Leesfragment: Een tropische herinnering

27 november 2015 , door Eric Schneider

Op 15 augustus debuteert acteur en regisseur Eric Schneider op 79-jarige leeftijd met de roman Een tropische herinnering. Wij publiceren voor uit het derde hoofdstuk: "Voor wat voor feest eigenlijk? Hiroshima? Nagasaki? Vrede? Bevrijding? We hebben niets overleefd. We zitten er nog middenin. We zijn helemaal niet vrij. Iedere dag stikken we meer en meer in onze herinneringen. Ieder voor zich. Niet samen. Niet elkaar troostend."
N.B. Vanaf september speelt Eric Schneider samen met zijn zoon Beau in de voorstelling Levenslang theater.

Elke vijf jaar komen de diplomaat Ferdy Aronius, zijn moeder en haar ex-minnaar bij elkaar om de bombardementen op Hiroshima en Nagasaki te ‘vieren’. De verwoestende bommen maakten een einde aan de jappenkampen in Nederlands-Indië, en betekenden tegelijkertijd het einde van een koloniaal tijdperk. In Hotel Hoogduin wordt het drietal tijdens het diner bediend door Boelie Kamidjojo. De oude Mees Stork worstelt met de herinneringen die ‘de beige man’ in hem oproept en blijft hem bevelen toeschreeuwen, die de zwijgzame Boelie schijnbaar onaangedaan opvolgt.

Naarmate de avond vordert, neemt de eerlijkheid van het gezelschap toe. Voor het eerst komt de schokkende waarheid over het gewelddadige verleden van Nederlands-Indië op tafel en praat Ferdy over zijn jong overleden broer. In Een tropische herinnering worden gebeurtenissen opgehaald die het heden nog steeds blijken te bepalen.

3

Met grote stappen is Ferdy de trap op gelopen. In de gang boven vindt hij de kamer waar zijn ouders meestal logeerden en hij klopt zachtjes. Als er niet gereageerd wordt opent hij stil de deur. Alice ligt op het grote bed. Haar voorhoofd en ogen gaan schuil onder een natte doek. Ze heeft zich nog niet omgekleed: haar avondjurk hangt op een knaapje aan het Chinese kamerscherm dat Ferdy als kind altijd zo bewonderde: de staalblauwe reigers met zilveren vissen in hun snavels.
‘Ferdy?’ haar stem klinkt als van iemand die sterft.
‘Ja, zo kan ik je niet omhelzen, mam. Of zal ik even bij je komen liggen?’
Ze licht afwijzend een hand op: ‘Ik ben m’n aspirines vergeten, dus ik moet het maar proberen zo op te lossen.’ Ze verschikt de doek.
‘Migraine?’ vraagt hij meelevend.
‘Nog niet, maar het kan erop uitdraaien.’
‘Ieder behoorlijk hotel heeft aspirines in huis, hoor.’ Hij gaat bij haar op de rand van het bed zitten.
‘O, maar dit is geen behoorlijk hotel meer. Aftands, net zoals z’n voormalige eigenaar. Ik word gek van Mees. Van z’n halve waarheden en z’n scabreuze grap40 jes. De laatste keer dat we hier waren hield hij zich tenminste nog een beetje in, omdat Aronius nog leefde, weliswaar goed ziek maar nog glashelder, dus bleef Mees meestal correct, maar nu! Nu zegt hij gewoon waar personeel bij is dat ik zijn grootste liefde ben! Die Kamidjojo is tenminste beschaafd, reageert überhaupt niet, zwijgt op z’n Javaans...’
‘Is dat dan niet zo, mam?’ onderbreekt hij haar. ‘Je bent toch z’n grootste liefde?’
Met twee handen tilt ze de doek op en kijkt hem aan. ‘Dag Ferdy, ben je er allang? Blij toe. Ik zag me al een heel weekend opgescheept zitten met die zeurpiet. God, wat is die oud geworden! Door de telefoon zie je dat natuurlijk niet zo. Waarom bel jij nooit, Ferdy?’
‘Ik bel je regelmatig, maar dan ben je in gesprek.’
‘Nou, dat bedoel ik nou! Ik word gek van z’n eeuwige telefonades!’
‘Een verliefde man belt, mam,’ zegt hij nu dichter bij haar, waarna hij haar wang kust.
‘Ja, ja, ’t is wel goed zo.’ Ze neemt de doek van haar gezicht. ‘Laten we maar opstaan.’
‘Helpen?’ stelt hij beleefd voor.
‘Zeg kom, ik ben Mees niet. Die laat zich door die Kamidjojo in en uit bad helpen!’
‘Zou ik niet echt bezwaar tegen hebben,’ grinnikt hij. Als ze eemaal moeizaam omhoog is gekomen en op de bedrand zit, zegt ze: ‘Goed dat je vader daarvan verlost is, van die dubbelzinnige opmerkingen van jou. Ja, hij haatte dat van je.’
‘Niet alleen daarvan. Ik bezorgde hem geen kleinkinderen, zoals Dieudonné dat ontegenzeggelijk gedaan zou hebben. Hoewel, vanwaar die zekerheid?’
‘Jullie waren totaal verschillend, in alles, van baby af aan,’ zegt ze terwijl ze opstaat. Ze loopt voorzichtig naar het raam. Ferdy gaat languit op haar plaats liggen.
‘Regen, regen, regen,’ hoort hij haar mompelen.
‘Wat had je dan verwacht in deze moesson, mam?’
‘Daar heeft het inderdaad veel van weg,’ beaamt ze en brengt haar gezicht dichter bij de ruit. ‘Zie ik dat nou goed?’ vraagt ze zich verbaasd af.
‘Wat? Dieudonné en mij samen in ons nakie onder de overlopende dakgoot? “Van je ras ras ras, rijdt de koning door de plas,” zongen jij en Aronius dan, jullie klapten erbij in jullie handen, samen met de bedienden, op de achtergalerij, in Batavia.’
‘Ik zie een zwembad!’ roept ze uit.
‘In Batavia hadden we geen zwembad in de tuin, mam.’
‘Ik wil die herinneringen niet meer, Ferdy. Niet van jou, niet van Mees, van niemand niet.’ Ze loopt naar de badkamer.
‘Maar we zijn zelf herinnering geworden, mam. Jij, Mees en ik, want we zijn niet meer wie we waren. Toen ik jullie daarstraks zag zitten in de serre leken jullie wel doorschijnend, als spoken. Misschien ben ik ook wel een spook geworden.’
‘Hou op met die onzin!’ zegt ze ineens luid, zich vastklampend aan de badkamerdeur.
Hij vliegt van het bed af, pakt haar bij haar magere schouders. ‘Goed, goed, goed, laten we dan alles vergeten, en opnieuw beginnen. Mag ik me even voorstellen, ik ben je zoon. Hou van mij!’
‘Laat me los. Je doet me pijn.’
‘Hou een keer écht van me, mam,’ dringt hij aan. Haar groene ogen zoeken de zijne. Zo staan ze een moment. Z’n greep verslapt.
‘Zou ik me misschien mogen verkleden?’
Hij laat haar los. Ze knipt het licht in de badkamer aan. Hij blijft in de open deur staan. ‘Accepteer toch eens één keer mijn troost, mam. Ja, ik heb je zo vaak willen troosten. Eigenlijk al vijfenveertig jaar. Om je rimpels, om je grijze haar, om je borsten die langzaam verdwenen, je middel dat groeide. Ach nee, onzin. Allemaal onzin! Toch wilde ik je voor alles troosten om je ogen, die blik in je ogen die er ineens was, direct na Dieudonnés dood. Het licht is uit je ogen, ze lijken dood.’
Alice probeert even te glimlachen. ‘Wees zo lief en geef me even m’n feestjurk aan, wil je?’
Hij doet het. ‘Voor wat voor feest eigenlijk? Hiroshima? Nagasaki? Vrede? Bevrijding? We hebben niets overleefd. We zitten er nog middenin. We zijn helemaal niet vrij. Iedere dag stikken we meer en meer in onze herinneringen. Ieder voor zich. Niet samen. Niet elkaar troostend.’
‘Ik kleed me nu even om, ja,’ zegt ze. Hij blijft staan. ‘Je kunt daar natuurlijk blijven staan om de aftakeling waar je het daarnet over had van dichtbij te zien...’
Daar schrikt hij van en hij stottert: ‘N... nee, na... na... natuurlijk niet, so... sorry.’
Als hij de deur wil sluiten houdt ze die een moment tegen en raakt z’n gezicht aan. ‘Dat heb ik je lang niet horen doen,’ zegt ze dan.
En ze zegt het best lief, vindt hij. Ze sluit de deur niet helemaal. Hij loopt terug de kamer in en grijpt naar zijn Egypte. ‘Met vrouwen in badkamers heb ik weinig, zul je begrijpen.’ Hij inhaleert diep. Naast de badkamerdeur leunt hij met een schouder tegen de muur. ‘Ik heb er eens een meegenomen naar een motel, waar ik een kamer had gehuurd. Op van de zenuwen lag ik bloot in bed op haar te wachten terwijl zij eindeloos bezig was in de badkamer. Ik... eh... ik probeerde mezelf wat op te winden... enne... ik besefte nauwelijks dat dat nou niet bepaald de bedoeling was. Ik kwam klaar vóór ze de badkamer uit kwam. Ik kleedde me dondersnel weer aan en rende het motel uit. Na eerst de rekening te hebben betaald. Uiteraard! Ik was net ambassadeur, Hare Majesteits eerste vertegenwoordiger in een vreemd land. Denk eens in!’
‘En haar? Ook betaald?’ vraagt ze staand in de deuropening, terwijl ze een oorbel in een oor haakt.
‘Die vrouwen wensen dat altijd van tevoren te krijgen,’ antwoordt hij alsof hij dat gewend is.
‘Ze kennen de heren der schepping blijkbaar. Of doen die het voor een paar gouden manchetknopen?’ Ze doet de andere oorbel in. Hij loopt bij haar vandaan om een asbak te zoeken. ‘Goddank maak je die stinksigaret uit.’ Ze trekt zich weer terug.
Na een tijdje durft hij revanche te nemen: ‘Wie gaf jou ooit die oorbellen? Aronius? Vast niet.’ In de stilte die volgt dooft hij z’n Egypte. Zij doet het licht in de badkamer uit en verschijnt in de deuropening.
De schemer verwart hem en schuift beelden over elkaar. Zo kon ze ook in de deur van hun kinderkamer staan om Dieudonné en hem welterusten te zeggen, waarop de nachtkus volgde in een wolk van parfum. Wanneer ze de kamer uit liep, ruiste haar avondjurk en glansden pailletten in het licht van de galerij. ‘Pappa werkt aan z’n preek voor morgen,’ herinnert hij zich haar woorden. ‘Min slaapt voor jullie deur op z’n matje. Tot morgen, mijn droomkoninkjes!’, en weg was ze. Dan hoorden ze meestal een auto stoppen voor het huis en het slaan van portieren. Daarna kwam Min binnen met voor ieder een plakje spekkoek. Dan grijnsde hij breed en z’n tanden glansden precies zo als de pailletten van hun moeders jurk.
Buiten waren er altijd geluiden van dieren die je nooit zag, die hem bang maakten. Dieudonné zei dan meestal: ‘Nou, kom dan maar hier. Als je maar niet in bed plast.’ Midden in de nacht verhuisde Min hem weer naar z’n eigen bed, meestal tegelijk met de thuiskomst van hun moeder, die neuriënd over de achtergalerij liep.
‘Zou je me even willen helpen met dat knoopje in m’n nek? Dat lukt me niet meer,’ hoort hij z’n moeder van ver weg zeggen.
Terwijl hij haar helpt vraagt hij: ‘Ging Aronius nooit mee naar die avondjes op de soos, of in Storks hotel?’
‘Hoe kom je daar ineens bij?’ Net op tijd zit het knoopje op z’n plaats, want ze draait zich om. ‘Alleen als de resident kwam, dan moest hij wel. Acte de présence, als zielenherder. Je vader haatte dansen. “God danst ook niet,” zei hij altijd.’ Ze begint naar iets te zoeken.
‘En jij mocht wel?’ houdt hij vol.
‘Met chaperonnes, ja, de ouderlingen uit z’n gemeente, en hun dames.’
‘En Mees Stork,’ vult hij aan.
‘Heb je die verdomde stok van me gezien?’ Ze loopt rond. Hij zoekt mee. ‘Mees had Jeanne of Charlotte, Bea of Thea.’
‘’t Klinkt bijna als een aftelrijmpje,’ grinnikt hij. Bij de deur naar de gang ziet hij de stok staan.
‘Dat was het ook. Dank je. Ik heb dat ding niet echt nodig, hoor. ’t Geeft me alleen een veilig gevoel. Vallen betekent meestal het einde. Kunnen we? Nee wacht, m’n sjaal. Beneden is het om te vertinnen. Heb jij dit slechte weer besteld? Je bent net zo somber. Daar gaatie dan: Hiroshima, here we come.’
Hij opent de deur en laat haar voorgaan.

© 2013 Eric Schneider en Uitgeverij Cossee bv
© auteursportret Hugo van der Molen

Utgeverij Cossee

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum