Leesfragment: Een geslaagd leven

27 november 2015 , door Marian Boyer

10 januari verschijnt de nieuwe roman van Marian Boyer, Een geslaagd leven. 17 januari wordt hij gepresenteerd bij Athenaeum. En vandaag kunt u het eerste hoofdstuk al lezen: 'Haar broer sliep op zijn rug, met zijn armen en benen gespreid en zijn wenkbrauwen opgetrokken, alsof hij van verbazing achterover was gevallen. Na de tik van de auto was het precies andersom. Ana vond hem op zijn buik, met zijn gezicht op de klinkers, zijn benen opgetrokken en de armen geklemd onder zijn borst. Toen ze zijn naam wilde roepen kleefden haar lippen opeen, er kwam geen geluid.'

Ana’s leven verandert ingrijpend wanneer haar tweelingbroer Andor omkomt bij een ongeluk. Ze houdt zich staande in de overtuiging dat Andor haar bijstaat bij het nemen van beslissingen. Als ze ontdekt dat haar vader er een vriendin op na houdt, richt ze haar onmacht en woede op zijn minnares, om zo haar uiteenvallende familie te redden. Dan lijkt Andor haar voor het eerst in de steek te laten.

I

Ana vond het moeilijk te geloven dat haar tweelingbroer was doodgereden door de dronkelap die hem met een sukkelgang tegen de straatstenen had getikt. Het licht was flauw die dag, de zwaluwen schriekten boven hun hoofden, en haar broer bleef liggen. Omdat hij de gewoonte had op de onmogelijkste plaatsen en momenten in slaap te vallen, was de situatie in haar ogen niet veranderd. Niet meteen, niet onomstotelijk. Haar broer was er en hij was er niet. Wat veranderde was dat ze eindelijk de tweeling werden die het meisje altijd al had willen zijn.
Vijftien jaar daarvoor werden Ana en Andor geboren. Hun moeder Winny hield niet op te zeggen hoe grappig ze het vond twee compleet verschillende wezens samen te zien opgroeien. Andor had blond krullend haar, blauwe ogen en een mollig lichaam waar zijn soepele manier van bewegen mooi bij paste. Ana was traag, had steil, bruin haar en donkere ogen. Winny noemde haar zoon ‘van kwikzilver’, en ze keek hoe hij als een poema in bomen klom, vogels achternazat of over het grasveld zigzagde tot hij neerviel en bleef liggen. Slapend.
Na zijn dood lukte het Winny nauwelijks nog belangstelling op te brengen voor haar andere kinderen. De vanzelfsprekendheid verdween, ze trok zich in zichzelf terug, verdoofd, onverschillig. Ze wist niet meer hoe te leven. Niemand wist het.
Behalve Ana.

Het gezin bewoonde een boerderij die was omringd door stallen en mestgeur, en in het oosten lagen de bossen, koel en stil. Op zomeravonden staken de boomtoppen scherp af tegen de hemel, ’s winters waren de luchten bedekt met leistenen platen, en de nacht kroop traag uit de grond.
De tweeling zag de boerderij voor het eerst op de dag dat ze twaalf werd, toen hun ouders ze bij wijze van verrassing meenamen naar de plek waar ze die zomer naartoe zouden verhuizen. Vanuit de auto wees Winny naar een paar bouwsels in de verte, naast een betonnen geheel met puntdaken waarvan de randen als de poten van een logge passer naar de aarde wezen. Ana maakte een kotsgeluid. Winny draaide zich om naar de achterbank, het meisje bleef met vlakke ogen uit het raampje staren, met de blik waar haar moeder een hekel aan had. ‘Als dat het cadeau is’, zei ze, en knikte naar de boerderij.
‘Nou, wat dan?’ zei Winny.
‘Dan mag je het houden.’
Winny haalde naar haar uit, maar Ana ontweek de hand en klapte met haar hoofd tegen het autoraam. Ze gaf geen krimp, begon te giechelen, Andor galmde een kerstmanachtig Ho-ho-ho en rondde af met ‘Vrede op aarde’. Met een ruk zette hun vader Sep de auto aan de kant. Hij zei dat iedereen moest uitstappen en de rust op zich laten inwerken, en dat ze binnen de kortste keren niet anders wilden, dat wist hij zeker.
‘O, zeeeker’, zei Andor.
‘Bovendien hebben ze hier kleine scholen.’
‘Heeele kleine scholen’, zei Ana.
Sep zwaaide het portier open. Mestgeur stroomde als een massief gewicht de auto binnen, verderop jengelde een motorzaag. De tweeling verdomde het om uit te stappen.

Binnen een paar maanden waren ze toch thuis. De kleine Eus ging naar een geschikte school verderop, en een jaar later werd Arni geboren. Eus was verbaasd dat er een kleiner wezen dan hijzelf bestond, en dat groter werd dan de kat. Hij staarde naar wat ze zijn broertje noemden, wreef zijn vingers over de muizen van zijn handen, klapte zijn sloffen tegen elkaar en joelde, tot Winny zei dat het zo wel genoeg was.
Vanuit de keuken kon Ana direct naar de paarden lopen verderop in het veld. De dieren bogen hun nekken en lieten zich aaien, en haar hart liep over wanneer ze hun stevige gladde vachten streelde. Ze sloot haar ogen, voelde het stoten van hun hoofden.
De tweeling wende vrij snel op de middelbare school; binnen twee weken hingen ze, net als hun klasgenoten, rond op het dorpsplein. Op deze school hing een minder lome vijandigheid dan op de scholen in hun stad, al was de afstraffing van buitenbeentjes net zo genadeloos.
Andor verstopte zich achter in de boomgaard, in een ongebruikte schuur, in een afgedankte tractor en de nok van het bijgebouwtje. Er hing een kleine kerkklok, en als hij tegen de klepel duwde hoorde hij een helder, iel geluid. Hier sliep hij, los van zijn ouders, zijn klasgenoten, en los van Ana.

Vanuit het dakraam van hun kamer keken ze uit over het erf, dat langzaamaan gevuld werd met Winny’s planten en bloemen en composthopen, met Seps gereedschap en, naarmate Arni groter werd, met de speelgoedtractoren, ballen, pingpongbats, waterpistolen en andere verlengstukken van hun jongste broertje.
Voor ze het licht uitknipte legde Ana haar boek op de kist waarin Andor en zij belangrijke spullen bewaarden. Vogelschedels, voetbalplaatjes, patroonhulzen, oude knuffelbeesten, dat soort spul. Van de boekjes met vrouwen en mannen met zwepen en maskers zei Andor dat hij ze voor een vriend bewaarde. Ze wisten allebei dat dat niet zo was, en zwegen erover.
In het schemerdonker keek Ana naar haar broer. Hij vond slapen het beste wat een mens kon doen, het was de enige handeling waaruit geen kwaad voortkwam. Mensen deden te veel, en daarom deed hij weinig. Voor Ana’s dichtbundels had hij niet veel belangstelling, verder las hij alles. Boeken en sites over filosofie, geschiedenis, sterrenkunde, teksten van verpakkingen, bijsluiters en gebruiksaanwijzingen. Over de vraag hoe het kon dat een ster al een miljoen jaar dood was en toch zijn licht in het nu uitstraalde, raakte hij niet uitgedacht.
Sep moedigde hem aan een sport te beoefenen, al dat liggen kon niet goed zijn. Omdat voetbal Andor niet interesseerde, hockey hem ergerde, tennis hem saai leek, zwemmen te nat was, korfbal niet eens het overwegen waard en Sep boksen niet zag zitten, kwamen ze uit op rugby. Er was een dorpsteam dat hard en ruig speelde, en binnen een paar weken was hij er een van de betere spelers. Hij ging de stoten in zijn rug niet uit de weg, net als de porren in zijn borst en de vuisten op zijn kop. Bij een bloedneus zette hij zijn vingers op zijn neus, legde zijn hoofd in zijn nek en wachtte tot het over was. Daarna werkte hij zijn tegenstanders omver, rende in een rechte lijn op het doel af en plantte de bal loepzuiver tussen de palen.

Soms herinnerde Ana zich die middag. Na de wedstrijd wachtte ze haar broer op in het clubhuis. De spelers daveren binnen, ze stinken naar zweet en gras en slaan elkaar op de schouders, ze joelen de namen van de tegenstanders die terug moeten naar waar ze vandaan komen, boeren schelden op boeren. Andor is niet bij de groep. Ze loopt naar de kleedkamer en vindt hem slapend op de spelersbank, met zijn gezicht naar de muur. Hij kreunt, misschien droomt hij. Ze schudt aan zijn schouder. ‘Waar was je?’
‘Hier.’ Hij opent zijn ogen.
‘Ik bedoel toen je sliep.’
‘Gaat je niks aan.’
Hij trekt het natte shirt over zijn hoofd. ‘Ik ga douchen.’
Ze zit naast korrels modder op de bank en legt het shirt op haar knieën. Haar broer ruikt de laatste tijd naar kat, ze weet niet of ze het lekker vindt.
Ze fietsen naar huis, en bij de gesloten spoorbomen staan ze stil. Ze zwijgen, de lucht zuigt en raast. Als de trein voorbij is zegt hij: ‘Ik hou ermee op.’
‘Met je rugby?’
‘Met de hele flauwekul, ja.’

Haar broer sliep op zijn rug, met zijn armen en benen gespreid en zijn wenkbrauwen opgetrokken, alsof hij van verbazing achterover was gevallen. Na de tik van de auto was het precies andersom. Ana vond hem op zijn buik, met zijn gezicht op de klinkers, zijn benen opgetrokken en de armen geklemd onder zijn borst. Toen ze zijn naam wilde roepen kleefden haar lippen opeen, er kwam geen geluid. De zwaailichten, haar witte vingers, het groen van de ambulancebroeders, de brancard die omhoogveerde, alles was hel en vloeiend, als in een droom. Haar armen hingen slap langs haar lichaam, haar knieën klapten dubbel en ze zakte op haar hurken, naast de plek waar haar broer had gelegen. Ze las een boodschappenbriefje. 6 eieren – 2 melk vol – wc-rollen – 1 butterscotch. Ernaast een plastic zak die bewoog in de wind. Dat had ze ook weleens in een film gezien. Maar hier klonk geen muziek.
In de weken die volgden vergat ze de proefwerken die ze had geleerd, en bij iedere proef daalden haar cijfers. Ze vergat afspraken en namen van klasgenoten, ze liet haar boeken slingeren, haar sleutelbos en agenda, ze vergat feestjes te noteren waar ze voor was uitgenodigd. Klasgenootjes sloegen soms een arm om haar heen, gaven haar briefjes met xx’jes erop en stuurden berichtjes, maar Ana antwoordde nauwelijks. Na de maanden waarin ze nog vergeven werd omdat er ‘zoiets vreselijks in hun gezin was gebeurd’ lieten de meesten haar links liggen, op een meisje na dat Josine heette. Josine sleepte met een been en rook naar melk.
Dat ze langzaamaan vergeten werd kwam Ana wel uit, de meeste meisjes vond ze toch al aanstellerig, vooral bezig met jongens, met wat ze later gingen studeren, met welke kleren ze moesten aantrekken en welke beter uit. Steeds vaker verdween ze naar de vliering, die ze afsloot met een luik waarop een ijzeren schuif was bevestigd. Ze wreef de scharnieren in met smeerolie en sloot zich op, tot zelfs Josine het opgaf. Ze zag het meisje hompelen over het erf. Blij dat ze van die mankepoot af was.
Langzaamaan verhuisde ze haar spullen van de kamer die ze met Andor had gedeeld naar de vliering. De jongsten kwamen er zo min mogelijk, omdat Andor had gezegd dat het er spookte. Onder het dakraam bouwde ze haar hoek van spiraalbedden, kisten en matrassen. Ze bladerde er door familiealbums en dozen met foto’s, en ze bekeek zichzelf naast Andor, met hun oma Martha en hun tantes en ooms die om de zoveel bladzijden dezelfde feesthoedjes droegen. De foto’s waarop Andor alleen stond, prikte ze boven haar hoofd tegen een balk; liggend op haar rug sloeg ze zijn houdingen in zich op. Intussen at ze snoep dat ze uit de keukenkastjes en de keldervoorraad had gepakt. Ze kreeg een vriend in de vorm van een muis, die bijna alles lustte. De pindakaas en chocoladepasta lepelde ze met haar vingers uit de pot, de muis kreeg kleine likjes vanaf haar tong. Ze las het diertje gedichten voor, en rookte de sigaretten die ze uit het supermarktje had gejat. Soms had ze een dun sigaartje. Dan maakte ze bij het roken kleine handgebaren terwijl ze met Andor sprak over sterrenkunde, of over muziek en boeken en gebruiksaanwijzingen. De klank van haar stem paste goed in haar hol. Beter dan erbuiten.

Na een paar weken veranderde er iets. Ze lag op haar rug, met haar benen gekruist en haar bovenlichaam gekromd. Ze keek naar de foto waarop ze met haar broer in een kinderbadje zat en hem omhelsde. Ze keek naar haar rechterhand, die de foto vasthield. De hand leek op een werktuig of een dier. Ze keek naar haar linkerhand, die ook op een werktuig leek of een dier. Het linkerwerktuig hield de foto vast, het rechter pakte de schaar die naast haar lag. Ze knipte de foto door, draaide de gezichten naar elkaar toe en plakte ze aan elkaar vast. Op de achterkant schreef ze een A, en op de andere achterkant eenzelfde A. In het midden tekende ze een hart met bloed eruit en een bliksembreukje erdoorheen. Ze liet de foto los buiten het raam, waar de wind hem meevoerde, weg van het huis.
Bij de foto waarop ze elkaars kleren droegen twijfelde ze. Het meisje keek naar Andor in haar kleren, en naar zichzelf in de zijne. Ze legde de foto apart. De rest bekeek ze vluchtig en knipte ze toen door, met een knikje van haar pols liet ze ze los. Ze voelde hoe haar linkerwerktuig de foto zocht die nog heel was, opnieuw greep haar rechter de schaar. Toen sperde ze haar ogen open.
Bij de deur stond haar broer, hij droeg haar kleren. Hij kwam naar haar toe. Hij pakte haar hand en trok haar omhoog, sloot zijn hand om de schaar en draaide haar hand op haar rug. Met de punt van de schaar trok hij een spoor in haar ruggengraat. Ze voelde hoe een druppel naar de bovenkant van haar billen vloeide, en ze hoorde het scharnieren van metaal. Ze voelde nog meer druppels. Toen sloot hij haar hand om de schaar, stapte achteruit en liep terug de schaduw in.
Ze gooide de schaar achter hem aan, het ding suisde door hem heen, ketste tegen de wand, kantelde rechtstandig naar de vloer en bleef daar rechtop staan. Ze riep zijn naam, maar hij antwoordde niet, en toen riep ze ‘klojo’. Haar broer bleef zwijgen.
Ze voelde aan de druppels op haar rug, ze waren opgedroogd tot veerkrachtige bolletjes. Met haar andere hand woelde ze in haar haar, en ze boog naar de doos waar haar muis woonde. Ze legde haar wang tegen zijn vachtje, snoof zijn geur op, zoetig en scherp. Ze pakte het diertje, en liet hem los onder haar trui. Het kriebelde, ze giechelde.
’s Nachts begon de regen. Het regende twee hele dagen, tot het water vanaf de verstopte dakgoot over het kelderraam stroomde. Op de derde dag kwam Sep de kelder uit. Hij vloekte en vroeg of iemand iets van die dakgoot wist. Ana hing op één been, keek langs hem heen over het natte land. Ze wist hoeveel werk het was geweest om die kelder aan te leggen en droog te krijgen. Ze wist ook hoelang het nog zou duren voor het gereedschap en de voorraden weer veilig waren voor het vocht. Ze zweeg.

In haar schuilplaats sprak ze met haar broer over de dingen van de dag. Ze vroeg hem voor te lezen over de sterrenhemel, en ze liet hem haar vriend zien die haar broer ‘wel aardig’ vond, maar ook vond stinken. Hij zei dat ze moest zorgen voor genoeg voer, voor vers water en stro en wol, en dat ze zelf eens wat anders moest nemen dan al dat snoep, en dat de muis waarschijnlijk dood zou gaan aan chocola, net als honden. En dat van die verstopte dakgoot vond hij een stommiteit, dat moest ze niet nog eens doen, ze moest niet net zo stom worden als de rest.
Ze knikte, met de muis tegen haar slaap.
Hij droeg haar op de foto te bewaren waarop ze elkaars kleren droegen, en dat ze zich die goed moest inprenten. Het klonk alsof een hete naald in plastic werd gestoken, en ze vergat het niet. Ze stopte de foto in haar zak en droeg hem op haar borst, op haar hart.
Hij vond dat zijn broek haar goed paste, en haar rok stond hem perfect. Perfect, zei ze. Op hun zolder groeiden ze samen door.

 

© Marian Boyer, 2013
© auteursportret Patricia Börger

Uitgeverij De Geus

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum