Leesfragment: Een meisje van buiten

27 november 2015 , door Edna O'Brien

30 mei verschijnt Een meisje van buiten, de memoires van Edna O'Brien. Wij publiceren voor: 'Door het boek te schrijven had ik de grond onder zijn voeten weggeslagen, leek het wel. Zijn gevoel voor eigenwaarde was door mij ondermijnd, dus ik gaf hem eigenlijk geen ongelijk. In de zes jaar van ons samenzijn, waarin ik zo braaf de dwaze literaire Bessie Turf had belichaamd, was er iets in mij veranderd, daar had hij een belangrijke rol bij gespeeld, en nu was ik klaar om uit te vliegen.'

Edna O’Brien groeide op in Ierland in de jaren dertig, maar werd uit haar thuisland verdreven na de publicatie van haar geruchtmakende debuut De buitenmeisjes in 1960. Daarna schreef ze nog vele boeken, die tot het beste uit de moderne literatuur behoren. In Het meisje van buiten beschrijft ze haar eigen leven, een literair bestaan vol dramatiek en contemplatie. Het proza van Het meisje van buiten knettert en sprankelt en toont een auteur op de toppen van haar kunnen. Edna O’Brien geeft haar leven vorm met de creativiteit van een dichter.

‘Alleen Colette is haar gelijke in de studie van de moeilijkheden waarmee een onafhankelijke vrouw geconfronteerd wordt. Als schrijver staat Edna O’Brien op eenzame hoogte.’ – Philip Roth

Het poppenhuis

In Londen voelde ik me weer vrij en gedreven om te schrijven. In november 1958 verhuisden we erheen. Ik had nu twee kinderen, Carlo en Sasha, die net als de geliefde schapendoezen van hun grootmoeder eindeloos met elkaar vochten, maar altijd één blok vormden tegen de onbegrijpelijke grotemensenwereld.
Nadat ik de kinderen naar school had gebracht, snelde ik naar huis en ging aan de brede, diepe vensterbank in hun slaapkamer zitten schrijven in speciaal uit Ierland meegebrachte blocnootjes van het merk Aisling, wat ‘droom’ of ‘visioen’ betekent. Op een keer kroop er een insect, een mug, uit het middenbandje en ik schoot in paniek overeind, zo sterk deed het me denken aan Drewsboro en omgeving. Overspoeld door herinneringen, en iets wat nog indringender was dan herinneringen, vergat ik dat ik in een halfvrijstaand huis in Londen was, met een achtertuintje dat uitkeek op een ander achtertuintje en identieke rijtjeshuizen met rode pannendaken. Een sombere buitenwijk.
De woorden tuimelden naar buiten, zoals de haver bij het dorsen door de korf omlaag tuimelt, de harde korrels in zakken worden opgevangen en het rondvliegende kaf in de ogen van de mannen komt, die moeten schreeuwen om boven het lawaai van de machine uit te komen.
In de eerste maand in Londen zat ik bij een universitaire lezing van Arthur Mizener over Hemingway. Toen hij de eerste alinea voorlas uit A Farewell to Arms, soldaten die over een weg lopen en met hun laarzen het stof doen opwervelen, en bladeren die al vroeg zijn gevallen, doorzag ik in een flits hoe Hemingway het kaf van het koren scheidde.

 

Ik heb veel gehuild tijdens het schrijven van The Country Girls, maar dat had ik nauwelijks door. Het was trouwens heerlijk om te huilen. Er werden gevoelens aangeroerd waarvan ik niet wist dat ik ze had. Ik kreeg een glashelder beeld voor ogen van een vroegere wereld, velden en dalen waar eeuwenoude muziek zou sluimeren. Ik gebood mezelf om ’s nachts van Drewsboro te dromen, om mijn geheugen op te frissen. De ene keer waren het pasgeboren kalfjes die elkaar verdrongen bij de emmer afgeroomde melk, de andere keer waren het gansjes met veertjes zo zacht als bloemblaadjes, en één herinnering die me altijd is bijgebleven is dat ik mijn vaders schenkelvlees met een tang vastpak en op het punt sta het in het vuur te deponeren in de kleine haard boven, waar nooit een vuur brandde. Moeder, vader, veld en fort, noodhekken, platgeslagen koren en rijzend brood. Binnen en buiten. De heggen in mei, een feest van roze en wit, meidoornbloesem als dwarrelende confetti.
Opnieuw zag ik een hond de nageboorte van een kalf oplikken, en ik zag het donkere fort waar lady Drew in nachtgewaad werd gezien en waar op een zomerse zondag een meisje met pijpenkrullen me naar binnen lokte voor een ‘operatie’. Het was er pikdonker en in de beschutting van lage takken deden we ons onderbroekje uit en daarna trokken we wilde irissen uit het moeras waar ze groeiden en stopten de natte modderige wortels bij elkaar naar binnen, smekend om genade. Onze kreten vloeiden samen, gesmoord door zwermen gonzende bijen en hommels, en we zwoeren eeuwige geheimhouding. Toen we later in het zonlicht stonden, hadden haar ogen een vreemde zwarte glans, haar pupillen gele spleetjes in het licht, en ze zei dat ze het ‘ging zeggen’ tenzij ik haar mijn mooiste bezit gaf, een zakdoekje van crêpe georgette met een roze poederdonsje erop gestikt. En dat heb ik gedaan.
De eerste alinea van mijn roman ging over de angst voor de vader – ‘Ik werd vlug wakker en zat meteen rechtop in bed. Alleen als ik me ergens zorgen over maak word ik zo gemakkelijk wakker en even wist ik niet waarom mijn hart sneller klopte dan normaal. Toen herinnerde ik het me weer. Dezelfde reden als altijd. Hij was niet thuisgekomen.’
Maar mijn moeder kwam in mijn eerste boek prominent in beeld, van haar was het boek doortrokken. Tijdens het schrijven voelde ik al dat ze het zou afkeuren, omdat ze argwaan koesterde tegen het geschreven woord. ‘Papier weigert geen inkt’, was een van haar meest sarcastische uitspraken. Ik zag voor me hoe ze geroosterde haverkorrels met een vijzel plette en ik haar een versje voorlas dat ik van een kalender had overgeschreven:

Hangt ijs in pegels aan de muur
En blaast de herder in zijn hand
Sjouwt Tom de blokken aan voor ’t vuur…

Ze keek me aan, met een verhit gezicht van de damp, en zei: ‘Als je dat schrijven noemt, is dat snel verdiend.’
Twintig jaar later stroomden de woorden uit me, maar omdat mijn pen niet snel genoeg over het papier bewoog, was ik soms bang dat ze me voorgoed zouden ontglippen.
Ik had vijftig pond gekregen om een roman te schrijven. Het voorschot werd betaald door Knopf in New York en Hutchinson in Londen gezamenlijk. In een roes door zoveel rijkdom smeet ik met geld, een trui voor mijn man, een naaimachine voor de huishoudster (naaien was niet mijn sterkste punt), en voor de jongens plastic pistooltjes en blikken trommels, waar hun vader bezwaar tegen maakte. Voor mezelf een flesje parfum met een oranje rubber stopje in de hals. Het rook haast religieus. Soms depte ik ’s avonds een beetje achter mijn oren om mezelf op te vrolijken, en als Carlo en Sasha dat zagen, betrok hun gezicht omdat ze dachten dat ik uitging. Maar we konden nergens heen en we hadden daar geen vrienden. Soms liep ik als ze in bed lagen helemaal naarMorden, en dan las ik de handgeschreven annonces op de ruit van de sigarenwinkel – ‘Gevonden: zwarte kat’, ‘Pianostemmer gezocht’, ‘Stoelen matten’. Daar kreeg ik het idee voor mijn eerste televisiedrama, ‘The Wedding Dress’. Op het kaartje stond: ‘Weduwnaar wil kleren kwijt van pas overleden vrouw, zo goed als nieuw, ’s avonds bellen.’Vijftig jaar later werd het stuk opgevoerd onder de titel Haunted, over meneer en mevrouw Berry, die in het afgelegen Blackheath in een huwelijkse hel leven.
Ik had mijn man bedrogen, zij het niet daadwerkelijk. Hij hoorde mijn toekomstige uitgever, Iain Hamilton en mij een keer tijdens een telefoongesprek niet mis te verstane lieve woordjes uitwisselen. Iain, mijn opdrachtgever, was dol op me en geloofde in mij als schrijver. Maar ik was niet verliefd op hem. Eerlijk gezegd wilde ik gered worden – een onredelijke eis aan een man die vrouw en kinderen had en een uitgeverij moest runnen. We maakten een lunchafspraak ‘in de grote stad’, zoals ik het centrum van Londen noemde. Eerst ging ik in Wimbledon naar de kapper, een ongelukkig besluit, omdat de kapper met alle geweld rollers wilde inzetten, zodat het resultaat een kroezig, ouderwets permanentje was. Maar goed, het was mijn eerste uitstapje sinds we drie maanden geleden aankwamen op Waterloo Station, zo grauw en goor in mijn ogen, met de lomp schommelende duiven, niet zo sierlijk als de vogels bij ons. Het was november en toen we in een taxi van Waterloo naar South West London reden en ik de kransen met papieren klaprozen bij de monumenten zag, vond ik Engeland erg treurig.

[...]

De lunch vond plaats in El Vino’s in Fleet Street, voor mij het toppunt van literaire distinctie. Het was er tjokvol en we gingen aan een tafeltje bij het raam zitten. Hij bestelde een fles rode wijn en een steak-and-kidney pie. Ik was doodsbang dat we betrapt zouden worden. Mijn nieuwe kapsel stond hem niet aan, en af en toe streek hij er met zijn hand over om het platter te maken, en mij er zo weer van te overtuigen hoe aantrekkelijk hij me vond. Ik moest hem wel vertellen dat mijn man met ons gesprek had meegeluisterd via het tweede toestel in zijn slaapkamer, iets wat ik me eerst niet had gerealiseerd. Ik was er alleen maar achter gekomen door een notitie in zijn dagboek, dat hij in een geel kluisje bewaarde dat altijd op slot was. In de holte onder de bovenste plank van zijn boekenkast vond ik de sleutel en las de vele notities, die mettertijd haatdragend werden: hij had me van achter een toonbank weggeplukt en me binnengehaald in een wereld van literatuur en verfijning, en had me tegen beter weten in naar Londen laten verhuizen. Niet gehinderd door enig intellect of kennis, deed ik mezelf al voor als schrijver. Ik vertelde mijn uitgever alleen over de passages die hem direct aangingen, zoals die waarin mijn man beweert dat hij die flauwekul van mij alleen maar publiceert omdat hij gek op me is. Met een geagiteerde blik in zijn ogen schonk hij ons nog eens bij, toen pakte hij ernstig mijn hand in het besef dat het te riskant was om nog bevriend te blijven. Ik zou het boek afmaken, dat was het enige wat ons bond, en ik dacht aan de porseleinen borden met de afbeelding van twee uitgestrekte handen, die voorgoed door het lot gescheiden waren.
Elke dag om kwart voor twee, wanneer het tijd was om mijn man zijn ontbijt met earl grey en twee sneetjes donker geroosterd brood, besprenkeld met olijfolie te brengen, legde ik het schrijfblok opzij in de hoop dat het hoofdstuk voor de volgende dag veilig in mij zat opgesloten. Als de kinderen thuis waren, bakte ik brood en cake, want ik wist dat de lekkere geur de sfeer ten goede kwam, maar ik wist ook dat ik niet mijn hele leven zou kunnen doorbrengen in dat huis in tudorstijl met uitzicht op een in mist gehulde meent.
Er waren geen ruzies, geen scènes; de wrijving bleef altijd net onder de oppervlakte. Als de kinderen dat tijdens het eten merkten, gingen ze raar doen, proesten of sterke verhalen vertellen van school, een vechtpartij die in een bloedbad was geëindigd, kleine jongens die door de oudere jongens werden ‘gemolken’, en dat een meisje, die Janice Budding heette, in de bosjes was gelokt. Hun vader las meestal voor uit TheNew Scientist waarop hij geabonneerd was. Omdat hij zich steeds drukker maakte over de vervuiling van het milieu en de gifstoffen in ons eten, hield hij streng toezicht op wat we aten. Een van zijn lievelingsboeken was The Culture of the Abdomen door een meneer Hornibrook, waar hij lukraak passages uit voorlas.

[...]

Mijn boek was in drie weken af. Het had zichzelf geschreven, ik was slechts de boodschapper. Ik schreef het netjes over en stuurde het naar een invalide vrouw in Hastings-by-the-Sea, die het voor me uittypte. Haar naam had ik uit de kleine advertenties in The New Statesman. Toen ik het getypte manus - cript van haar terugkreeg, schreef ze dat het herinneringen had opgeroepen aan haar eigen leven in Noord-Engeland in een ver verleden. Mocht ik ooit in Hastings zijn, dan was ik van harte welkom.
Mijn uitgever was zeer tevreden; zijn intuïtie had hem niet in de steek gelaten en zijn redacteur, de schrijver Clifford Hanley, schreef een gloedvol leesrapport, waar hij een persoonlijke brief voor mij bijvoegde, met een citaat van Robert Burns.
Ik legde een kopie van het manuscript op het tafeltje in de hal voor het geval mijn man het wilde lezen, en op een ochtend stond hij tot mijn verrassing heel vroeg in de keukendeur, het manuscript in zijn hand. Hij had het gelezen. Ja, hij moest toegeven dat ik het ondanks alles voor elkaar had gekregen, en toen zei hij iets wat de doodklap betekende voor ons toch al zieltogende huwelijk: ‘Je kan schrijven, en dat vergeef ik je nooit.’
Door het boek te schrijven had ik de grond onder zijn voeten weggeslagen, leek het wel. Zijn gevoel voor eigenwaarde was door mij ondermijnd, dus ik gaf hem eigenlijk geen ongelijk. In de zes jaar van ons samenzijn, waarin ik zo braaf de dwaze literaire Bessie Turf had belichaamd, was er iets in mij veranderd, daar had hij een belangrijke rol bij gespeeld, en nu was ik klaar om uit te vliegen.
Toch gingen we met elkaar verder. Ik moest hem een machtiging geven voor de cheque van de uitgever en die aan hem overhandigen. Ik kreeg elke week wat huishoudgeld. Ter compensatie kreeg ik een schuurtje in de tuin, waar ik kon schrijven. Het was een houten keet, met een tafel, een stoel en een oliekacheltje. Wanneer de kinderen op zaterdag in de tuin speelden, trokken ze gekke bekken door het raam, of schoven briefjes onder de deur door: ‘We missen je, we zijn ziek, we willen weten hoe je gin maakt.’ Twee vroegrijpe, bange jongens, die maar al te goed wisten dat de bom elk moment kon barsten.
Voor buitenstaanders was het misschien vreemd dat ik zo weinig actie ondernam, maar voor mij was het dat niet. Ik was verlamd van angst en wilde slechts dat wij, mijn kinderen en ik, het zouden overleven.

 

Copyright © 2012 Edna O’Brien
Auteursportret  © Dorothy Cross
Copyright Nederlandse vertaling © 2013 Molly van Gelder
Oorspronkelijke titel Country Girl

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum