Leesfragment: En hier een plaatje van een kat

12 mei 2013 , door Arjen van Veelen
|

15 mei verschijnt En hier een plaatje van een kat. En andere ongerijmdheden van het moderne leven van Arjen van Veelen. Wij publiceren voor.

'De olijfboom was ooit een heilige boom. Het was de eerste wilde boom die de mens wist te temmen, duizenden jaren geleden. De Griekse dichter Homerus bezong hem. De Bijbel en de Koran noemen hem een godsgeschenk. 'Symbool voor vrede, trouw en liefde' – die tekst komt dan weer van de webshop van Dille & Kamille, 'winkels met een ziel', waar je de boompjes ook kunt kopen.'

Arjen van Veelen laat zien hoe wonderlijk en paradoxaal het moderne leven in elkaar zit. 

We downloaden apps om onze vlijmscherpe foto's te veranderen in wazige polaroids. We willen persoonlijk zijn maar gebruiken automatische internetfelicitaties. Authentiek blijven is het sleutelwoord, maar iedereen doet hetzelfde. Haastige forenzen eten bij een pastabar die doet of hij slowfood serveert. Hangjongeren hebben een vreemde voorkeur voor energy drinks. Iedereen zoekt rust en bezinning, maar dan wel NU METEEN! Willen we zelf nog iets, of laten we ons gedachteloos meeslepen door mythes, trends of marketingtrucs?

Van Veelen ziet, beschrijft en fotografeert, verbaast zich, en slaagt erin om al filosoferend aan de hand van de kleinste details bloot te leggen waar we ons tegenwoordig zoal mee bezighouden. Kattenplaatjes op internet zetten, bijvoorbeeld.

 

Olijfboompjes

 

Uit: Arjen van Veelen, En hier een plaatje van een kat.

Er staan olijfboompjes om me heen, een stuk of acht, terwijl ik wacht op het perron van station Amsterdam Amstel. Ze staan gepoot in plantenbakken ter hoogte van de rookpalen, als kompanen voor de wachtende forens. Ze zijn zo’n twee meter hoog, met stammen als spillebeentjes, heel anders dan de woeste knokige olijfbomen op de schilderijen van Vincent van Gogh. In ons klimaat zijn het exoten, anomalieën, als goudvisjes die zijn uitgezet in een boerensloot.
Vlak na de eeuwwisseling kwamen ze opgerukt uit het zuiden. Er verschenen olijfjes op vensterbanken en in voortuintjes van eengezinswoningen. Er kwamen olijfjes op caféterrassen. Soms arriveerden ze zelfs als complete bossen. Zoals op het Mr. Visserplein in Amsterdam, waar de gemeente vijfentwintig Spaanse olijfbomen plantte. De oudste telden al 350 jaarringen. Elke winter, als het vriest, krijgen ze een ‘boomjas’ tegen de kou.

Uit: Arjen van Veelen, En hier een plaatje van een kat.

Wat kwamen ze hier doen? Is dit nu globalisering? Of is het een voorbode van een klimaatverandering? Staan er in Italië op de perrons soms ook Hollandse knotwilgjes op de perrons, voor de sier?

De olijfboom was ooit een heilige boom. Het was de eerste wilde boom die de mens wist te temmen, duizenden jaren geleden. De Griekse dichter Homerus bezong hem. De Bijbel en de Koran noemen hem een godsgeschenk. ‘Symbool voor vrede, trouw en liefde’ – die tekst komt dan weer van de webshop van Dille & Kamille, ‘winkels met een ziel’, waar je de boompjes ook kunt kopen.
Maar de olijfboompjes op het station vertellen een ander verhaal.
Een reiziger vertoeft gemiddeld zeven minuten op een station, blijkt uit wetenschappelijk onderzoek. Maar het interessante is: hij schat die wachttijd gemiddeld dubbel zo hoog in. Als een kwartiertje dus. Net als gevoelstemperatuur bestaat er ook gevoelstijd. In het jargon van de Spoorwegen heet dat: wachttijdbeleving. En die wachttijdbeleving kun je manipuleren.
In zijn onderzoek Waiting experiences at train stations (2011) beschrijft Mark van Hagen, senior projectleider strategisch onderzoek van de NS, hoe je de gevoelstijd kunt inkorten door de juiste maatregelen te treffen. Reizigers blijken bijvoorbeeld rustig te worden van een stationshal met overwegend koele kleuren, zoals blauw en groen. Ook ‘belevingsmaatregelen’ als muziek of videoschermen met entertainment zijn van invloed.
Aan het begin van dit millennium begonnen de treinstations in Nederland een voor een van karakter te veranderen. Dat waren de jaren van de Grote Verbouwing. De stations werden niet alleen uit noodzaak verbouwd, maar ook omdat treinstations ‘belevenisplatforms’ moesten worden. De gedachte was om de reiziger te verleiden langer op het station te vertoeven, terwijl hij die wachttijd toch als korter ervoer.
Treinstations begonnen op vliegvelden te lijken. Er kwamen beveiligingspoortjes. Er kwamen steeds meer winkels. ‘De winkels geven het station een gevoel van veiligheid en comfort, gemak en zekerheid in een hectische omgeving, maar brengen ook sfeer en vermaak,’ schreef de NS.

Uit: Arjen van Veelen, En hier een plaatje van een kat.

Het was in diezelfde tijd dat treinconducteurs op omroepcursus moesten, waar ze leerden om de reiziger ‘persoonlijker’ toe te spreken. ‘Goedemiddag, welkom in de intercity naar Eindhoven’, of ‘wij gaan nog voor u stoppen in Venlo’. Let op dat ‘voor u’ – het stoppen van de trein, voorheen vanzelfsprekend, werd nu gebracht als extra service, een gunst bijna. En omgekeerd leerden de conducteurs om vertragingen voortaan ‘extra reistijd’ te noemen, als een onverwachte bonus. In die tijd verschenen er op de stations slogans als ‘Genieten’, ‘Prettig wachten’, ‘Verwen jezelf’.

Uit: Arjen van Veelen, En hier een plaatje van een kat.

Wachten werd genieten.
Genieten werd shoppen.
Het missen van je trein werd een belevenis.
Maar zomaar ergens zitten kon haast niet meer: bijna elk stoeltje of bankje in de hal hoorde nu bij een keten. Consumptie verplicht. De wachtende mens werd gekalmeerd met goede catering. Zijn wachttijd moest geen sleur zijn, maar een vakantie, een minibreak. Alsof je hier niet wachtte op de boemel, maar in de rij stond voor de achtbaan.
Het station zelf veranderde van vertrekpunt in een eindbestemming. Als je goed nadacht, hoefde je helemaal niet meer op reis, want hier was alles wat je hartje begeerde: eten, drinken, toiletten, boeken, kleding, soms zelfs festivals.
Hoogstens voelde de reiziger zich hier soms wat ontheemd – het gevoel dat komt van het moeten leven in andermans gedachten, in concepten: concepten zijn korsetten.
Maar ook daar was aan gedacht. Er kwam ‘groen’. Groen geeft de mens een stukje natuur terug in een steriele omgeving. ‘Het zien van beplanting op het perron blijkt een positief effect te hebben,’ schrijft Martin Springer in zijn masterscriptie De invloed van groen op de beleving van de stationsomgeving (2006). ‘Boompjes met een volle kroon zorgen voor een positievere beleving van aantrekkelijkheid en sfeer’. Daarom zetten we in de kille winter kerstbomen in de kamer. Daarom staan er kamerplanten in suffe kantoren.
En zo kwam het dat er, in de periode dat de stations vliegvelden werden, op de perrons boompjes verschenen: compensatiegroen voor een positievere beleving van het shopconcept. Geen Chinese dadels, of lampenpoetserplanten, maar olijfboompjes: mediterrane troostboompjes.
Zelfs een verpieterde variant in een bloempot zegt tegen ons: Italië! Middellandse Zee! Vakantie! Het is een camouflageboom, die verhult dat je op een perron staat, dat je op weg bent naar another day in the coalmine. ‘Droom maar weg,’ zeggen ze, ‘je staat niet te wachten op de boemel naar je computerscherm. Nee, je bent nu op vakantie, in Toscane, en vanavond zal mama Miracoli handgemaakte pasta voor je koken.’
Werkt het? Op Amsterdam Amstel, aan de voet van de boompjes, onder het zilvergroene lover, liggen de peukjes van de zombies van de ochtendtrein die stompzinnig stilstaan naast het gapende ravijn van het spoor. Heilig boompje werd asbak van de wachtende mens.

Uit: Arjen van Veelen, En hier een plaatje van een kat.

De Bijbel vertelt dat Noach na de zondvloed als een van de eerste tekenen van leven een duif zag met in zijn snavel een olijftakje. Zo werd de olijf het symbool voor een herwonnen paradijs. Het water was nog niet weg, maar in die troosteloze tijden was het olijftakje een teken van leven, van hoop: nog even wachten, dan komt alles goed.
Daar denk ik vaak aan, zeker op regenachtige dagen, als ik wacht op het perron van Amsterdam Amstel. Soms voel ik me verloren in formules. Dan zijn de boompjes mijn kompanen, met wie ik alles bespreek. Tekens van leven zijn het – aanknopingspunten voor mythen. Dan droom ik over een dag dat die boompjes de macht zullen grijpen, hoe ze in een nacht alles zullen overwoekeren, tot het perron één olijfbomenjungle is geworden. En dan geef ik ze in gedachten water en Pokon om de ommekeer te bespoedigen. En dan fluister ik snode plannen naar hun takken, verhalen van verzet en revolutie, tunnels die we samen zouden kunnen graven, weg uit Alcatraz.
Zo zweren we samen, maar ze reageren nauwelijks, ze ritselen slechts wat met hun takken, schouderophalend.
Maar dat begrijp ik best. Bomen zijn niet opruiend van aard, maar vreedzaam. Logisch: ze hebben de tijd. Duizenden jaren oud kunnen ze worden, als het moet. Hun wachttijdbeleving is heel anders dan de mijne.
Maar ik omarm ze, en streel soms hun bast. Want we delen hetzelfde lot: wij horen hier niet.

 

Copyright © 2013 Arjen van Veelen en uitgeverij Augustus, Amsterdam
Auteursportret © Merlijn Doomernik

Uitgeverij Atlas Contact

MINDBOOKSATH : athenaeum