Leesfragment: Elvis ligt op Zorgvlied

27 november 2015 , door Jan Donkers

Deze week verschijnt de nieuwe verhalenbundel Elvis ligt op Zorgvlied van Jan Donkers. Bij ons kunt u alvast het titelverhaal lezen: '"Waarom heb je in vredesnaam dat slabestek meegenomen? Was je daar nou echt zo aan gehecht?" Ze kijkt verschrikt op, wil haar hand voor haar mond slaan, is werkelijk onthutst, zo te zien, dat zoiets triviaals als eerste bij hem opkomt. Het is bijna zes jaar geleden dat ze hem verliet.'

Jan Donkers, autoriteit op het gebied van Amerikaanse literatuur en popmuziek en VPRO-radioprogrammamaker, is een groot liefhebber van het korte verhaal. In zijn gloednieuwe bundel Elvis ligt op Zorgvlied spelen Amerika en muziek nauwelijks een rol. Licht en met veel humor laat Donkers serieuze thema’s als verlangen, afscheid en verlies de revue passeren. Zijn hoofdpersonen zijn veertigers die op een keerpunt in hun leven staan door een beslissende gebeurtenis: een vader die misschien niet lang meer heeft te leven, een scheiding. Zwaarmoedig wordt het echter nooit.

Jan Donkers was poprecensent en redacteur van onder andere De Revisor en Hitweek. Hij doceerde Dutch Studies in Austin en Berkeley. Tegenwoordig recenseert hij Amerikaanse literatuur voor NRC Handelsblad en schuift regelmatig aan bij DWDD. Samen met Jan Fastenau vertaalde hij verhalen van F. Scott Fitzgerald, verzameld in de bundel De rijke jongen [e-book | recensie].

 

Elvis ligt op Zorgvlied

Ze komen bijna tegelijkertijd aangelopen uit tegengestelde richting, glimlachen allebei herkennend, hij zoent haar omzichtig op beide wangen. Hij biedt aan haar jas aan te nemen en binnen aan de kapstok te hangen maar ze slaat het af, knoopt de jas wel los. Ze nemen een van de vrije tafeltjes op het terras, en dan opent hij het gesprek zoals hij dat al dagen heeft voorbereid.
‘Waarom heb je in vredesnaam dat slabestek meegenomen? Was je daar nou echt zo aan gehecht?’ Ze kijkt verschrikt op, wil haar hand voor haar mond slaan, is werkelijk onthutst, zo te zien, dat zoiets triviaals als eerste bij hem opkomt. Het is bijna zes jaar geleden dat ze hem verliet.
Terwijl hij onhandig duidelijk maakt dat het maar een grapje is, beseft hij hoe vaak hij nog aan haar denkt na al die jaren (bijvoorbeeld als de zon zich voor het eerst in de lente boven het verzekeringskantoor aan de overkant heeft kunnen verheffen, want ze hield van het voorjaar; of als mooie rode oude Elvis zich tegen zijn kuiten wreef, vragend, wachtend op eten, Elvis naar wie ze in al die jaren nooit heeft gevraagd, terwijl ze altijd zei, Elvis, dat is ons kind; of als hij hoort hoe een fietsende coach met een metalen toeter instructies schreeuwt naar de roeiers in het water beneden, want ze roeit tegenwoordig, daar in Spanje, heeft hij via via gehoord; of als hij de eerste trek krijgt in een glas wijn, want ze hadden altijd geestige ruzies over het startmoment, meestal eindigend met haar woorden: it must be five o’clock somewhere), en vraagt hij zich af of het toeval is dat ze op dit terras hebben afgesproken, waar alle stoeltjes naar buiten zijn gericht, naast elkaar, omdat ze dan niet voortdurend de ander in de ogen hoeven kijken, naast elkaar, om bevestigd te zien dat het leven doorgaat zoals het al die jaren is doorgegaan, naast elkaar, zodat ze kunnen doen alsof ze naar de passanten kijken wanneer ze dingen gaan zeggen of horen die, god verhoede, misschien wel pijnlijk zouden kunnen zijn. Want daarvoor zitten ze hier niet, om de zaken pijnlijk te laten worden.
Hij drinkt rode Spa, zij cappuccino. ‘Zo, dat is lang geleden,’ zegt ze. ‘Hoe gaat het met je?’
‘Het gaat werkelijk uitstekend. En met jou?’
‘Kom, doe niet zo afstandelijk. We kunnen elkaar toch best even de waarheid zeggen, dat was toch de bedoeling, na al die jaren? Het was voor mij ook een amputatie, hoor. Je beseft nog steeds niet dat ik echt heel veel van je heb gehouden.’
‘Jij, van mij gehouden? O ja? Waarom heb je dat niet gezegd toen ik het nodig had?’
‘Omdat ik dat niet kon, of eigenlijk niet mocht, toen.’
‘Van wie niet? Van Stalin of zo?’
Dit komt aan. Ze overweegt ‘van mezelf’ te zeggen maar doet er het zwijgen toe. Midden op het pleintje voor hen interviewt een cameraploeg iemand bij het beeldje. Een groepje scholieren probeert in beeld te komen, een assistente in een mal geel jack blijft ze wegduwen, er is vriendelijke hilariteit. Hij neemt een slok Spa.
‘Het kwam allemaal door die stomme coke...’
‘Schei toch uit, dat had er niks mee te maken. Jij wilde al lang weg. Of nee, je was al weg, vrouwen kunnen dat, weg zijn terwijl de ander dat nog niet weet, ze lopen nog gewoon in je huis rond maar ze zijn met hun hoofd al...’
‘Je kunt het ook een kwestie van niet opletten noemen... En wat die stomme coke betreft, raas er maar overheen, maar het was wel een factor. Jazeker. Het is een relatiekiller. Jij gebruikt het toch ook niet meer, hoop ik?’
‘Ben je gek zeg.’
‘Op het laatst verstopte jij het voor mij en ik voor jou en stonden we stiekem elk achter onze eigen kastdeur te snuiven... Christus nog aan toe, we leken net kleine kinderen.’
‘Erger nog, we leken net grote mensen.’
‘Bij mij in de buurt wordt er nog steeds flink boven spiegels gehangen, bij de expats tenminste, er is daar zoveel coke, je kunt er je tuin mee ophogen. Ik doe al jaren niet meer mee. Mijn buren, Engelsen, hebben nooit kunnen stoppen, ze moeten nu hun huis verkopen. Hebben twee kinderen nota bene, die moeten nu terug naar opa en oma in Bristol. Bristol! Kun je je voorstellen, huis met zwembad, hup, weg, vier ton in een paar jaar, zomaar omhoog door je neus.’
‘Waar woon je nou precies in Spanje?’ vraagt hij, alsof hij dat niet al jaren geleden heeft opgezocht.
‘Bijna aan de zuidpunt, de dichtstbijzijnde stad is Algeciras. Ik ga er nooit meer weg, de kinderen zitten op school in Gibraltar. Leren ze tenminste ook degelijk Engels.’
‘En Marcus?’
‘Die woont al meer dan een jaar in Madrid. Ik ben...’
‘Wat? Zijn jullie uit elkaar? Waarom heeft niemand me dat verteld?’
‘... blij dat-ie opgerot is. Hij mag twee keer in de maand langskomen, om de kinderen te zien.’ Ze rommelt in haar tas, steekt een sigaret aan. ‘Je rookt nog steeds niet, hè?’
Hij schraapt zijn keel en weet dat hij iets moet zeggen over dit nieuws maar het heeft hem overvallen, het is te veel en hij is blij als juist op dat moment de slanke serveerster met de grote borsten langs hen loopt, en hij bestelt nog een rode Spa en een cappuccino.
‘Ligt dat ver bij Granada vandaan, Algeciras?’
‘Paar uurtjes rijden.’ Op het pleintje maakt een zwerver luidruchtig ruzie met zijn hond. Een straatmuzikant met een bivakmuts installeert zijn speakertje. Twee getatoeëerde meisjes met punkhaar zitten demonstratief te tongzoenen op een van de bankjes.
Granada was hun huwelijksreis, de parador in het Alhambra was volgeboekt hadden ze telefonisch gehoord, maar ze parkeerde toch recht voor de ingang van het staatshotel en zei, probeer het toch maar. Hij zei: als er iemand een kans maakt buiten het protocol om dan is het een blonde stoot, maar ze maakte een handgebaar: ga jij nou maar. Twee mannen achter de balie, in uniform, Franco was nog maar net dood, stonden ruzie te maken met een Amerikaanse gast die schreeuwde dat zijn fucking reservation confirmed was door zijn reisbureau; het duurde lang, hij vroeg in het Spaans of hij even tussendoor... en de kleinste van de twee mannen maakte een bijna onzichtbaar handgebaar dat ‘wacht even’ betekende. Na nog enkele minuten beende de Amerikaan tierend weg, hij vroeg of er nog een tweepersoonskamer vrij was en de kleine geüniformeerde man knikte als bijna vanzelfsprekend, hij gaf hem zijn paspoort en hij holde naar buiten, naar de auto om het haar te zeggen... (‘het leek of je een doelpunt had gescoord’).
De kamer was kloosterachtig met twee eikenhouten eenpersoonsbedden en een aardewerken karaf en uitzicht op de Generalife. De volgende ochtend stond hij vroeg op om te plassen, toen hij terugkwam was ze in zijn bed gekropen, het luik stond op een kier, de vogels in de tuin waren al wakker, ze lag half onder het laken en deed of ze sliep, alles was lang en gebruind aan haar, alleen de haren bijna zo wit als het laken, en ze neukten heftig maar woordloos, onder de indruk van de entourage misschien, en daarna viel ze dicht tegen hem aangedrukt opnieuw in slaap. Hij tastte met zijn wijsvinger centimeter voor centimeter haar been af, vanaf haar staartbotje, zijn adem stokte bijna omdat haar dij niet op leek te houden, centimeter voor centimeter tastte hij omlaag, nu moet toch wel haar knie komen, maar die kwam niet, hij bewoog zachtjes verder, bang haar wakker te maken tot hij eindelijk de aanzet van het gewricht voelde, hij kuste haar geurende haar en wist dat hij nooit meer zo gelukkig zou zijn als op dat moment.
‘En hoe gaat het met Elvis?’
‘Elvis is dood, al een half jaar.’
‘Ach nee, waarom heb je me dat niet...’ Ze maakt haar zin niet af. ‘Ach, wat erg.’
‘Hij had ’t aan zijn nieren, en z’n schildklier. Van de medicijnen werd hij langzaam blind. Daar was ik voor gewaarschuwd. Ik heb drie dagen met hem in mijn armen gelopen. Drie dagen gehuild. Toen heb ik hem laten, ze noemen dat ‘inslapen’, maar het voelde als moord met voorbedachte rade.’
Hij ziet tevreden hoe haar ogen vochtig worden. ‘En wat heb je met hem gedaan?’
‘Begraven op Zorgvlied. Hij ligt achter het graf van mijn ouders.’
‘Dan wil ik er graag heen de volgende keer dat ik hier ben. Vind je dat goed? Ik bedoel dus: wil je me aanwijzen waar hij ligt?’
Ze heeft dure kleren aan, Marcus heeft flink moeten bloeden, ziet hij tot zijn genoegen, oker en terracotta met een hardblauw accent, ze hield altijd van Kleuren, het woord sprak ze uit met een hoofdletter en terwijl ze zwijgend naast elkaar zitten (een jonge tobberige moeder tilt haar kinderen uit een bakfiets, de zwerver streelt nu zijn hond en drinkt bier uit een groot blik) realiseert hij zich hoe vreemd het is dat hij nog steeds elke centimeter van dat aangeklede lichaam kent maar het niet meer mag aanraken als hij dat zou willen. Het is een van de fascinerende dingen in het spel tussen mannen en vrouwen, je hebt nooit een eigendom, zoals een schilderij van jou is en je aangifte kunt doen als het gestolen is, maar een schilderij en jij zullen nooit zo intiem zijn als een vrouw met wie je acht jaar het bed deelt, en toch, van de ene dag op de andere is het verboden iets meer dan haar hand en wang aan te raken.
‘Wist je al dat Carlo dood is?’ Natuurlijk weet hij dat niet. Carlo, haar homoseksuele neef die met zijn vriend Kick in een boerderij woonde bij Warder waar ze soms een weekend logeerden.
‘Aids,’ verklaart ze dof, dramatischer dan nodig is.
‘Ik dacht dat je daar tegenwoordig niet meer aan dood hoefde te gaan?’
‘Dat dachten zij waarschijnlijk ook. Hij vroeg nog naar je, de laatste keer dat ik hem opzocht. Je weet toch dat hij heel erg op je gesteld was, hè?’
Hij wist het niet maar vermoedde het wel. Ze sliepen daar altijd in de logeerkamer op zolder, de stallucht en superieure wijn die ze schonken wonden hem altijd op, ze neukten daar de eerste keer zo hard in het oude bed, een erfstuk, dat de boerderij ervan leek te schudden. De hond Karel zat naast het bed al die tijd, beleefd te wachten tot het rustig werd en hij op het voeteneind kon gaan liggen. ‘Zo ga je iemand toch weer met heel andere ogen bekijken,’ zei Carlo lijzig, de volgende ochtend aan het ontbijt.
‘Wil je nog iets drinken?’ vraagt hij en ze kijkt op haar horloge, het is half vijf en hij ziet dat ze onrustig wordt, ‘doe mij ook maar een rode Spa’ zegt ze maar hij heeft het ranke meisje met de sloof en het dienblad al gewenkt en vraagt om twee witte wijn. It must be five o’clock somewhere zegt hij en, ja hoor, ze lacht zowaar met iets van vertedering.
‘Zo, Theodorus Albertus Faber, moet je nog steeds versierd worden,’ vraagt ze zonder vraagteken. Hij wendt wijze verontwaardiging voor. Dat ze zijn volledige naam noemt is een soort oorlogsverklaring.
‘En jij, Carola Jasmina van der Laan, heb je ondertussen al leren koken,’ antwoordt hij.
Die komt al even hard aan. Koken deed ze nauwelijks in al die jaren, ook als er geen coke in het geding was. Ze kan erg goed blikken opendraaien zei hij altijd. ‘Als er maar damp vanaf komt,’ lachte ze dat dan weg.
‘En hoe is het met je seksleven? Nee echt, volgens mij moet je nog steeds versierd worden. Wat is het mooiste of leukste dat je de laatste tijd hebt meegemaakt?’
Hij aarzelt geen seconde. ‘Het mooiste gaat je niks aan. Maar het leukste? Een maand of wat geleden, bij Wildschut, in Zuid, ik stond aan de bar, minding my own business, zag een groepje jonge meisjes, stuk of vier, bij het raam naar me kijken, giechelen, smoezen, heel jong, studentes zo te zien. Een van hen, niet echt de aantrekkelijkste maar leuk genoeg, grote borsten, komt naast me staan en zegt “ga je mee, schat...”?’
‘De klassieke hoeren come-on...’
‘... dus ik zeg: ik ben niet gewend voor seks te betalen. Zegt ze “wie had het over betalen?” Dus ik ben met haar naar haar flatje gegaan, loopafstand, en daar heeft ze me heel ambachtelijk gepijpt...’
‘Weet je wel zeker dat ik dit wil horen?’
‘Nou ja zeg, je vroeg er toch zelf naar? Terwijl we bezig waren kwamen er bij haar zeker vier sms’jes binnen, maar ze keek er niet naar. Ze stond erop dat ik in haar mond klaarkwam...’
‘Om als bewijsmateriaal te bewaren.’
‘Wie weet. Na afloop probeerde ik haar te kussen, en toen zei ze “dat mag geloof ik niet”.’
‘Nee, dat mogen hoeren niet.’ Ze blaast rook uit door haar neusgaten, kijkt hem aan, schudt haar hoofd. ‘Ja, dat is heel hot bij die meiden tegenwoordig, in Spanje ook hoor, ze willen experimenteren met seks, zijn pas tevreden als ze alles geprobeerd hebben. Maar dat ze de amateur-hoer willen spelen, goh, dat heb ik nog nooit gehoord... Zal wel een weddenschap zijn geweest. In jouw geval had ik toch maar een briefje van honderd in haar ordinaire gleuf gestopt.’ En ze lacht haar hese lach en kijkt in de verte, ze verwacht geen antwoord.
‘Ik denk dat ze aan die weddenschap wel meer heeft overgehouden dan honderd euro.’ Hij zoekt ondertussen nadrukkelijk oogcontact met het ranke meisje met de sloof en bestelt nog twee witte wijn. Het wordt langzaam voller op het terras, een gezelschap van vier Engelse toeristen wurmt zich langs hen heen naar het enige vrije tafeltje. Hij kijkt haar aan, peinst over wat ze gezegd heeft en denkt: geef me vooral geen reden om weer verliefd op je te worden want ik voel dat dat zomaar gebeuren kan. Of nee, bedenkt hij dan, het is niet opnieuw verliefd worden, het is alsof hij zo door zou kunnen gaan met haar te beminnen, alsof er een onderbreking is geweest die toevallig wat lang heeft geduurd.
‘Heb je nu een vast iemand?’ doorbreekt ze de stilte.
Hij schudt zijn hoofd, langzaam.
‘Denk je vaak aan me?’
Ook hier geeft hij eerst geen antwoord op, dan, na een lange pauze: ‘Dat is geen eerlijke vraag.’
‘Nee, je hebt gelijk. You have the right to remain silent.’
‘Ik praat wel af en toe over je, en dan zie ik de mensen denken: zie je wel, hij is nog steeds niet over haar heen. Dus houd ik dan maar mijn mond.’
‘Maar wat zeg je dan, dat ze dat denken?’
‘O, van alles. Maar niks onaardigs, hoor. Ik heb nooit onaardig over je gepraat, nadat je hem gesmeerd was bedoel ik. Laatst nog, heb ik het over je gehad zonder je naam te noemen, ik had een meningsverschil met een feministe...’
‘Bestaan die dan nog, feministes?’
‘Reken maar. Er was een etentje, bij iemand van de krant, Philip en Froukje, je kent ze vast nog wel, acht mensen. Er was Portugese wijn, varkensvlees uit de oven met mosselen, erg veel wijn nu ik erover nadenk... Als een vrouw nee zegt bedoelt ze ook nee, beweerde die vrouw.’
‘En wat heb jij gezegd?’
‘Ik heb gezegd dat ze voor zichzelf diende te praten, haar verteld dat ik iemand heb gekend die in bed altijd, maar dan ook altijd “nee Theo, niet doen, o alsjeblieft nee, niet doen” zei, riep, smeekte, “nee, niet doen!” Net zolang tot ze tevreden was klaargekomen. Waar of niet?’
Ze lacht ontroerd, haar ogen vernauwen zich, ze perst haar lippen samen, verbergt even haar hoofd in haar handen bij de herinnering, vermant zich dan en pakt zijn hand, kust die even. Hij vermoedt dat hij haar nog heel lang zou kunnen martelen met dit soort herinneringen, maar hij doet het niet en net als hij dat besluit genomen heeft zegt ze: ‘Weet je wanneer ik het meest van je heb gehouden? Ik zal het nooit vergeten, we liepen op het Rokin, ik had je een arm gegeven maar wilde die terugtrekken, misschien om iets in mijn tas te zoeken. Maar je wilde niet dat ik je losliet, je drukte mijn arm heel stevig tegen je aan, ik keek naar je gezicht maar daar was geen uitdrukking op te lezen, je wilde gewoon niet dat ik je losliet.’ Ze kijkt hem aan maar hij weet niet wat te antwoorden. Dan staat hij plotseling op en gaat naar de wc.

Mijn naam is Kristel, ik ben, zeg maar, oproepkracht hier in het Grand Café en ik zal even vertellen wat er gebeurde nadat die meneer die met die opvallende vrouw aan tafel zestien zat, naar het toilet was gelopen. Om te beginnen moet ik iets bekennen: Didi, mijn vriendin met wie ik op de toneelschool zit en die hier al langer werkt en die me dit baantje heeft bezorgd (daar had ze zelf toen ook belang bij hoor, want dan kon ze mij rechtstreeks bellen om in te vallen als ze zelf weer eens geen zin had om god mag weten wat voor reden), en ik hadden het paar al langer op het oog. We hebben namelijk een, wat ze noemen ‘permanente opdracht’ van school en die is dat we zo vaak mogelijk bij een stel of een gezelschap dat we zien in een café, zonder dat we horen wat ze zeggen, moeten raden of ze iets en wat dan met elkaar hebben, of het bijvoorbeeld familie van elkaar is of exen zijn of juist geheime minnaars. Als het een mannengezelschap is een sportclub of zomaar een groepje studenten, nou ja, en dat moeten we dan stiekem zonder dat ze het merken met elkaar overleggen en, en nou komt het, dan moeten we bijvoorbeeld bij het afrekenen vragen of het waar is wat we denken. Dat is soms best heel confronterend, vaak vragen de mensen waar we ons mee bemoeien en dan zeggen we eerlijk dat het een opdracht van school is en dat het idee erachter is dat je aan de manier waarop mensen naar elkaar kijken of elkaar aanraken of hoe ze met elkaar praten, zachtjes of juist niet, moet kunnen afleiden wat ze met elkaar verbindt omdat dat je heel erg kan helpen bij wat je zelf op het toneel of voor de camera gaat doen, qua motoriek zeg maar, en intonatie en dat soort dingen. Best spannend hoor, zo ben je eigenlijk altijd bezig te leren als je je vak serieus wilt nemen. We geven elkaar overigens ook wel eens opdrachten, dat gaat soms heel ver, maar daar wil ik het nu niet over hebben. Bij deze twee was het echt moeilijk, je kon zien dat ze elkaar goed kenden, maar er was toch weinig intimiteit, ze raakten elkaar nauwelijks aan bijvoorbeeld, alleen die vrouw kuste hem heel even op zijn hand, een koele kus.
Toen kwam Didi naar me toe en zei dat er een man stond te schreeuwen in de wc’s, ze had het zelf gehoord toen ze bij de achteruitgang met Yorick, de bordenwasser, stond te roken. Wat is het, een junk, vroeg ik, want daar moeten we, zeg maar, gewoon heel alert op zijn van de bedrijfsleider en ze zo snel mogelijk zien te lozen, maar nee, zei ze, het was een nette man die van het terras kwam en volgens mij uit jouw wijk dus ik dacht dat je... Nou ja, om een lang verhaal kort te maken, ik liep naar de wc’s, en wat-ie allemaal stond te schreeuwen! Je wilt het niet weten. ‘Stomme trut, waarom ben je ook bij me weggegaan,’ dat soort dingen, hij ging echt helemaal los. Ik kan het ook niet precies navertellen maar het kwam erop neer, zeg maar, dat hij verder dingen riep als ‘godverdomme, deed het je dan helemaal niks dat ik zoveel van je gehouden heb, alles was je voor me, alles, soms lag ik urenlang in de nacht naar je te kijken, ik droeg je handschrift op mijn hart, rook aan je kleren als je er niet was, maar dat heb je nooit geweten...’ Nou ja, toen wist ik wat ik toch al vermoedde, namelijk dat het exen waren en dat hij er veel meer mee zat dan zij.
Toen was het ineens weer stil. Ik hoorde een wc doortrekken en hij stapte naar buiten, hij grijnsde even tegen me, toen zag ik ineens dat hij me bekend voorkwam, misschien van de televisie of zo, en toen liep hij weer naar het terras.
De vrouw, ze was vroeger echt heel mooi geweest en eigenlijk nog steeds al was ze zeker in de veertig, ze droeg dure kleren en een mooie zwarte hoed, ze was lang en droeg toch erg hoge hakken en bewoog zich heel zelfverzekerd, echt zo iemand van wie je zegt ‘wauw: daar komt iemand binnen’, ze inspecteerde de tassen van de Bijenkorf en de Bonneterie die ze bij zich had, deed toen even haar hoed af en wrong haar lange haar in een knot. Ze had ook nog eens een heel mooie hals.
Hij ging weer aan tafel zitten, ik bleef expres een beetje in de buurt glazen ruimen om te horen of die, zeg maar, uitbarsting van net nog een vervolg had, maar nee, de vrouw zei dat haar vliegtuig over een paar uur vertrok, ze haalde toen iets uit de Bijenkorftas en liet het hem zien. ‘Een cadeautje voor het kind van de werkster,’ hoorde ik haar zeggen, ‘het is een doofstom meisje, maar een schat, een schát!’ Nee, ik kon niet zien wat het was. Nadat ze afgerekend had hoorde ik haar nog zeggen: ‘Volgende keer moeten we een hapje eten. Ik vond het erg leuk je weer te zien. Het was ook meteen weer zo vertrouwd, na al die jaren...’ Maar daar zei hij niks meer op terug. Die vrouw betaalde trouwens, dat gebeurt niet vaak, en ze liet een heel knappe fooi achter. De man bleef zitten, ik stapte zomaar op hem af, en vertelde over die opdracht van school en of hij me wilde vertellen wat ze, zeg maar, van elkaar waren.
Hij leek het geen rare vraag te vinden, hij keek me alleen maar lang en, nou ja, geamuseerd aan, eerst naar mijn borsten maar dat doen ze allemaal, en daarna heel strak naar mijn gezicht. Toen gebeurde er iets heel geks. Hij zei: ‘Kennen we elkaar niet van Wildschut? Een paar maanden geleden? Heb je me daar niet aangesproken? En me daarna meegenomen naar je huis?’
Ik had natuurlijk heel anders moeten reageren maar nadat ik het blad met glazen uit mijn handen had laten vallen moest Didi mijn wijk overnemen en die hele scherventroep opruimen. Ze was behoorlijk pissig en zei later dat ik het ‘nooit zou leren’. Wat ze daarmee precies bedoelde weet ik niet maar ze heeft in elk geval beloofd het er op school verder niet over te hebben.
Nou ja, dat is dus wat ik dacht dat ik moest vertellen. O ja, die man bleef nog heel lang zitten, hij bestelde in minder dan een uur nog driemaal witte wijn bij Didi en bleef voor zich uit zitten kijken. Hij keek ook niet meer om om te zien of ik er nog was, gelukkig maar, hij leek niets te zien, reageerde nergens op, pakte af en toe de Engelse krant op zijn tafeltje en las er een paar minuten in en dronk ondertussen verder. Dan mompelde hij wat voor zich uit, maakte handgebaren als om zijn woorden kracht bij te zetten, vouwde de krant weer op, legde hem weg, vouwde hem weer open. Hij ging niet opnieuw naar de wc. Mijn dienst zat erop een half uur later, die van Didi ook en zij droeg haar wijk weer over aan Marcella die van dit soort dingen helemaal niets weet.
Toen ik naar mijn fiets liep – alleen, Didi was nog steeds kwaad op me – keek ik even van opzij naar hem, hij zat aantekeningen te maken op de rand van zijn krant en bewoog zijn lippen. Ik herinnerde me plotseling dat hij me toen had geprobeerd te kussen en dat ik dat niet wilde. Ergens vond ik dat behoorlijk lullig voor hem, achteraf.

Copyright © by Jan Donkers, 2013

Foto: Copyright © by Maria van Rooijen

Uitgeverij De Harmonie

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum