Leesfragment: Gloria in excelsis Deo

27 november 2015 , door Miek Smilde

Deze week verscheen van Miek Smilde Gloria in excelsis Deo, haar romandebuut. Wij brengen een uitgebreid fragment. ‘“Eén, twee, drie, vasthouden, vasthouden... en los.” Anna zakte meteen terug in de kussens. De volgende wee volgde te snel om zich overeind te hijsen, waardoor ze minder vat op de pijn kreeg en liggend de contractie moest versterken. Een fractie van een seconde verweet ze zichzelf opnieuw zwanger te zijn geraakt – tweeënveertig jaar oud nota bene, vijf gezonde kinderen, wat een idiotie om opnieuw deze pijn te ervaren – maar de persweeën zetten door en ze vergat haar overwegingen.’

Gloria in excelsis Deo beschrijft het gezin van de succesvolle advocate Anna de Hees-de Vreede dat begin jaren zeventig wordt geconfronteerd met de geboorte van de zwaargehandicapte Elke. Elke heeft het syndroom van Down. Anna worstelt met haar liefde voor haar jongste dochter en voelt zich schuldig over haar onvermogen om goed met het kind om te kunnen gaan. Haar man Maurits, gynaecoloog, ziet hoe zijn vrouw lijdt onder de zorg voor Elke, maar is niet goed in staat haar te helpen. Zowel Anna als Maurits vinden uiteindelijk op hun eigen manier steun bij hun goede vriend en collega-arts Paul Dixhoorn. Samen met hem neemt Maurits op goede vrijdag 1976 een ingrijpend besluit.

Dertig jaar later vraagt de op een na jongste dochter Mare van Hees zich af waarom zij geen herinneringen aan haar zusje Elke heeft. Worstelend met haar eigen identiteit in een tijdsgewricht waarin geluk iets is geworden dat je af kunt dwingen, gaat Mare op zoek naar het geheim dat haar ouders met zich meedragen.

Meer literaire debuten?

 

Anna

I

Omdat het haar zesde bevalling was in ruim elf jaar tijd, geloofde Anna niet dat ze lang in het ziekenhuis zou blijven. Flore had nog een middag geduurd, maar Tekla was in een paar uur geboren en na Mare was ze binnen twee uur weer thuis geweest. De oudere kinderen hadden slingers boven het bed gehangen: welkom thuis, mama en mare. Dat was nu drie jaar geleden.
Voorzichtig drukte ze haar rug in de harde matras en probeerde op haar zij te draaien. Haar buik kantelde zwaar naar links; ze moest hem met haar beide handen ondersteunen. De bevalling van Carice was zwaar geweest destijds. Eindeloze weeën, de ontsluiting die niet doorzette, het breken van haar vliezen, de druk op haar buik, de tangverlossing – ze had het veterinair gevonden. Alsof ze een koe was en er een kalf uit haar werd getrokken. Selma was makkelijker gegaan, hoewel ze het wat snel had gevonden, een tweede kind in dertien maanden. Haar lichaam had zich nauwelijks kunnen herstellen, de striae hadden zich diep in haar buik gebrand. Maurits zei dat hij het niet erg vond. Hij hield van een lichaam dat was getekend door het leven, zei hij.
Daarna had het twee jaar geduurd eer ze Flore had gekregen, en daarna weer twee jaar voordat Tekla kwam. Dat Mare zo lang op zich had laten wachten, had met de leeftijd te maken, verzekerde Maurits. ‘De vruchtbaarheid van vrouwen neemt na hun zesendertigste nou eenmaal af, lieverd.’ Zij was tweeënveertig. Maar haar vriendin Riet had nog een derde kind gekregen toen ze zesenveertig was, dus het kon wel. Het moest.
Ze wilde zo graag nog een baby. Een paar voetjes dat je in één hand kon vatten. Een eerste lach, het geschater als ze een wilde kus op het naakte lijfje drukte. De geur van pasgeboren baby’s. Ze verlangde ernaar zonder precies te begrijpen waarom; ze wilde bloeien, groeien, baren, zich binnenstebuiten keren; ze wilde leven om het leven zelf.
Ze voelde zich fantastisch als ze zwanger was, aanwezig en vol. ‘Oxytocine,’ zei Maurits. Zwanger, dacht Anna.

De weeën kwamen nu goed op gang. Om de vijf minuten verhardde haar buik en trok de pijngolf van haar maag naar haar onderbuik; ze voelde het kind naar beneden zakken en op de barmoedermond drukken. Ze pufte de pijn weg, haar ogen gesloten, een zuivere concentratie op haar lichaam en wat eruit moest. Als het een jongen was, zou het Nelson heten, Nelson Willem, naar hun beider vaders. Als het weer een meisje werd, zouden ze het Elke Elisabeth noemen, naar het oud-Hollandse wagenspel Elkerlyck dat Carice met Pasen op school had gespeeld. Carice, haar oudste dochter, was vernoemd naar haar patroon, Carice Emants, zonder wie Anna nooit de advocaat was geworden die ze was. Selma en Tekla waren familienamen waartegen niemand bezwaar kon hebben. Selma Louisa, Maurits’ moeder.Tekla Pauline, de dochters van oom Lammert en Anna’s volle nichten. Flore Thérèse was vernoemd naar Florence, de stad waar ze was verwekt, en naar Thérèse Wolf, die Anna als haar beste vriendin beschouwde. Haar enige vriendin, eigenlijk. De naam Mare had Anna bedacht. Zee, tijding en bitter kruid ineen, symbool van vruchtbaarheid en bescherming tegen onheil, en dan die lange klinker a, helder als in haar eigen naam. Maurits opperde als tweede naam Mathilde, een vernoeming naar haar moeder. Anna had Maria passender gevonden.

‘Heb je veel pijn?’
Maurits depte haar voorhoofd met een natte doek en pakte af en toe haar hand, die verkrampt op het laken lag. Ze schudde haar hoofd, voelde de spanning weer op haar buik en kreeg plotseling het gevoel te moeten poepen. Ze herkende het onmiddellijk. Haar lichaam herinnerde zich wat het hoofd was vergeten. De eerste contracties, de golfbeweging van pijn en verlossing, de versnelling van het baringstij, steeds feller, totdat er niets overbleef dan een onweerstaanbare drang om te poepen.
‘Je moet Paul roepen,’ fluisterde Anna, terwijl het zweet langs haar hals in de holte tussen haar borsten gutste. ‘Het komt eruit.’
Maurits stond haastig op; de kruk waarop hij zat viel om. Hij struikelde bijna over de ijzeren poten en trapte als een woedend kind de kruk met zijn linkervoet onder het bed. Anna moest lachen om de slapstick in deze van humor gespeende ruimte met haar naar was geurende vloer van linoleum, maar een nieuwe perswee benam haar de adem. Geroutineerd sloot ze haar ogen en pufte de wee weg. Niet te snel. Eenentwintig, tweeëntwintig. Seconden duurden langer dan een tel. Ze moest controle houden.
Maurits opende de deur van de kraamkamer en liep naar de zusterpost, die aan de andere kant van de gang lag.
‘Thea, kun je dokter Dixhoorn oppiepen? Het is zover. Het gaat snel.’
‘Dat gaat het met uw vrouw altijd,’ reageerde de zuster kalm, terwijl ze naar het einde van de gang wees, waar Paul Dixhoorn liep.
Maurits draaide een kwartslag en zag zijn oudere collega lopen, traag als altijd, een man zonder haast. Zijn witte jas hing open, achteloos bijna, en wapperde om zijn grote lichaam, dat daardoor nog groter leek. Hij zwaaide vanuit de verte, Maurits wenkte. ‘Kom.’ Paul versnelde zijn pas zonder te rennen, en Maurits zag hem met elke stap groter worden, totdat hij naast hem stond, zich vooroverboog en hem bij de schouders greep.
‘Is het zover?’
Maurits knikte. Hij trok zich los uit de greep, opende de deur van kraamkamer 3 en hoorde Anna’s zachte gekreun en korte luchtstoten. Tien keer puffen, daarna alle lucht in één lange tocht laten gaan. Diep inademen, als het kon nog door de neus. Aan niets anders denken. Ademen.
Een jonge verpleegster legde Anna’s benen op de baarkrukken en spreidde een schoon laken over haar onderlichaam. Paul waste zijn handen, pakte een stoel en ging tussen Anna’s benen zitten. Hij toucheerde de baarmoedermond en drukte zacht op haar buik. Hij knikte. ‘Bijna negen centimeter, Anna. Je moet het nog heel even volhouden.’
‘Ik moet persen.’
‘Nog even.’
Het zweet stroomde langs haar hele lichaam en doorweekte haar nachthemd. Donkere plekken tekenden zich af tussen en onder haar borsten, achter haar nek, onder haar oksels. Vroeger had ze nooit gezweet, ook niet toen ze nog roeide. Ze had nooit deodorant nodig gehad om haar geur te verbergen en kon makkelijk twee, drie dagen in hetzelfde shirt lopen zonder dat het ging ruiken. Sinds de kinderen waren geboren, gutste het vocht bij de minste of geringste inspanning uit alle gaten van haar lichaam. Ze durfde in de zomer nauwelijks op de fiets naar kantoor, bang dat ze zich bij aankomst meteen zou moeten verkleden. In de onderste lade van haar bureau had ze schoon ondergoed, een paar kousen en twee schone bloesjes gelegd, die ze in uiterste nood kon aantrekken, maar liever liep ze de twintig minuten naar het centrum van de stad, opdat ze niet buiten adem en bezweet haar secretaresse hoefde te begroeten. Bovendien waren twintig minuten net lang genoeg om het gezinslawaai uit haar oren te verdrijven en zich voor te bereiden op de kalme zakelijkheid van kantoor.Tijd vormde de belangrijkste brug tussen de levens die Anna leidde: het leven als advocaat-medewerker van Wolf Vegter & Toback Advocaten en het leven als moeder van het gezin Van Hees-deVreede.
Ze voelde een nieuwe wee opkomen en drukte zich met beide onderarmen op uit het kussen. Het onderlaken plakte tegen haar rug, het irriteerde haar. Maurits had de kruk onder het bed vandaan getrokken en was bij het hoofdeinde gaan zitten.Terwijl ze perste, masseerde hij met beide handen haar nek. Het was de vorige keer goed gegaan; ze herinnerde zich de bevalling van Mare als de makkelijkste en snelste. Paul luisterde naar het hart van de baby, dat snel maar regelmatig klopte.
‘Kom maar, Anna, het wil er wel uit.’ Voorzichtig duwde Anna zich verder omhoog. Ze steunde zwaar op haar ellebogen, zette haar kin op haar borst en trok haar buikspieren langzaam en geconcentreerd samen.
‘Eén, twee, drie, vasthouden, vasthouden... en los.’
Anna zakte meteen terug in de kussens. De volgende wee volgde te snel om zich overeind te hijsen, waardoor ze minder vat op de pijn kreeg en liggend de contractie moest versterken. Een fractie van een seconde verweet ze zichzelf opnieuw zwanger te zijn geraakt – tweeënveertig jaar oud nota bene, vijf gezonde kinderen, wat een idiotie om opnieuw deze pijn te ervaren – maar de persweeën zetten door en ze vergat haar overwegingen. Paul beval haar te duwen.
‘Eén, twee, drie.Vasthouden, vasthouden, Anna, vasthouden.’
Ze voelde het hoofdje staan. Nu nog één, misschien twee keer persen en het kind zou uit haar glijden en zij zou verlost zijn, geledigd uit haar volheid. Ze hapte naar adem, bracht haar kin opnieuw naar haar borst en sloot haar ogen.
‘Rustig, niet te hard. Voorzichtig, anders scheur je.’
Niet scheuren, dacht ze. Ik wil niet scheuren, zoals bij Selma.Toen was het veel te snel gegaan. Alles was bij Selma veel te snel gegaan. ‘Duwen, zachtjes, zachtjes,’ suste Paul, en ze duwde, zachtjes, totdat ze voelde dat het kind bewoog en hij het uit haar trok. Ze plofte terug in het kussen en bedwong de tranen die als vanzelfsprekend in haar ogen sprongen. Een wazig beeld van een schaar en een snelle beweging, maar ze zag niet wie de navelstreng doorknipte. Ze greep naar Maurits’ hand, maar kon hem niet vinden. Hij zat niet meer achter haar.
Anna richtte zich half op en keek naar de commode die tegen de muur recht voor haar bed stond. De verpleegster leek met handdoeken het kind droog te wrijven, maar omdat de mannen erbij stonden kon Anna het niet goed zien. Ze zag de grote rug van Paul, gebogen als altijd, het lot van een man van bijna twee meter. Paul, hun dierbare huisvriend, die hen al die jaren zo liefdevol had begeleid en die haar zo goed kende, beter dan ze zichzelf kende. Daarnaast stond, anderhalve kop kleiner, haar lieve, ruimhartige Maurits, de vader van haar kinderen, met wie ze ruim vijftien jaar getrouwd was en die haar koesterde en liefhad als geen ander. Ze voelde het elke dag als ze thuiskwam.
Anna viel terug in het kussen en keek naar het flikkerende tl-licht boven het bed, dat haar ogen even verblindde.Terwijl ze knipperde tegen de gele vlekken, trok er een intens geluksgevoel door haar heen. Ze zouden het wegen, het kind. Ze zouden de apgarscore registreren, en Anna verwachtte te horen dat het een tien was. Al haar kinderen scoorden tien op de apgar.

Terwijl ze naar het plafond keek en de lijnen volgde tussen de gipsen systeemplaten, realiseerde ze zich opeens dat het stil was in de kraamkamer. Ze wilde iets zeggen, iets roepen, maar de woorden kleefden in haar keel. Meteen daarna voelde ze een wee opkomen, alsof er nog een kind kwam. ‘Paul,’ kreunde ze. ‘Paul, help me.’
De dokter draaide zich om en kwam weer tussen haar benen zitten. Hij masseerde zwijgzaam haar buik en trok de moederkoek er in één beweging uit. Ze merkte dat het laatste water uit haar lekte en voelde zich bevrijd. Het kind was weg, net als de pijn en het intense geluksgevoel. Anna haalde diep adem. Het was voorbij.
Paul stond op, waste zijn handen en liep naar haar toe, terwijl hij zijn handen droogde aan een witte handdoek waarop het ziekenhuislogo was geborduurd. Een kroontje met daaronder een m en c in elkaar verweven, naar de initialen van prinses Marijke, die weliswaar al jaren Christina heette, maar wier naamsverandering het ziekenhuis ongemoeid had gelaten. Het Prinses Marijke-ziekenhuis in Arnhem had een naam hoog te houden in de regio.
Anna keek verwachtingsvol naar Paul, maar kon niets van zijn gezicht aflezen. Handenwrijvend bleef hij vlak naast haar bed staan en keek haar van boven aan, zijn blik strak gericht op haar ogen. Daarna glimlachte hij.
‘Weer een meisje. Goed gedaan, Anna.’
In de hoek van de kamer huilde het kind.

 

Copyright ©2013 Miek Smilde

Uitgeverij De Arbeiderspers

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum