Leesfragment: Handel in veren

27 november 2015 , door Rascha Peper

4 juni verschijnt Handel in veren, Rascha Pepers laatste roman. Wij publiceren voor. 'Het was niet ver, liet Meki Tura desgevraagd weten, maar ze hadden er net zo goed niet naar kunnen vragen. Ten eerste zeiden de mensen hier altijd wat je graag wilde horen en ten tweede was aan de soepele behendigheid waarmee de jager en de jongen, beiden op blote voeten, zich door de jungle bewogen af te lezen dat wat voor hén niet ver was voor stijve, onhandige Europeanen nog wel eens een flink eind zou kunnen zijn.'

Wendela logeert bij haar grootmoeder Minke, die getrouwd was met de inmiddels allang overleden ornitholoog Henk Bronkhorst. Halverwege de jaren vijftig ging hij op expeditie naar Nieuw-Guinea om te bewijzen dat het zeldzame Bruijns boshoen nog niet was uitgestorven. Terwijl we hem en zijn Papoea-begeleiders in hun spannende en hilarische zoektocht volgen, neemt Minke haar kleindochter in 2012 in vertrouwen over wat er zich in die jaren thuis in Nederland heeft afgespeeld. Is Wendela's vader wel de jongste zoon van haar en Henk? En wie is Rick uit New York? Op meesterlijke wijze ontsluiert Rascha Peper het familiegeheim.

N.B. Zie ook de uitgebreide fragmenten uit Pepers vorige en voorvorige romans, Vossenblond en Zwartwaterkoorts, op deze site.

 

Hoofdstuk 2

Henk
(Nieuw-Guinea, Vogelkop, 1956)

De vochtigheid vond Henk Bronkhorst erger dan de hitte. Niet alleen tikten aan alle kanten druppels van de bomen en klimplanten en moest je na iedere stap je schoenen uit het soppende slik trekken, maar de van zweet en water doordrenkte kleren en schoenen kreeg je ook niet meer droog. Er stond geen zuchtje wind en nergens was open gebied.
Na anderhalf uur stijgen door rottende en schimmelende vegetatie bracht de Ambonese bediende van de zendeling bij wie ze overnacht hadden – een lenige jongen in lendendoek die speciaal voor het ‘even meelopen’ een paar tot op de draad versleten hoge soldatenschoenen had aangetrokken – hen bij een pasanggrahan, waar hun gids vlakbij zou wonen. In de hut, onder het breed afhangende dak van palmbladeren, waren Papoea-vrouwen in de weer rond een houtvuur, waarvan de rook uit een gat in het dak opsteeg. De Ambonees riep iets naar hen, waarop twee jonge vrouwen verlegen lachend aan de rand van de hoge plankenvloer kwamen staan, terwijl een tiental kinderen tussen de palen onder de vloer opdook en de vreemdelingen binnen een mum van tijd omringde.
Ze namen uitvoerig alle begroetingsrituelen in acht. Voor zulke gelegenheden had Bronkhorsts jonge collega Rijk zijn broekzak vol karamels, die hij meteen begon uit te delen. Deze kinderen hadden echter nog zelden of nooit blanken gezien en wisten niet wat snoepjes waren; ze pakten ze wel aan, maar stonden ze onwennig rond te draaien, alsof de knisperende pakketjes in hun hand plotseling zouden kunnen wegvliegen als kevers. Pas toen Rijk demonstratief een papiertje openmaakte en de uitgeklede karamel in zijn mond stak, kregen ze het door en barstte er een opgewonden, smakkend gegiechel los.
Het ontging Henk niet dat zowel de vrouwen en kinderen als de mannen die snel kwamen aanlopen, onderzoekender, wantrouwiger zo je wilde, naar hém dan naar Rijk keken, zoals overal waar ze kwamen. Rijks blonde, sproetige gezicht – de vrouw van de zendeling had hem gisteren een Papoea in negatief genoemd – had blijkbaar iets universeel vertrouwenwekkends en ontwapenends, en de lach zat rond zijn mond gebakken, terwijl Henk zelf altijd moeite had met lachen. Als hij zich forceerde om het te doen, voelde hij zich bête en huichelachtig, een sociale onhandigheid die hem van jongs af nu eenmaal aankleefde.
De Ambonees praatte nog even met een paar mannen en nam toen afscheid. Ze gingen op de weldadig droge grasdeken in de hut zitten, sloegen met veel plichtplegingen de aangeboden sirihnootjes af en namen met evenveel egards een kalebas vol water en een sagokoek aan. Van onder de vloer klonk het geknor en gewroet van varkens; door de kieren steeg een mest- en pislucht op die zich met neergeslagen rook vermengde, alsof je boven een in brand gevlogen stal zat. Het wachten was op de jager die hen verder de berg op zou brengen. Rijk trok een Hollandse boerenzakdoek tevoorschijn en veegde zijn gezicht af.
‘Ik snap echt niet dat u die baard niet afscheert, doctor Bronkhorst,’ zei hij. ‘Ik moet er niet aan denken om bij deze hitte ook nog eens met een baal wol aan mijn kin te lopen.’
In dit soort impertinenties excelleerde zijn assistent, maar Henk wilde er geen aanstoot aan nemen, hoogstens voelde hij zich even betrapt bij het krabben in zijn jeukende baard en trof hem de overeenkomst met wat zijn vrouw voor zijn vertrek gezegd had pijnlijk. De generatie die na de oorlog had gestudeerd was vrijer in de omgang en zag geen kwaad in een jovialiteit die hijzelf als misplaatst ervoer. Met respect voor een oudere, gepromoveerde vakgenoot, ook al was die pas eenenveertig, moest je tegenwoordig niet meer aankomen, en Rijk was een onvermoeibare, enthousiaste reisgezel over wie hij verder niets te klagen had.
‘Ik heb hem vorige week juist kortgeknipt,’ zei hij.
‘Jawel, maar waarom er niet helemaal af?’
Waarom moet je in alles op je vader lijken, had Minke er nogal agressief aan toegevoegd. Maar hij leek helemaal niet in alles op zijn vader. Die had hem de kant van de wis- en natuurkunde op willen sturen, de kant van de theorie en het binnen zitten aan een massief eiken bureau in een studeerkamer, waar het meisje een kop thee met een Weesper mop kwam brengen; híj was een man van de praktijk geworden, van de levende natuur en daar de mooiste voortbrengselen weer van, de vogels, waarvoor niemand in zijn familie ooit belangstelling had getoond. Zijn leven was niet met dat van zijn vader te vergelijken, Minke zwatelde maar wat.
‘Blijkbaar ben ik eraan gehecht,’ zei hij kortaf. Op dat moment zwenkte er een nachtvlinder zo groot als een mus om hen heen en viel bijna in zijn kalebas. Het dier zou wel in het bladerdak verscholen gezeten hebben en werd nu uitgerookt. Henk probeerde hem te vangen, maar de reuzenmot fladderde al naar buiten. Jammer, hij had er zo een nog nooit van dichtbij gezien en zou hem graag beter bekeken hebben.
Er sprong een meisje met een zogend kind aan de borst op de planken vloer. Ze bleef naar hen staan staren.
‘Hello,’ zei Rijk, in plaats van de Maleise groet, die ze hier wel niet zouden begrijpen, maar ‘hello’ was in elk geval consequent voor Belanda’s.
Het meisje legde haar hand beschermend om het babyhoofdje en sloeg dubbel van het lachen.
‘Hello, how are you?’ vroeg Rijk.
Ze verdween, maar kwam even later terug en zei flemend: ‘Hello.’
Een oude vrouw kwam haar wegduwen, maar van een afstandje bleef ze staan gluren.
‘Hoe oud is zo’n kind nu?’ vroeg Rijk. ‘Een jaar of dertien, veertien?’
Henk volgde even zijn blik, maar wilde niet te lang naar de jonge moeder kijken. De opgezwollen borsten boven haar rieten rok – langs de mem die de baby net losgelaten had droop een spoor melk tot aan haar middel toe – vond hij obsceen. De oude vrouw had haar niet voor niets opzij geduwd daarnet, onder de blikken van twee vreemden vandaan.
‘Zeker niet ouder, dunkt me.’
De zendeling had hun gisteren verteld dat de kindersterfte hier vijftig procent was en de kraamvrouwensterfte eveneens schrikbarend. De zending zag het als een van haar taken de vrouwen medische voorlichting te geven en de mannelijke inboorlingen ervan te overtuigen dat meisjes niet verkracht moesten worden zodra ze geslachtsrijp waren. Het interesseerde hem weinig. Zo’n natuurvolk had zijn eigen wetten en gewoonten, waar je als westerling toch niets van begreep. En voor de Papoea’s was hij hier niet.
Omstuwd door andere mannen kwam hun gids, die Meki Tura heette, de pasanggrahan in en ze stonden op om hem te begroeten. Meki Tura was een tanig, schriel mannetje met de kenmerkend scherpe haakneus die veel mannen hier hadden, maar zonder bot erin. De haardos boven zijn felle kop zat vol strootjes en blaadjes. Hij droeg een lange peniskoker waarvan de punt met een touw om zijn middel was geknoopt, en verder alleen een leren armband met een mes erin gestoken. Hij lachte hen toe met een brede grijns en begon een verhaal met veel gesticulaties en wijzen in de verte, waar ze weinig van snapten maar waaruit ze opmaakten dat er maar het best direct vertrokken kon worden. Niets liever dan dat. Er ging ook een jongeman van een jaar of achttien mee, die een bundel van zacht geklopt blad bij zich droeg en wiens nederige rang in de groep gekenmerkt werd door een peniskoker van een kleine kalebas die in een krul tegen zijn buik stond.

Het was niet ver, liet Meki Tura desgevraagd weten, maar ze hadden er net zo goed niet naar kunnen vragen. Ten eerste zeiden de mensen hier altijd wat je graag wilde horen en ten tweede was aan de soepele behendigheid waarmee de jager en de jongen, beiden op blote voeten, zich door de jungle bewogen af te lezen dat wat voor hén niet ver was voor stijve, onhandige Europeanen nog wel eens een flink eind zou kunnen zijn. Maar dat was allemaal niet erg, als deze Meki Tura inderdaad een broedhoop van het boshoen gezien had waarvan plaatjes verspreid waren. Ook dat was nauwelijks op te maken geweest uit de berichten van de zendeling, bij wie de gids zich had gemeld.
Een groot stuk van de route die ze nu aflegden bestond uit een ooit door de Amerikanen aangelegde weg, die zelfs voor een gedeelte geasfalteerd geweest moest zijn, maar waarop het oerwoud zijn rechten had hernomen. Van asfalt was amper meer iets te bespeuren, dat was allang overwoekerd en door wortels omhooggeduwd, maar hele plakken ervan waren door snelgroeiende boomscheuten en lianenstelsels ingekapseld en mee omhoog genomen. Rijk vond het hilarisch om die resten goedbedoelde westerse beschaving zo boven hun hoofd te zien hangen en wilde er foto’s van maken, maar dat gaf allemaal maar oponthoud en het fotorolletje moest voor straks gespaard blijven, dus Henk spoorde hem tot doorlopen aan.
Na een uur verlieten ze het Amerikaanse spoor en moest er tegen een flauwe helling op gelopen worden. De jongen ging voorop, voor zich zag Henk de vleesloze, zwarte billen van Meki Tura met het touw van de peniskoker door de bilnaad en zijn pezige benen die van hielen tot knieën met grijzige schubben bedekt waren. Achter zich hoorde hij Rijk zuchten en puffen. Zelf was hij ook uitgeput, maar daar liet hij niets van merken.
‘Spaar je water!’ kon hij niet laten achterom te zeggen, toen hij zijn assistent keer op keer de dop op zijn fles hoorde schroeven. Die jongen dacht zeker dat ze op weg waren naar een hotel met badkamer. In elk geval werd, hoe verder ze het dal uit klommen, de omgeving droger en de bodem minder drassig, totdat de dichte regenwoudbegroeiing zo dun was geworden dat door de bomen heen de bergen zichtbaar werden. Ze passeerden twee verlaten kampongs. Een kampong werd hier al snel in de steek gelaten; als de bewoners te veel last van mieren, ratten en wandluizen kregen, trokken ze weg en bouwden een eind verderop een nieuwe, simple comme bonjour.
Een stukje klauterden ze langs een spleet waarin een snelstromende kali verleidelijk bruiste en waarheen ze graag afgedaald waren, maar er viel zo slecht bij te komen dat alleen de jonge Papoea zich, slinks als een leguaan, langs de kant liet afglijden om hun flessen te vullen. Ze zagen hem op zijn handen steunend en diagonaal hangend als een dier drinken en weer naar boven komen. Toen Henk zijn fles aangereikt kreeg en van het frisse water dronk, permitteerde hij zich zelfs er een handvol van over zijn gezicht te halen.
‘Toe maar!’ riep Rijk brutaal en de Papoea’s lachten alsof ze het verstonden.
Verder ging het weer, over geaccidenteerd terrein met hier en daar kale plekken, totdat Meki Tura nog vrij onverwachts door de bomen heen wees.
Daar lag de broedhoop.

[...]

Copyright © 2013 Rascha Peper
Auteursportret copyright © Merlijn Doomernik

Uitgeverij Querido

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum