme van het stadsspoor wiegt het meisje in slaap. Het leger had kazernes op het eiland laten bouwen, en sinds de Duits-Franse Oorlog werd het spoor gebruikt voor het transport van soldaten en wapens. De Sedanstraße is ‘een soort Berlijn zonder bomen’, de idyllische dorpsresten zijn vrijwel verdwenen, het leger domineert het dagelijks leven van de burgerbevolking. Vrijwilligers hebben er een kamer in onderhuur en er zijn veel kroegen waar de soldaten hun vrije tijd doorbrengen. Marlenes vader, Louis Erich Otto Dietrich, zorgt hier voor de handhaving van de openbare orde,want hij is luitenant bij de politie. De dienstvertrekken van zijn wijkbureau bevinden zich op de begane grond van het huis dat hij met zijn gezin bewoont. 
De Dietrichs zijn uit de Pfalz verdreven calvinisten die zich onder de bescherming van Frederik de Grote in Brandenburg hadden gevestigd. Elisabeth, Marlene Dietrichs zus, beweert echter dat ze hugenoten waren en hecht veel waarde aan die afkomst. In 1972 schrijft ze dat ze zijn opgegroeid met de woorden van hun tante Anna: ‘Wij zijn refugiés.’ En ze voegt eraan toe: ‘Door hun strenge geloof waren de hugenoten streng van zeden, arbeidzaam, burgerlijk, bescheiden en matig.’ Die deugden lijken bij haar vader echter niet bijzonder ontwikkeld te zijn geweest. Hij kwam oorspronkelijk uit het Uckermarkse stadje Angermünde en was de zoon van een meester-zadelmaker, die tevens een herberg runde. De Dietrichs wisten zich op te werken tot de rang van kleinstedelijke notabelen. Hun zoon Louis voelt zich geroepen tot een hogere functie en wil officier worden. Hij dient bij de ulanen, een met lansen, sabels en pistolen bewapende cavalerieafdeling. In Franse spotprenten worden de ulanen vaak voorgesteld als het summum van Pruisisch militarisme: met ongure tronies, fonkelende monocles en lange lansen. Een officier Dietrich kon bij de daarvoor in aanmerking komende ulanenregimenten niet achterhaald worden, en waarschijnlijk heeft Marlene Dietrichs vader het slechts tot sergeant-majoor gebracht. Toch voelde hij zich een echte officier. De jongeman met zijn ongebruikelijke voornaam was elegant, vrijgevig en populair. Hij hield ervan mooie vrouwen in zijn vierspan over de promenade rond te rijden en leefde boven zijn stand. Wat opvalt op de weinige foto’s die er van hem zijn, is zijn hang naar pose: zijn trotse, kaarsrechte houding, zijn snor met opgedraaide punten en het knipmesachtige buigen van zijn lichaam om zijn ‘luitenantstaille’ beter te doen uitkomen. In die presentatie van zichzelf vereenzelvigt hij zich met het collectieve beeld van de Pruisische officier; de bewaard gebleven foto’s laten hem vooral zien als een representant van zijn stand en zijn generatie. In 1867 geboren behoort hij tot de Wilhelminer, de generatiegenoten van keizer Wilhelm ii. De vaders van die generatie hadden alles bereikt: ze hadden het land verenigd en de Fransen overwonnen. Maar de zonen zijn erfgenamen zonder het vooruitzicht op zelfverdiende roem.
Louis Dietrich bleef niet lang bij het leger. Net twintig jaar oud verruilde hij het voor de politie. Hij kiest een beroep dat hem op het eerste gezicht openbaar aanzien, zekerheid en status verleent, maar nauwelijks promotiekansen biedt, slecht betaald wordt en op weinig sympathie bij de bevolking kan rekenen. Berlijn was opgedeeld in afzonderlijke wijken, en de voor een bepaalde wijk verantwoordelijke ambtenaar moest daar ook wonen. De politieagent is onderworpen aan een hogere orde. Ook buiten diensttijd moet hij zijn uniform dragen, het bezoeken van cafés dient beperkt te blijven en het lidmaatschap van verenigingen is in principe alleen toegestaan met toestemming van zijn superieur. De politieagent is een buitenstaander. Hij is permanent in dienst. Aantrekkelijk aan dit beroep is enkel en alleen het prestige. Louis Dietrich kan als typisch worden beschouwd: ook als politieman leeft hij boven zijn stand om zijn armoedige situatie te verdoezelen. Marlene Dietrichs vader kan zijn barse autoritaire toon ook binnenshuis niet afleggen. Het gezin ondervindt aan den lijve wat hij in het leger heeft geleerd: machtsvertoon, bevelen uitdelen, gehoorzaamheid afdwingen en handhaving van de eigen autoriteit. Dat straalt hij ook uit. Zijn ongebroken liefde voor uniform en pose bewijst hij niet in de laatste plaats op zijn trouwfoto uit 1898. De vrouw aan zijn zijde lijkt wel aan hem vastgeplakt; drie van haar vingers komen spookachtig uit de kromming van zijn linkerarm tevoorschijn. Hij neemt geen enkele notitie van haar. Zonder hoofddeksel en in een zondags uniform kijkt hij strak in de camera, terwijl zijn bruid bijna schuchter en onderdanig naar hem opziet.
Wilhelmine Elisabeth Josefine Felsing is tweeëntwintig en belichaamt wat Franziska zu Reventlow een ‘Gretchentype’ heeft genoemd. Voor het huwelijk zijn de mannen voor deze vrouwen halfgoden, en daarmee is de teleurstelling voorgeprogrammeerd. Zoals voor Berlijners gebruikelijk waren ook de Felsings van elders hiernaartoe verhuisd, en wel uit Gießen. Al generaties lang waren ze klokkenmakers. De in 1820 in Berlijn opgerichte zaak behoort tot de bekendste van het oude Berlijn. De Felsings zijn gespecialiseerd in het vervaardigen van elegante klokken en omschrijven zichzelf trots als ‘hofleveranciers van Zijne Majesteit de keizer en de keizerin’. Aan Josefines vader Albert Felsing was de titel Koninklijk Pruisisch Commissieraadsheer verleend. In 1895 schonk hij de gouden klok voor de Kaiser-Wilhelm-Gedächtniskirche. De familie heeft een deftige zaak aan Unter den Linden 20, in een huis dat zich in hun bezit bevindt. Ze zijn trots op de nabijheid van het koninklijke slot. Haar huwelijk met de politieofficier, dat ook binnen haar familie niet alleen maar instemming vindt, betekent voor Josefine Felsing een maatschappelijke achteruitgang. Dat doet haar aanvankelijk weinig, want ook zij is onder de indruk van het vlotte optreden van Louis Dietrich en ze is dan ook verliefd geworden op de politieagent met zijn mooie praatjes. 
Hun eerste kind, Elisabeth Ottilie, komt twee jaar na de bruiloft ter wereld, in 1901 volgt de tweede dochter Marie Magdalene. Josefine was toen vijfentwintig en al een ontgoochelde vrouw. Van de held die ze ooit in haar man had gezien, was niet veel meer over: de knappe politieagent is beroepshalve een mislukkeling en zoekt bevestiging bij andere vrouwen. Ze berust in haar lot, maar doet haar best de beide meisjes naar haar idealen op te voeden. Binnen de vier muren van hun huis heeft ze de wind eronder. Daarbij houdt ze geen enkele rekening met neigingen of gevoelens. Terwijl Elisabeth zich lijkt te schikken in het bewind van haar moeder, lijdt Marie Magdalene eronder. De twee meisjes verschillen trouwens toch veel van elkaar: ‘Elisabeth was verlegen, nerveus, klein en een beetje mollig. Niet de slanke lijn die toentertijd in de mode was. Ze droeg haar haar heel vaak in twee vlechten, links en rechts […] of in een dot, een knot achter tegen het hoofd. Om haar kleding leek ze niet veel te geven.’ Elisabeth is het lelijke eendje. Hoe anders daarentegen Marie Magdalene. Ze is een mooi kind en trots op haar lange haren. Elisabeth vertelt dat de mannen al weg van haar waren toen ze amper tien was.
Marie Magdalene zou het lievelingetje van de familie hebben kunnen zijn, maar dat vermoeden wordt niet bevestigd door de foto van het gezin uit 1906. Vader, moeder en grote zus zitten, terwijl het jongste kind staat. De zusjes lijken dezelfde kleren en hoedjes te dragen, en hun moeder, die duidelijk molliger is geworden, heeft zich in een witte jurk met ruches geperst. Haar hoed staat vlot op haar hoofd. De vader is in uniform, heeft zijn autistenblik opgezet en houdt de knop van zijn degen omklemd. Elisabeth zit naast haar moeder, Marie Magdalene staat naast haar vader. Deze gezinsfoto blijft een onevenwichtige indruk maken tot Marie Magdalene wordt weggeretoucheerd. Dan wordt het een harmonisch geheel: de bezadigde autoriteit van de vader wordt gecompleteerd door de onschuldige vrouwelijkheid van de moeder en het meisjesachtige van de oudste dochter met haar bolle wangen. De foto verraadt dat de jongste een speciale plaats in het gezin inneemt: ze is de enige van wie de blik naar buiten gericht is, die wil behagen, en die ook behaagt. De rest van het gezin lijkt in zichzelf gekeerd, van de wereld afgewend. Zo valt misschien de treurigheid en de eenzaamheid te verklaren die Marlene Dietrich op latere leeftijd zal noemen als de wezenlijke gevoelens van haar jeugd. 
De dagelijkse monotonie van het politiehuishouden wordt onderbroken door meerdere verhuizingen: in 1904 naar de nabijgelegen Kolonnenstraße en twee jaar later naar de levendige Potsdamer Straße. Elisabeth Will schrijft dat zij en haar zusje bang waren voor die ‘overgangen’. Ongetwijfeld hebben de meisjes hun moeders angst voor verdere maatschappelijke achteruitgang aangevoeld. Van zijn superieuren krijgt Dietrich de slechtste beoordeling, wat de verhuizing van de eerste verdieping naar het souterrain een symbolische betekenis geeft. Uiteindelijk wordt Louis Dietrich ziek. ‘Op een keer bracht mijn moeder ons naar de plek waar mijn vader was. Ze liep met ons voor het ziekenhuis heen en weer, zodat hij ons door zijn getraliede raam kon zien.’ In een gerenommeerde psychiatrisch-neurologische privékliniek in Berlijn-Westend bezwijkt politieluitenant Louis Erich Otto Dietrich op 5 augustus 1908 aan zijn zenuwaandoening, die waarschijnlijk op syfilis terug te voeren was. Hij is slechts eenenveertig jaar oud. Bij de schande van de neergang komt nu ook nog de smaad van deze dood. Voor haar kinderen houdt Josefine Dietrich de doodsoorzaak geheim. Waarschijnlijk is ze bang dat de ziekte van hun vader wel eens op de kinderen overgebracht kon zijn. 
Josefine Dietrich laat zich als ‘weduwe Dietrich’ in het telefoonboek opnemen en verhuist met haar kinderen naar de Tauentzienstraße. Marie Magdalene bezoekt de Auguste-Viktoriaschool in de Nürnberger Straße. Josefine Dietrich leert haar dochters de liefde voor de plicht. De klokkenmakersdochter staat onwrikbaar op stiptheid en discipline, maar voor de vreugden van het leven is ze elk gevoel kwijtgeraakt. De dagindeling van haar dochters wordt streng door haar geregeld: van acht tot één gaan ze naar school, hun moeder brengt hen en haalt hen ook weer op. Voor het middageten is een halfuur gereserveerd, waarna de meisjes een uur lang huiswerk maken. Om drie uur komt er een mademoiselle of miss om met hen in een vreemde taal te converseren. Soms maken ze daarbij een wandelingetje door het park. Daarna volgt opnieuw een halfuur huiswerk maken. Om halfacht is het bedtijd. Drie keer in de week moeten ze naar orthopedisch turnen en ieder twee keer naar piano-, gitaar- of vioolles. Om ledigheid of onnodig nadenken te vermijden dwingt Josefine Dietrich haar dochters in een dagelijkse, streng gereglementeerde monotonie. Ze wil hen wapenen tegen de verleidingen van het leven, waarvoor zij in de persoon van wijlen haar man was bezweken.

Ze werd geboren waar de huizen naar engte en ellende begonnen te ruiken: Leni Riefenstahl is een meisje uit de wijk Wedding, de door de Berlijnse burgers gevreesde ‘arbeiders- en misdadigerskolonie’. Wedding, dat is armoede en moderne architectuur, provocerende nuchterheid gepaard met verpletterende troosteloosheid. In Wedding is de stad afgelopen, de hemel grauw en wijd. ‘Het is de hemel van het Berlijnse noorden, van het noorden van de fabrieken, overdag een rook- en ’s nachts een roodbruine vuurwolk, alleen dat die wolkenzuilen hier geen volk naar het beloofde land begeleiden; wie voorbij die hemeltekens gaat, draait eeuwig op dezelfde plek rond, met duizenden tegelijk vastgeklemd in het raderwerk van de machine, geperst, rondgeslingerd, verscheurd.’ Berlijn trekt nieuwkomers aan uit de oostelijke provincies die hier werk hopen te vinden. Deze nieuwe inwoners zullen Berlijn in een moderne grote stad veranderen. Leni Riefenstahl is een van hen, ze is een Berlijnse van de eerste generatie. Haar moeder, Bertha Ida Scherlach, was in 1880 in West-Pruisen ter wereld gekomen als het achttiende kind van een timmerman. Als oude man was Leni’s grootvader naar Berlijn verhuisd om er zijn geluk te zoeken, maar hij vond geen werk, zijn kinderen moesten voor de kost zorgen. Leni Riefenstahl beweert weliswaar afkomstig te zijn uit een burgerlijk huishouden, maar uit de schaarse feiten die ze over haar kindertijd en jeugd verraadt, valt af te lezen dat dat niet het geval was. Haar moeder naaide bloezen en de rest van de Scherlachs schijnt zich met thuiswerk staande te hebben gehouden. In een van de weinige herinneringen die ze over haar familieleden prijsgeeft, ziet ze de hele familie aan een lange grote tafel zitten en sigarettenhulzen plakken.
Leni’s moeder was een knap, nieuwsgierig meisje dat aan het toneel wilde. Ze droomde ervan door schoonheid en kunst aan de ellende te ontsnappen. Maar de ongeschoolde naaister kon de maatschappelijke promotie slechts door een huwelijk bereiken. Haar toekomstige man leerde ze kennen op een gekostumeerd feest. Alfred Theodor Paul Riefenstahl was loodgieter en kwam uit een Brandenburgse handwerkersfamilie. Zoals in die stand gebruikelijk zocht hij een vrouw die in zijn bedrijf zou kunnen meewerken. In de jonge Scherlach vindt Riefenstahl een eerzuchtige vrouw, die zijn ambities om hogerop te komen met hem deelt. Ze trouwen op 5 april 1902. De trouwfoto is niet in het atelier, maar in de feestzaal gemaakt. Het bruidspaar staat voor een langgerekte tafel, versierd met enkele bloemstukken, op de achtergrond is een soort toneelgordijn te zien. De bruid draagt een hooggesloten witte jurk met een sluier en een sleep, die fel afsteekt bij haar donkere haar. In haar linkerhand houdt ze haar boeket witte rozen vast, rechts heeft ze bij haar bruidegom ingehaakt. Hij was een grote, forse man met blauwe ogen en blond haar. Je ziet dat hij flink kan aanpakken en levenslustig is. Riefenstahl is het type man dat graag zingt, hard om zijn eigen grappen lacht, maar ook heel snel heel boos kan worden. Zijn opvliegendheid, waaronder zijn dochter nog te lijden zal krijgen, is hem aan te zien, maar in zwarte rokjas met witte vlinderdas maakt hij op zijn trouwdag een vertrouwenwekkende en vriendelijke indruk. Hij poseert blootshoofds, de zorgvuldig gestreken hogehoed heeft hij onder zijn linkerarm geklemd. Zijn vrouw staat kaarsrecht, ze ziet er trots en ongenaakbaar uit. Daarbij vergeleken staat hij er bijna scheef bij, in een duidelijke poging haar toegenegen te zijn. De jonggehuwden kijken ernstig en kalm in de camera.
Vijf maanden later, op 22 augustus, wordt hun dochter Helene Amalia Bertha Riefenstahl geboren. De eerste jaren van haar kindertijd woont het gezin in een woning in de Prinz-Eugen-Straße in Wedding, een voor Berlijn eerder korte straat in de buurt van de Leopoldplatz, vlak bij het crematorium. Als Leni drie is, komt haar broer Heinz ter wereld. Daarmee is het gezin compleet. Het echtpaar Riefenstahl wil deel uitmaken van de nieuwe middenklasse. Ze hebben geen achttien kinderen zoals de Scherlachs, ze investeren in de opvoeding en opleiding van maar twee kinderen. Alfred Riefenstahls zaken gaan goed. Hij hoort evenzeer bij hen die willen moderniseren als bij de traditionalisten, toont zich enthousiast voor de vooruitgang op technisch alsook economisch gebied, maar hecht veel waarde aan zijn bijzondere status als ambachtsman, die hem duidelijk van de arbeidersstand onderscheidt. In Wedding heb je allebei: nieuwe industriële productie en nieuwe sociale ellende. De vestigingen van Osram, aeg, Rotaprint, Schering en Schwartzkopff maken van de wijk een van de belangrijkste industriecentra in de stad. Al snel domineren er de huurkazernes waarin de arbeiders wonen. Velen van hen komen in hun hoop op een beter leven bedrogen uit. Ze worden werkloos, beginnen te drinken en raken aan lagerwal. Telkens weer schilderen tijdgenoten hoe van honger of slaap bevende mensen tot diep in de nacht door de straten van het Berlijnse noorden strompelen. Ze weten niet meer waar ze naartoe kunnen en hebben alles verloren. Die arbeidersellende vlak voor zijn deur zal vader Riefenstahl nog hebben gesterkt in zijn streven naar maatschappelijk aanzien.
Op een foto van zijn vijfjarige dochter is een meisje te zien dat uit dicht bij elkaar staande, donkere ogen verschrikt in de camera kijkt. Ze staat voor een boom in het bos. Haar blonde haar wordt aan de linkerkant door een scheef zittende witte strik versierd. In haar ene hand houdt ze een takje, de andere heeft ze half achter haar rug verstopt. Ze heeft een eenvoudig wit jurkje aan, dat aan de hals en bij de polsen met een donkere band is afgezet. De onderrok piept eronderuit; ook de kousjes zijn wit, en waarschijnlijk heeft ze zwarte lakschoenen aan. Het meisje maakt een verkrampte indruk, ze knijpt haar lippen stijf op elkaar. Haar hele uiterlijk heeft iets ongelukkigs over zich. Nog heeft Leni Riefenstahl niet geleerd te behagen. Ze sluit zich op in haar kamer en wil met haar dromen alleen zijn. Al bij haar eerste theaterbezoek als vierjarige had Leni naar eigen zeggen ‘de geheimzinnige wereld achter het gordijn’ ontdekt als een van haar blijvende oorden van verlangen. Van jongs af aan was ze gefascineerd door de kunst, en dat zou ze haar hele leven blijven. Haar vader vindt dat maar niets. Hij wil een flink meisje, dat de handen uit de mouwen steekt en een groot huishouden aankan.
De weg naar de kunst gaat voor Leni Riefenstahl via het lichaam. Als adolescente ontdekt ze haar lichaam als middel om aan de vaderlijke almacht te ontsnappen. Het onzekere meisje traint haar wil, probeert haar moed uit: ambitieus en intensief doet ze aan sport. Het trainen van haar lichaam maakt haar sterk tegenover haar vader. Eerst gaat ze bij een zwemclub, dan wordt ze lid van een turnvereniging. Het een noch het ander is wat je noemt typisch voor een handwerkersdochter uit die tijd. Met het toetreden tot de zwemclub heeft haar vader ingestemd, maar van de turnvereniging is ze zonder zijn medeweten lid geworden. Na een sportongeluk komt alles uit en wordt ze door haar vader streng gestraft. Het zal een vast patroon in haar leven worden: Leni Riefenstahl moet haar vader om de tuin leiden om haar wensen en daarmee zichzelf te verwezenlijken. Het ambitieuze trainen van haar lichaam komt overeen met haar dweperige houding ten opzichte van de natuur. ‘Ik groeide op als een “natuurkind”, onder bomen en struiken, met planten en insecten, behoed en afgeschermd,’ schrijft het meisje uit Wedding over haar gelukkige kinderjaren. Puberaal gedweep met de natuur wordt bij haar een fixatie die tot op hoge leeftijd zal aanhouden. De natuur begrijpt ze als haar eigenlijke psychische binnenruimte, als een spiegel van haar ziel. Op een foto van de negenjarige Leni met haar broer Heinz is ze weer geheel in het wit gekleed. Ze heeft gymschoenen aan en houdt een tennisracket in haar hand. Terwijl haar broertje in matrozenbloes wijsneuzig in de camera kijkt, lijkt zijn oudere zus nog niet helemaal te durven. Haar donkere ogen staan treurig, maar ze straalt een sterke aanwezigheid uit en ook zit de strik nu recht op haar hoofd.

© 2011 Carl Hanser Verlag München
© 2013 Nederlandse vertaling Goverdien Hauth-Grubben
Auteursportret © Katharina Uppenbrink

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum