Leesfragment: Fuck America

27 november 2015 , door Edgar Hilsenrath

Op 8 augustus verschijnt Fuck America. Bronsky's bekentenis, de roman van Edgar Hilsenrath uit het Duits vertaald door Elly Schippers. Wij publiceren voor:

'In de Cadillac zat een chauffeur in elegante livrei. Nathan Bronsky stootte zijn vrouw aan en wees naar de haveloze neger die achter de Cadillac stond te pissen. Hij vroeg aan het rijke familielid: “Is dat Amerika?” “Ja,” zei het rijke familielid, “dat is Amerika.”'

In de emigrantencafetaria op de hoek van Broadway en 86th Street in New York zit de Duitse jood Jakob Bronsky elke nacht aan zijn autobiografische roman De rukker te schrijven. Hij houdt zich in leven met baantjes als hulpkelner en bordenwasser, zijn dagelijks bestaan wordt beheerst door de eeuwige strijd om een warme maaltijd, een slaapplaats, een buskaartje. Zijn bekentenis, die begint met het motto 'Fuck Amerika', is een boosaardige satire op de valse beloften van een leugenachtige maatschappij en een wrange samenvatting van het joodse lot.

Kernachtig en geestig, maar ook met rauwheid schildert Hilsenrath in Fuck America. Bronsky's bekentenis de strijd van zijn autobiografisch getinte held om in het land van de onbegrensde mogelijkheden te overleven.

Proloog of ‘Fuck America’

Expresbrief

De Amerikaanse consul-generaal
Clausewitzstrasse 3b
Berlijn

10 november 1938

Zeer geachte consul-generaal,


Sinds gisteren staan onze synagogen in brand. De nazi’s hebben mijn winkel vernield, mijn bureau leeggehaald, mijn kinderen van school gejaagd, mijn woning in brand gestoken, mijn vrouw verkracht, mijn ballen vermorzeld, mijn vermogen in beslag genomen en mijn bankrekening geblokkeerd. We moeten emigreren. Er zit niets anders op. Het zal alleen maar erger worden. De tijd dringt. Zou u mij, zeer geachte consul-generaal, binnen drie dagen aan inreisvisa voor Amerika kunnen helpen?

Hoogachtend,
Nathan Bronsky

PS: Ik woon al veertig jaar in Duitsland, en wel in Halle an der Saale, maar ik kom uit Galicië, een provincie die tegenwoordig bij Polen hoort.


De Poolse Jood Nathan Bronsky
woonachtig in Duitsland
Königstrasse 10
Halle an der Saale

10 juli 1939

Zeer geachte heer Bronsky,


Uw expresbrief ligt al acht maanden op mijn bureau. Pas vandaag ben ik ertoe gekomen hem te lezen. Bijgaand treft u enkele aanvraagformulieren aan, die u kunt invullen en terugsturen naar mijn adres. Helaas moet ik u meedelen dat de vooruitzichten om snel naar Amerika te kunnen emigreren voor u en uw familie niet gunstig zijn. Want ziet u, zeer geachte heer Bronsky, plotseling willen honderdduizenden Joden naar Amerika. Wij kunnen echter maar een beperkt aantal van hen toelaten omdat Amerika een paradijs is, waarvan de immigratiepolitiek sinds de jaren twintig door een handig uitgekiend quotumsysteem wordt bepaald, een quotumsysteem, zeer geachte heer Bronsky, dat de immigratiestromen van vreemde en andersoortige elementen uit overzeese landen in het belang van een toonaangevend, zuiver blank, Angelsaksisch- protestants kiezersvolk zeer sterk indamt. De wachtlijsten voor vervolgde Joden zijn dan ook lang. Zeer lang. Honderdduizenden namen zijn al met hun quotumnummer op de wachtlijsten genoteerd. Als u de aanvraagformulieren snel invult en terugstuurt, zou de familie Bronsky – en dat is optimistisch – in de gegeven omstandigheden over ongeveer dertien jaar aan de beurt komen. Ik neem dus aan – ervan uitgaande dat u de voor de immigratie vereiste borgtochten in de loop der jaren weet te verkrijgen, alsmede de overige noodzakelijke gegevens, bewijzen, papieren en documenten – dat ik u en uw familie, zeer geachte heer Bronsky, in 1952 de bewuste inreisvisa kan verstrekken.

Hoogachtend,
de Amerikaanse consul


De Amerikaanse consul-generaal
Clausewitzstrasse 3b
Berlijn

12 juli 1939

Zeer geachte consul-generaal,


De tijd begint steeds meer te dringen. De oorlog staat voor de deur. Ik zie verschrikkelijke dingen op ons afkomen. Heb erbarmen! Elke dag praat ik met mijn maagzweer. Die vertelt me merkwaardige dingen. Hij vertelt over gaskamers en executiepelotons. Hij vertelt over zwarte rook. De nazi’s zullen alle Joden vermoorden. Ons ook. Heb erbarmen, zeer geachte consul-generaal, en stuur ons zo snel mogelijk de inreisvisa!

Hoogachtend,
Nathan Bronsky


De Poolse Jood Nathan Bronsky
woonachtig in Duitsland
Königstrasse 10
Halle an der Saale

24 augustus 1939

Zeer geachte heer Bronsky,


Enige tijd geleden probeerde een Joods vluchtelingenschip bij ons aan te leggen. Het betreft het bekende geval van de St. Louis. Ondanks de duizenden telegrammen waarmee onze president Franklin D. Roosevelt werd overstelpt, zat er niets anders op dan de vluchtelingen bij gebrek aan geldige inreisvisa weer de zee op te sturen. Dat feit laat overduidelijk zien dat zelfs onze president Franklin D. Roosevelt, die – zoals u wellicht weet – grote binnenlandse politieke problemen heeft, het zich niet kan permitteren de antisemitische stemming van enkele zeer omvangrijke groepen binnen de Amerikaanse middenstand gewoon te negeren of zich tegen de druk van de isolationistische en antisemitische vleugel in het parlement – het zogenaamde congress – te verzetten teneinde een verandering van de immigratiequota ten gunste van Joodse vluchtelingen te bewerkstelligen. U ziet dus, zeer geachte heer Bronsky, dat het geen zin heeft mij, de Amerikaanse consulgeneraal, met brieven lastig te blijven vallen. Overigens – onder ons gezegd – zal het de regeringen van alle landen op deze planeet in feite een zorg zijn of ze u allemaal vermoorden of niet. Ze vinden het Joodse vraagstuk te lastig en niemand wil er echt iets mee te maken hebben. Wat ons betreft, dat wil zeggen de regering die ik als consul-generaal vertegenwoordig, kan ik u slechts meedelen dat wij genoeg hebben van de Joodse bastaards in Amerika. Ze overspoelen onze universiteiten, dringen door in topposities en worden steeds brutaler. Stuur me de aanvraagformulieren terug en wacht alstublieft dertien jaar. Mocht u gelijk hebben met uw voorspelling van de gaskamers en de executiepelotons, dan raad ik u aan nu al een testament te maken en de immigratiewens van de familie Bronsky duidelijk te formuleren, zodat uw executeurtestamentair in 1952 – het jaar waarin de inreisvisa vermoedelijkgeldig zullen zijn – uw as overeenkomstig uw wens naar Amerika kan sturen.

Hoogachtend,

de Amerikaanse consul-generaal


dagboeknotitie

New York, maart 1953

Ik heb de wanhopige brieven van mijn vader uit de oude doos gehaald. Ook de antwoorden van de Amerikaanse consul-generaal. Ik heb de brieven hardop gelezen en de tekst bij het lezen een beetje veranderd, omdat ik dat gewend ben of om te waarheid te ontdekken die tussen de regels staat.

In mijn verbeelding heeft de consul-generaal een benig gezicht en dun, grijs haar met een keurige scheiding. Als hij de brieven van de Joden leest, beginnen zijn kille, blauwe ogen wellustig te flikkeren. Ik vraag me af of hij zich afrukt als hij de brieven van de Joden in de prullenmand smijt.

Ik zie een reusachtige prullenmand met de brieven van de ter dood veroordeelden. Ik zie een stortvloed van tranen uit de prullenmand komen. Ik hoor de stem van de secretaresse in de kamer ernaast: ‘Meneer de consul-generaal, in uw kantoor is een lekkage!’

Ik wil met iemand over de consul-generaal praten. De geschiktste plaats zou de emigrantencafetaria op de hoek van Broadway en 86th Street zijn. De emigranten daar zijn op de hoogte. Daar kent iedereen me ook. Iedereen weet: dat is Jakob Bronsky, de zoon van Nathan Bronsky. Ik vraag me af hoe het zou zijn als de emigranten in de cafetaria niet wisten wie ik was.

Zo stel ik me dat voor: ik heb de New York Times van 22 mei 1953 gekocht om te zien hoe het staat met de oorlog in Korea. De Times is net uit. Het is bijna twee uur in de ochtend. Ik laat mijn blik over de koppen glijden, stel vast dat ze niet meer zo schreeuwerig zijn en slenter over Broadway richting 86th Street. De hoertjes op de straathoeken kennen me van gezicht. ‘En, oude motherfucker, zin in een vluggertje?’
‘Nee, bedankt.’
‘Vijf piek. Vijf piek maar.’
‘Nee, bedankt.’
‘Vier piek dan? Ik pijp je!’
‘Nee, bedankt.’
‘Ik doe het vandaag voor een prikkie, jongen. Echt voor een prikkie. Want ik heb goed nieuws gehad. Mijn vriend komt namelijk terug uit Korea. Ze hebben het over vrede.’
‘Nee, bedankt.’

De emigrantencafetaria op de hoek van Broadway en 86th Street is de hele nacht open. Ik weet dat de airco na middernacht uitgezet wordt; deur en ramen worden dan opengerukt. Maar vandaag zijn de ramen vreemd genoeg dicht, de deur staat weliswaar open, maar op een kier. Als ik naar binnen ga, slaat de bedompte lucht me tegemoet. Ik zie de emigranten. Eigenlijk ben je te laat, denk ik. Het is al twee uur in de ochtend. En stiekem ben ik verbaasd dat de emigranten er nog zijn, want anders gaan ze altijd al tegen middernacht naar huis.

Zo stel ik me dat voor: niemand kent me. Niemand weet meer dat ik Jakob Bronsky ben, de zoon van Nathan Bronsky. Helemaal achterin, aan het laatste tafeltje, zit de emigrant Grünspan, vroeger werkzaam in de textielbranche, in Amerika verkoper bij Woolworth, tijdelijk, als invaller zeg maar, momenteel werkloos. Grünspan schrijft luchtpostbrieven en heeft zich van de anderen afgezonderd. Ik ga bij hem aan tafel zitten.

Grünspan schuift de luchtpostbrieven opzij, ook de chocoladetaart en de waterige koffie. ‘Ik heet Jakob Birnbaum,’ zeg ik om hem te misleiden. ‘Ik ben sinds een jaar in Amerika.’
‘Komt u uit Duitsland?’
‘Ja, uit Duitsland.’
Grünspan knikt. Hij zegt: ‘Ik ook. Uit Duitsland.’

Zo stel ik me dat voor: hij heeft echt geen idee wie ik ben.
Ik vraag: ‘Hebt u weleens van een zekere familie Bronsky gehoord? Uit Halle an der Saale?’
‘Nooit van gehoord,’ zegt Grünspan.
‘Ik heb ze toevallig gekend,’ zeg ik. ‘Ze kwamen uit dezelfde stad als ik.’
‘O,’ zegt Grünspan.
‘Een heel normale familie,’ zeg ik. ‘De oude Bronsky was koopman, hij leefde voor zijn zaak – een meubelwinkel –, de vrouw zat de hele dag thuis. Er was nog een zoon: Jakob.’
‘Ook normaal?’
‘Toen wel,’ zeg ik. ‘Middelmatige leerling. Slechte gymnast. Schreef gedichten.’
‘Als hij gedichten schreef, was hij niet normaal,’ zegt Grünspan.
‘Misschien niet,’ zeg ik.

‘Ik weet niet wat er van de Bronsky’s geworden is,’ zeg ik. ‘Na de Kristallnacht wilden ze naar Amerika, maar de poorten van Amerika waren gesloten.’
‘Toen de oorlog voor de deur stond, wilden honderdduizenden mensen naar Amerika,’ zegt Grünspan, ‘en de poorten van Amerika waren gesloten.’
‘Ja,’ zeg ik.
‘Ja,’ zegt Grünspan.
‘Dat is de schuld van de Amerikaanse consul-generaal,’ zeg ik.
‘Van de consul-generaal?’
‘Van de consul-generaal!

Raad eens wat er van de Bronsky’s geworden is.’
‘Ik neem aan dat ze door de oorlog werden verrast.’
‘Daar hebt u gelijk in.’
‘Ik neem aan dat ze door de nazi’s zijn gedeporteerd.’
‘Dat zou kunnen.’
‘Ik neem aan dat ze in Auschwitz zijn vergast.’
‘Dat zou kunnen.’
‘Of in Treblinka.’
‘Dat zou kunnen.’
‘Of ergens anders’
‘Dat zou kunnen.’

‘Het is natuurlijk ook mogelijk dat ze door de nazi’s zijn doodgeschoten,’ zegt Grünspan. ‘Of ze zijn verhongerd in een getto of een concentratiekamp.’
‘Alles is mogelijk,’ zeg ik. ‘Het is ook mogelijk dat ze de oorlog hebben overleefd.’
‘Mogelijk wel,’ zegt Grünspan, ‘maar onwaarschijnlijk.’
‘Waarom zou dat onwaarschijnlijk zijn?’ vraag ik voorzichtig. ‘Tenslotte zijn er meer die de oorlog hebben overleefd. U bijvoorbeeld. En ik.’
‘Wij zijn uitzonderingen.’
‘Uitzonderingen?’
‘Uitzonderingen.’
‘Laten we eens aannemen dat de Bronsky’s de oorlog hebben overleefd,’ zeg ik.
‘Laten we het aannemen,’ zegt Grünspan.
‘Hoe stelt u zich dat voor?’
‘Ik weet het niet,’ zegt Grünspan. ‘Ik heb geen fantasie.’
‘Ik heb wel fantasie,’ zeg ik. ‘Dat verbeeld ik me tenminste.’
Grünspan lacht. ‘Nou goed,’ zegt hij. ‘U bent een man met fantasie. Hoe hebben de Bronsky’s de oorlog overleefd?’
‘In een vuilnisbak,’ zeg ik.
‘In een vuilnisbak?’
‘In een vuilnisbak.

Het kunnen ook drie vuilnisbakken geweest zijn,’ zeg ik.
‘Drie vuilnisbakken is beter. Daar hebt u gelijk in.’
‘Drie vuilnisbakken.’
‘Drie vuilnisbakken.’

Ik zeg: ‘Een middelgrote Duitse stad. Een oud, klein huis. Een binnenplaats met drie vuilnisbakken.’
‘Wat voor mensen woonden er in dat huis?’
‘Daar woonden fatsoenlijke Duitsers.’
‘Tegenstanders van de nazi’s?’
‘Mensen van het passieve verzet,’ zeg ik. ‘Ze wisten dat de Bronsky’s vermoord zouden worden en ze hadden zich in het hoofd gezet het leven van de Bronsky’s te redden.’
‘Het leven van drie Joden?’
‘Drie Joden.

U moet zich voorstellen,’ zeg ik, ‘hoe die Joden in de vuilnisbakken zitten. Ze hebben meelzakken, kartonnen dozen en ook hoedendozen over hun hoofd getrokken. Elke morgen komen de fatsoenlijke Joden slaperig hun huis uit, gooien hun vuilnis in de bakken, grinniken meewarig, maar zeggen niets. Ook de vuilnismannen houden hun mond, oud-communisten, eveneens van het passieve verzet.’
‘Een sentimenteel verhaal.’
‘Ja.’
‘Is de ss geweest?’
‘Eén keer maar. ’s Nachts. Eén enkele ss’er. Hij bracht zijn meisje thuis. Maakte een nummertje met haar voor de vuilnisbakken op de binnenplaats, piste daarna tegen de vuilnisbak waar de oude Bronsky in zat, maar merkte niets van de Joden.’
‘Het meisje heeft niets verraden?’
‘Nee, ze heeft niets verraden.

Maar soms was het link,’ zeg ik, ‘vooral ’s nachts als de ratten kwamen. Dan wilde Nathan Bronsky uit de vuilnisbak springen.’
‘Heeft hij het gedaan?’
‘Nee, hij heeft het niet gedaan.’

‘Het verhaal is niet erg geloofwaardig,’ zegt Grünspan. ‘U moet iets anders verzinnen.’
‘Goed,’ zeg ik. ‘Laten we eens aannemen...’
‘Wat aannemen?’
‘Dat de Bronsky’s zich niet in de vuilnisbakken schuilhielden maar in de kelder.’
‘In de kelder?’
‘In de kelder!’
‘Bij de fatsoenlijke Duitsers?’
‘Bij de fatsoenlijke Duitsers!

Ze hielden zich jarenlang in de kelder schuil,’ zeg ik. ‘De fatsoenlijke Duitsers deelden hun brood met hen, evenals de huismeester, die lid was van de partij.’
‘Een nazi?’
‘Geen nazi.’
‘Iemand die deed alsof hij er een was?’
‘Ja.

De oude Bronsky werd zwaarmoedig,’ zeg ik. ‘De kelder heeft hem kapotgemaakt. Ook zijn vrouw.’
‘En Jakob?’
‘Dat weet ik niet,’ zeg ik. ‘Jakob werd stil. Hij heeft jarenlang geen woord gezegd.’
‘Maar wel gedichten geschreven?’
‘Nee,’ zeg ik, ‘Jakob schreef geen gedichten meer.

En op een dag was de oorlog afgelopen,’ zeg ik. ‘De Bronsky’s wankelden de kelder uit. Het was lente.’

‘Uw verhaal begint interessant te worden,’ zegt Grünspan. ‘Vertel verder!’

‘Toen de Bronsky’s voor het eerst na jaren de zon zagen, wilde de oude Bronsky huilen, maar hij kon het niet. Ook zijn vrouw wilde huilen. En ook Jakob. Het lukte niet.
“Geef me je spiegeltje,” zei Nathan Bronsky.
“Ik heb geen spiegeltje,” zei zijn vrouw.
“Dat heb je wel,” zei Nathan Bronsky. “Het moet nog in je oude handtas zitten.”
“Ik zal even kijken,” zei zijn vrouw.
“Vlug,” zei Nathan Bronsky. “Zoek het spiegeltje. Het is belangrijk.”

Nathan Bronsky keek lang in het spiegeltje,’ zeg ik. ‘Toen gaf hij het spiegeltje aan zijn vrouw en vervolgens aan Jakob.
“Onze ogen zijn veranderd,” zei zijn vrouw.
“Klopt,” zei Nathan Bronsky.
“Zonder glans,” zei zijn vrouw.
“Je hebt gelijk,” zei Nathan Bronsky. “Onze ogen hebben geen glans meer.

Ik geloof dat we onze ziel in de kelder verloren hebben,” zei Nathan Bronsky.
“Dat geloof ik ook,” zei zijn vrouw.
“We kunnen hem gaan zoeken,” zei de oude Bronsky.
“In de kelder?” vroeg zijn vrouw.
“In de kelder,” zei de oude Bronsky.

Ze gingen terug naar de kelder om hun ziel te zoeken, maar ze konden hem niet vinden. Ze riepen de huismeester. En die kwam met een zaklamp. Maar ook hij kon de zielen van de Bronsky’s niet vinden.’

‘Vertel verder,’ zegt Grünspan.
Ik knik en zeg: ‘Ziet u, meneer Grünspan, zo was dat.’
‘Maar het verhaal moet toch verdergaan.’
‘Natuurlijk gaat het verder.

Ik stel me voor,’ zeg ik, ‘dat de Bronsky’s daarna naar de Joodse begraafplaats gingen. Daar kwamen ze een rabbijn tegen; die was heel oud, veel ouder dan de oude Bronsky, die eigenlijk helemaal niet oud was.
“Rabbi,” zei Nathan Bronsky, “we hebben onze ziel verloren. We hebben in de kelder gezocht, maar we konden hem niet vinden.”
“Hebben jullie in je ogen gezocht?”
“Ja, dat hebben we.”
“Dat is erg,” zei de rabbi.
“Ja, dat is erg,” zei Nathan Bronsky.

De rabbi dacht een poosje na. Toen zei hij: “Niemand kan zijn ziel verliezen.”
“Toch hebben wij hem verloren,” zei Nathan Bronsky.
“Dat lijkt maar zo,” zei de rabbi.
“Onze ogen hebben geen glans,” zei Nathan Bronsky.
“Klopt,” zei de rabbi.
“We hebben onze ziel verloren.”
“Nee,” zei de rabbi, “jullie hebben alleen je glans verloren.”

“Waar is onze glans?” vroeg Nathan Bronsky.
“Die is daarboven,” zei de rabbi en hij wees naar de hemel.
“Daarboven?”
“Daarboven!”
“Hoe kon de glans zomaar wegvliegen?”
“Hij is niet weggevlogen,” zei de rabbi. “Hij is alleen meegenomen.”
“Door wie?”
“Door de zes miljoen.”
“De zes miljoen?”
“De zes miljoen.”’

‘Wat is er van de Bronsky’s geworden toen de oorlog afgelopen was?’ vraagt Grünspan.
‘Dat weet ik niet,’ zeg ik, ‘maar ik kan me wel iets voorstellen.’ ‘Bijvoorbeeld?’
‘Dat ze naar Amerika geëmigreerd zijn!

De consul-generaal,’ zeg ik, ‘had Nathan Bronsky in 1939 geschreven dat hij en zijn familie ongeveer dertien jaar moesten wachten voor ze inreisvisa zouden krijgen.’
‘Tot 1952 dus?’
‘Precies.’
‘En hebben de Bronsky’s hun inreisvisa gekregen?’
‘Ja.’
‘In 1952?’
‘Inderdaad. In 1952.’
‘Vertel verder,’ zegt Grünspan.
‘Graag,’ zeg ik. ‘Als ik u niet verveel. De familie Bronsky is niet bijster interessant.’
‘Vertel,’ zegt Grünspan. ‘Vertel me hoe de Bronsky’s naar Amerika gegaan zijn.’

‘Dat ging zo,’ zeg ik. ‘Op een dag was het zover. Op een dag gingen de Bronsky’s naar Amerika. Met dertien jaar vertraging. Met geldige inreisvisa en ogen zonder glans.

Ze staan bij de reling: Nathan Bronsky, zijn vrouw en zijn zoon Jakob.
“Waarom gaan we eigenlijk naar Amerika?” zei Nathan Bronsky. “Nu alles immers voorbij is.”
“Ik weet het niet,” zei zijn vrouw.
“Toen we Amerika nodig hadden, waren de poorten gesloten.
Nu hebben we het niet meer nodig.”
“Klopt,” zei zijn vrouw.
“We zouden net zo goed weer terug kunnen gaan.”
“Klopt,” zei zijn vrouw.

Toen ze aankwamen, hing er een dichte mist boven de haven.
“Ik had graag het Vrijheidsbeeld gezien,” zei Nathan Bronsky.
“Ik ook,” zei zijn vrouw.
“Waarom heeft het Vrijheidsbeeld zich in de mist verstopt?”
“Ik weet het niet,” zei zijn vrouw.

De Bronsky’s werden afgehaald door een rijk familielid. Hij kwam met een Cadillac.
“Wat is er toch met jullie ogen?” vroeg het rijke familielid.
“Niets,” zei Nathan Bronsky. “Ze hebben hun glans verloren. Dat is alles.”

Het rijke familielid reed met hen naar Times Square en liet hun de rijen bioscopen zien, de ene na de andere; hij liet hun ook 44th Street met de grote theaters zien. Nathan Bronsky zag een zwarte Cadillac, die nog mooier was dan de Cadillac van het rijke familielid. De Cadillac stond voor een van de grote theaters. In de Cadillac zat een chauffeur in elegante livrei. Nathan Bronsky stootte zijn vrouw aan en wees naar de haveloze neger die achter de Cadillac stond te pissen. Hij vroeg aan het rijke familielid: “Is dat Amerika?”
“Ja,” zei het rijke familielid, “dat is Amerika.”

“Eigenlijk wilde ik het Vrijheidsbeeld zien,” zei Nathan Bronsky. “Het had zich daarnet in de mist voor ons verstopt.”
“Verstopt?”
“Verstopt!”
“Je zult het zo zien,” zei het rijke familielid.
“Rijden we erheen?”
“Ja, we rijden erheen.”

Toen Nathan Bronsky het Vrijheidsbeeld zag, liet hij er van schrik een vliegen, want hij dacht dat het de consul-generaal was.
“Wat is er, Nathan?” vroeg zijn vrouw.
“Dat is de consul-generaal!” zei Nathan Bronsky.
“De consul-generaal?”
“De consul-generaal!”
“Weet je het zeker?”
“Heel zeker.

Ik zou graag iets tegen de consul-generaal willen zeggen,” zei Nathan Bronsky. “Maar ik spreek geen Engels.”
“Je kent twee woorden,” zei zijn vrouw.
“Klopt,” zei Nathan Bronsky. “Ik ken twee woorden. Twee woorden Engels.”
“Laat de consul-generaal dan maar eens horen hoe goed je Engels is,” zei zijn vrouw.

Nathan Bronsky keek de consul-generaal recht in zijn gezicht. Daarbij dacht hij aan het jaar 1939 en aan de brief van de consulgeneraal die al zijn hoop de bodem had ingeslagen. Hij dacht ook aan de honderdduizenden mensen die, net als hij, in hun nood aan de poort van Amerika hadden geklopt, het grote land van de vrijheid dat hen niet wilde... destijds. En het flauwe smoesje van het quotumsysteem schoot hem te binnen. “Fuck America!” zei Nathan Bronsky tegen de consul-generaal. Hij zei het heel hard.
“Fuck America?” vroeg zijn rijke familielid.
“Fuck America!” zei Nathan Bronsky.’

© 1981 Edgar Hilsenrath, 2003 Dittrich Verlag
© 2013 Nederlandse vertaling Ambo|Anthos uitgevers en Elly Schippers

Uitgeverij Ambo|Anthos

MINDBOOKSATH : athenaeum