Leesfragment: Driemaal bij dageraad

27 november 2015 , door Alessandro Baricco

3 juni verschijnt Driemaal bij dageraad, de nieuwe novelle van Alessandro Baricco, in een vertaling van Manon Smits bij uitgeverij De Bezige Bij. Wij publiceren voor: 'Ze ging naar de badkamer om haar gezicht op te frissen, want ze wilde beslist wakker blijven. En toen kwam er een krankzinnig idee in haar op, waardoor ze zich echter wel meteen een stuk beter voelde. Ze bekeek het aandachtig, in haar hoofd, en ze begreep dat het van alle kanten rammelde, maar ook dat ze het wel zag zitten, hoe krankzinnig en precair het ook was.'

Op het eerste gezicht lijken de drie hoofdstukken in Alessandro Baricco's Driemaal bij dageraad drie afzonderlijke verhalen en is het onderlinge verband niet meteen duidelijk, maar ze blijken het resultaat van een geraffineerd gedachte-experiment. De verhalen beginnen alle drie in een hotellobby, alle drie bereiken ze hun toppunt van literaire spanning bij dageraad, en alle drie hebben ze als hoofdpersonen twee voor elkaar onbekende mensen die elkaar toevallig ontmoeten en binnen korte tijd hun diepste wezen aan elkaar blootgeven. Hoe uiteenlopend Baricco’s boeken ook zijn, zijn stijl is uit duizenden herkenbaar. Levensechte, snelle dialogen, afgewisseld met een minimum aan beschrijvingen, geven vorm aan de meeslepende verwikkelingen van de twee hoofdpersonen, waarbij het de lezer langzaam maar zeker steeds duidelijker wordt wie deze mensen zijn en wat ze met elkaar te maken hebben.

 Alessandro Baricco (Turijn, 1958) is een van de meest gevierde hedendaagse Italiaanse auteurs. In 1997 brak hij internationaal door met zijn roman Zijde en sindsdien worden al zijn romans en essays wereldwijd vertaald. Baricco’s werk is met talloze prijzen bekroond. Bij De Bezige Bij verschenen eerder Dit verhaal, City, De barbaren, Emmaüs en Mr Gwyn. Vertaalster Manon Smits schreef eerder op Athenaeum.nl over het vertalen van Baricco. 

Drie

Het jongetje was op het bed gaan liggen zonder zelfs maar zijn schoenen uit te trekken, en hij lag nu al een tijdje te woelen op de dekens, hij dommelde af en toe in, maar viel niet echt in slaap. Op een stoel, in een hoek van de kamer, zat een vrouw naar hem te kijken terwijl ze probeerde het irritante gevoel dat ze het niet goed deden van zich af te schudden. Ze had niet eens haar jas uitgedaan, want in dit deprimerende hotel was de verwarming ook al een ramp. Net als de groezelige vloerbedekking en de ingelijste legpuzzels aan demuren. Alleen die idioten die haar bazen waren konden denken dat het een goed idee was om een jongetje van dertien daarnaartoe te brengen, nawat hij die avond hadmeegemaakt. De idiotie van de politie. En dat alleen omdat ze niet één familielid hadden weten op te sporen naar wie ze hem toe konden brengen. Ze hadden alleen een oom gevonden, maar die was absoluut niet van plan om weg te gaan van de plek waar hij zich bevond, namelijk een bouwplaats in het noorden, een gat van niks. Dus was zij nu ineens gebombardeerd tot kindermeid van dat jongetje, in dit klotehotel, en dan zou er morgenochtend een besluit worden genomen. Maar het jongetje bleef maar woelen, op de dekens, en de vrouw kon echt niet tegen die verwaarlozing, en de treurigheid van alles. Geen enkel jongetje had zo’n klerezooi verdiend. Ze stond op en liep naar het bed. Het is koud, zei ze, ga onder de dekens liggen. Het jongetje schudde zijn hoofd. Hij deed niet eens zijn ogen open. Eerder die avond hadden ze wel wat gepraat, het was haar zelfs gelukt hem aan het lachen te krijgen. Doe maar net of ik je oma ben, had ze gezegd. Zo oud ben je niet, had hij geantwoord. Ik zie er jonger uit, had de vrouw gereageerd, die zesenvijftig was en dat eerlijk gezegd ook goed kon merken. Daarna had ze geprobeerd hem te laten slapen, en nu zat ze hier, ervan overtuigd dat het helemaal fout was.
Ze ging naar de badkamer om haar gezicht op te frissen, want ze wilde beslist wakker blijven. En toen kwam er een krankzinnig idee in haar op, waardoor ze zich echter wel meteen een stuk beter voelde. Ze bekeek het aandachtig, in haar hoofd, en ze begreep dat het van alle kanten rammelde, maar ook dat ze het wel zag zitten, hoe krankzinnig en precair het ook was. Terwijl ze weer op die stoel ging zitten bleef ze er maar aan denken, en aangezien dat jongetje nog steeds lag te woelen, daar op het bed, zei ze op een gegeven moment zachtjes: Stik toch; ze stond op, pakte haar tas en deed het licht in de kamer aan. Het jongetje deed zijn ogen open en draaide zich om. Kom mee, zei de vrouw. Pak je spullen, dan gaan we. Het jongetje zette zijn voeten op de grond en keek om zich heen. Waarnaartoe? vroeg hij. Naar een betere plek, zei de vrouw.
Ze verlieten het hotel en stapten in een oude Honda, die aan de achterkant stond geparkeerd. Er zaten geen politietekens op en hij zag er niet al te best uit. Het was een gammele dienstauto van het politiebureau waar alleen zij in reed. Ze was eraan gehecht. Ze legde de spullen in de achterbak, liet het jongetje instappen en ging achter het stuur zitten. Ga jij maar liggen en probeer wat te slapen, zei ze tegen het jongetje. Toen reed ze langzaam van het parkeerterrein af, terwijl ze goed rondkeek of er geen politieauto’s in de buurt waren. Ze ontspande pas weer een beetje toen ze de weg insloegen die de stad uit voerde. Het jongetje had geen vragen gesteld, en hij leek meer belangstelling te hebben voor de radio die op het dashboard was geïnstalleerd dan voor de bedoeling van deze nachtelijke tocht. Toen ze buiten de stad waren was er echt niets meer te zien achter de raampjes, waar alles bleek te zijn opgeslokt door het donker. Terwijl de vrouw zwijgend achter het stuur zat, nestelde het jongetje zich op zijn stoel en deed zijn ogen dicht. Ga maar slapen, zei de vrouw.
Ze reed dik een uur en probeerde zich op de weg te concentreren, want ze had het nooit prettig gevonden te rijden met de angst om in slaap te vallen. Er was geen verkeer, op dit tijdstip van de nacht was het al heel wat als je een slapeloze vrachtwagen tegenkwam. Maar voor de vrouw was het evengoed lastig, want ze was niet gewend aan dit soort dingen, en al dat donker maakte haar nerveus. Vandaar dat ze blij was toen ze zag dat het jongetje overeind ging zitten en om zich heen keek, terwijl hij zich uitrekte als een willekeurig jongetje, eentje dat niet was overkomen wat hem was overkomen. De vrouw had het idee dat het allemaal al wat beter ging.
Goeiemorgen, meneertje, zei ze.
Waar zijn we?
We zijn er bijna. Wil je een slokje water?
Nee.
Er liggen volgens mij ook nog wel een paar blikjes onder de stoel.
Nee, het is goed zo.
Je weet toch nog wel wie ik ben, hè?
Ja.
Rechercheur Pearson.
Ja.
Jij hoeft je alleen maar te ontspannen, en ik regel de rest. Vertrouw je me?
Waar is mijn jas?
Alles zit in de kofferbak. Ik heb alles meegenomen. Waarom zijn we niet daar gebleven?
Dat was een vreselijk hotel. Het was geen goed idee om daar te blijven.
Ik wil terug naar huis.
Malcolm... je heet toch Malcolm, hè?
Ja.
Ook terug naar huis gaan is geen goed idee, Malcolm, geloof me.
Ik wil mijn huis zien.
Je krijgt het ook te zien. Maar niet vannacht.
Waarom niet?
Het is niet nodig om het daar nu over te hebben.
Waarom niet?
We kunnen het over andere dingen hebben.
Zoals?
Over voetbal, over auto’s. Of je kunt me alle vragen stellen die je maar wilt.
Wie ben jij?
Een rechercheur, dat weet je.
Een vróúw als rechercheur?
Dat is niet verboden, hoor.
Nee, maar... hoe ben je op dat idee gekomen?
O, op die manier... Op een gegeven moment heb ik alles omgegooid en toen kwam ik op het idee. Ik wilde een nieuw begin maken. Ik had een relatie met een politieagent. Er was een examen en daar ben ik voor geslaagd.
Moeilijk?
Stelt niks voor.
Ook schieten?
Ook dat.
En heb je daarna weleens geschoten?
In het begin. Maar ik was daar het type niet voor. Ik hield meer van andere dingen.
Zoals?
Begrijpen. Ik vond het leuk om te begrijpen. En ik vond de misdadigers leuk. De gekken. Ik vond het leuk om ze te begrijpen. Op een gegeven moment ben ik dat gaan bestuderen. Het is het enige wat ik bíjna heb afgemaakt in mijn leven. Daar gebruikten ze mij voor, bij de politie.
Waarvoor?
Als het nodig was om te begrijpen wat er in het hoofd omging van misdadigers, of van gekken. Ik stopte met schieten en een hele tijd hebben ze me gebruikt voor andere dingen, waarvoor je geen pistool nodig had. Ik was het soort agent dat ze het dak op sturen om te praten met iemand die eraf wil springen, weet je wat ik bedoel?
Ja.
Ze haalden mij erbij als er een brief van een maniak moest worden gelezen.
Cool.
Ik was een hele goeie, destijds.
Waarom zeg je steeds ‘ik wás’?
Zeg ik dat?
‘Ik wás’ dit, ‘ik wás’ dat... ben je nu dan geen agent meer?
Ja, dat wel, maar ik heb al lang niks goeds meer gepresteerd.
Wie zegt dat?
Dat zeg ik.
Hoezo?
Wacht even... 3471, rechercheur Pearson... Ja, de jongen is bij mij... Dat weet ik... Dat weet ik heel goed... Het was gewoon geen goed idee... Ik weet wat de opdracht was, maar het was geen goed idee, vind jij het dan een goed idee om een jongetje de hele nacht in zo’n klotehotel te laten zitten na wat hem is overkomen? Is dat nou wat jij een goed idee noemt?... Ja, dat weet ik... Nou, weet je wat jij kunt doen met dat protocol van je?... Ach, dat moet je vooral doen, het zal mij een zorg zijn... Hij is hier bij mij, dat heb ik je toch gezegd... Nee, dat vertel ik niet, maar het is echt de plek voor hem... Schrijf zoveel rapporten als je wilt, dan doe ik dat straks ook... Wat nou ‘kidnapping’, waar heb je het goddomme over, ik breng hem alleen maar... Nee, ik kom niet terug, hou erover op... Doe wat je wilt... Het zal mij een zorg zijn... Zak in de stront, Stoner, over en sluiten.

 

Copyright © 2012 Alessandro Baricco
Copyright Nederlandse vertaling © 2013 Manon Smits

Uitgeverij De Bezige Bij

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum