Leesfragment: Het fantoom van Alexander Wolf

27 november 2015 , door Gajto Gazdanov

13 september verschijnt Gajto Gazdanovs moderne klassieker Het fantoom van Alexander Wolf, vertaald uit het Russisch door Yolanda Bloemen, met een nawoord van Rosemarie Tietze. 'Samen met haar stortte ik in een zachte en – want ik had mijn ogen dicht – donkere ruimte, maar ik slaagde erin mijn voet uit de stijgbeugel los te maken en bezeerde me bij het vallen nauwelijks. Een kogel had mijn paard in het rechteroog getroffen en haar hoofd doorboord. Toen ik was opgekrabbeld draaide ik me om en zag dat niet ver van me vandaan, in een zware en naar mijn idee trage galop, een ruiter naderde op een enorm wit paard.'

65 jaar na het verschijnen van het origineel in het Russische literaire tijdschrift The New Review in New York 1947/48, kunnen wij dit 'vergeten meesterwerk van de wereldliteratuur' (Die Zeit) eindelijk in vertaling lezen.

'Russen waardeerden de romans van de balling Gajto Gazdanov gedurende enige tijd meer dan die van Nabokov, vooral het in 1947 verschenen Het fantoom van Alexander Wolf. Terecht: wie dit boek leest, houdt daarna van het leven dat we leven, zelfs méér dan ervoor.' - Maxim Biller.

De herontdekking van Gajto Gazdanovs meesterwerk is, net als de herontdekking van Hans Fallada's Alleen in Berlijn en John Williams Stoner een internationaal fenomeen. Vertalingen van Het fantoom van Alexander Wolf verschijnen nu onder andere in Duitsland (Hanser), Engeland (Pushkin Press) Frankrijk en Israël.

Meer over het avontuurlijke leven van de auteur, over de roman en zijn achtergronden vindt u in de speciale Gazdanov-brochure.

 

Van al mijn herinneringen, van die eindeloze reeks ervaringen uit mijn leven, is de pijnlijkste de herinnering aan de enige moord die ik heb begaan. Sinds het moment dat die plaatsvond, kan ik me geen dag heugen dat ik er geen spijt over heb gevoeld. Ik ben nooit bang geweest dat ik ervoor gestraft zou worden, aangezien dit alles zich onder zeer uitzonderlijke omstandigheden had afgespeeld en het geen twijfel leed dat ik niet anders had kunnen handelen. Bovendien was er niemand, behalve ikzelf, die er weet van had. Het was een van die talloze voorvallen uit de burgeroorlog geweest; in de loop van de gebeurtenissen van toen kon dit gezien worden als een onbetekenend detail, te meer daar tijdens die luttele minuten en seconden die aan dit voorval voorafgingen de afloop ervan alleen ons beiden interesseerde – mij en die andere persoon, die ik niet kende. Daarna was ik alleen. Niemand anders had er deel aan gehad.
Ik zou niet precies kunnen beschrijven wat er daarvoor gebeurd was, want alles speelde zich af binnen die vage en bedrieglijke contouren die karakteristiek zijn voor haast iedere strijd tijdens iedere oorlog, waarvan de deelnemers zich geenszins realiseren wat er in werkelijkheid gebeurt. Het was zomer, in het zuiden van Rusland; al vier dagen en nachten waren ononderbroken en wanordelijke troepenverplaatsingen aan de gang die vergezeld gingen van beschietingen en gevechten op wisselende locaties. Elk besef van tijd was ik kwijt en ik zou zelfs niet kunnen zeggen waar ik me op dat moment precies bevond. Ik herinner me alleen de sensaties die ik op dat moment ervoer en die ik ook onder andere omstandigheden had kunnen ervaren – een gevoel van honger, van dorst en van een verschrikkelijke vermoeidheid; al meer dan twee etmalen had ik niet geslapen. Het was vreselijk warm, in de lucht kringelde een steeds flauwer wordende geur van rook; een uur daarvoor hadden we een bos achter ons gelaten dat aan één zijde in brand stond; daar waar het zonlicht niet binnendrong kroop langzaam een reusachtige vaalgele schaduw voort. Ik was doodmoe en wilde niets anders dan slapen, op dat moment kon ik me geen groter geluk voorstellen dan daar te blijven, op het verzengde gras te gaan liggen, terstond in slaap te vallen en alles om me heen volkomen te vergeten. Maar daar was geen denken aan en ik liep verder door die hete en slaperige nevel, slikte af en toe mijn speeksel weg en wreef van tijd tot tijd in mijn door slapeloosheid en hitte geïrriteerde ogen. Ik weet nog dat ik toen we door een klein bosje liepen een kort moment – zo dacht ik zelf – tegen een boom leunde en staande insliep, onder het geluid van de schoten waaraan ik al lang gewend was geraakt. Toen ik mijn ogen open deed was er niemand in de buurt. Ik doorkruiste het bosje en liep verder over een weg, in de richting waarin, naar ik aannam, mijn kameraden waren voortgegaan. Vlak daarna werd ik ingehaald door een kozak op een snel roodbruin paard, hij zwaaide naar me en riep iets onverstaanbaars. Even later had ik het geluk dat ik een magere zwarte merrie aantrof, van wie de bezitter kennelijk gedood was. Ze droeg een kozakkenzadel en -teugels; ze at gras en sloeg voortdurend met haar lange, schrale staart. Toen ik was opgestegen, zette ze onmiddellijk een gezwinde galop in.
Ik reed over een verlaten, slingerende weg; hier en daar waren kleine bosschages die me het zicht op enkele krommingen in de weg ontnamen. De zon stond hoog, de lucht gonsde haast van de hitte. Ofschoon ik snel voortreed heb ik ten onrechte de herinnering bewaard dat alles heel langzaam ging. Nog altijd snakte ik ernaar te slapen, mijn lichaam en mijn bewustzijn waren doortrokken van die wens en daardoor leek alles ondraaglijk lang te duren, hoewel dat in werkelijkheid natuurlijk niet zo geweest kan zijn. Gevochten werd er niet meer, het was stil; voor noch achter me was iemand te zien. En toen, in een bocht in de weg, die op die plek bijna een rechte hoek vormde, zeeg van het ene moment op het andere mijn paard in volle galop neer. Samen met haar stortte ik in een zachte en – want ik had mijn ogen dicht – donkere ruimte, maar ik slaagde erin mijn voet uit de stijgbeugel los te maken en bezeerde me bij het vallen nauwelijks. Een kogel had mijn paard in het rechteroog getroffen en haar hoofd doorboord. Toen ik was opgekrabbeld draaide ik me om en zag dat niet ver van me vandaan, in een zware en naar mijn idee trage galop, een ruiter naderde op een enorm wit paard. Ik herinner me dat ik allang geen geweer meer had, waarschijnlijk had ik het laten liggen in het bosje nadat ik in slaap was gevallen. Maar ik had nog een pistool dat ik met enige moeite uit de nieuwe, strakke holster trok. Met dit ding in mijn handen bleef ik een paar tellen staan; het was zo stil dat ik heel duidelijk het droge snikken van de hoeven op de door de hitte opengebarsten aarde hoorde, de zware ademhaling van het paard en nog een geluid, dat klonk als het snel heen en weer schudden van een bundeltje metalen ringen. Daarna zag ik dat de ruiter zijn teugels losliet en zijn geweer, dat naar achteren had gehangen, naar zijn schouder schoof. Op dat moment schoot ik. Hij maakte in zijn zadel een schokkerige beweging, zakte eruit en viel langzaam op de grond. Een minuut of twee, drie bleef ik onbeweeglijk staan waar ik stond, naast het kadaver van mijn paard. Ik was nog steeds overmand door slaap en voelde nog steeds diezelfde loden vermoeidheid. Maar de gedachte drong zich op dat ik niet wist wat me te wachten stond en hoe lang ik nog te leven had – en de onstuitbare wens om te zien wie ik had gedood bracht me ertoe me in beweging te zetten en naar hem toe te lopen. Nooit heb ik ergens een afstand met zoveel moeite afgelegd als deze vijftig of zestig meter die me scheidden van de gevallen ruiter; maar ik legde ze af, voetje voor voetje over de opengebarsten hete aarde. Uiteindelijk stond ik vlak bij hem. Het was een man van een jaar of twee-, drieëntwintig; zijn muts was afgegleden, zijn blonde hoofd lag, opzij gedraaid, op de stoffige weg. Hij was tamelijk knap om te zien. Ik boog me over hem heen en zag dat hij stervende was; roze schuimblazen vormden zich tussen zijn lippen en sprongen uiteen. Hij opende zijn troebele ogen, zei niets en sloot ze weer. Ik stond over hem heen en keek naar zijn gezicht, terwijl ik het nu overbodige pistool in mijn verstijfde vingers geklemd hield. Plotsklaps droeg een lichte warme windvlaag uit de verte het nauwelijks hoorbare getrappel van een stel paarden naar me toe. Ik werd me ervan bewust dat er wellicht gevaar dreigde. Het witte paard van de stervende stond, met de oren argwanend gespitst, op een paar passen van hem vandaan. Het was een enorme hengst, schoon en goed verzorgd, zijn rug enigszins donker door het zweet. Hij beschikte over uitzonderlijk veel vurigheid en uithoudingsvermogen; een paar dagen voordat ik Rusland verliet verkocht ik hem aan een Duitse kolonist, die me van een grote hoeveelheid proviand voorzag en me een aanzienlijke som volstrekt waardeloos geld betaalde. Het pistool waarmee ik had geschoten – het was een prachtige parabellum – wierp ik in de zee, en er restte me van dit alles niets dan de kwellende herinnering die mij langzaam overal volgde waarheen het lot mij bracht. Hoe meer tijd er echter verstreek, hoe meer ze verbleekte, totdat ze uiteindelijk haar oorspronkelijke karakter van onherstelbare en brandende spijt vrijwel verloren had. Vergeten kon ik dit alles echter nooit. Menigmaal – of het nu zomer was of winter, aan de oever van de zee of diep in het vasteland van Europa – wanneer ik zonder ergens aan te denken mijn ogen sloot, kwam ineens, uit het diepst van mijn geheugen die hete dag in het zuiden van Rusland weer naar boven en al mijn sensaties van toen keerden met dezelfde hevigheid terug. Ik zag weer die gigantische grauwroze schaduw van de brand in het bos en hoe die traag voortschreed, begeleid door het knakken van brandende takken en twijgen, ik voelde die onvergetelijke, kwellende vermoeidheid en het haast onbedwingbare verlangen om te slapen, de onbarmhartige schittering van de zon en ten slotte in de vingers van mijn rechterhand de woordeloze herinnering aan de zwaarte van het pistool, de sensatie van de ruige kolf, die zijn afdruk als het ware voor altijd op mijn huid heeft nagelaten, het lichte heen en weer bewegen van de zwarte korrel voor mijn rechteroog – en daarna dat blonde hoofd op de grauwe, stoffige weg en het gezicht, veranderd door de nadering van de dood, die dood die ik, ja ik, een moment tevoren uit de onbekende toekomst had opgeroepen.
In de tijd dat dit gebeurde was ik zestien jaar – en aldus markeerde die moord het begin van mijn zelfstandige leven en ik ben er zelfs niet zeker van of hij niet een stempel heeft gedrukt op alles wat mij daarna beschoren was te ervaren en te zien. Hoe het ook zij, de omstandigheden waaronder hij had plaatsgevonden en alles wat ermee verbonden was – dat alles kwam jaren later in Parijs met buitengewone helderheid weer naar boven. Dat gebeurde omdat ik een bundel verhalen in handen kreeg van een Engelse schrijver wiens naam ik nooit eerder had gehoord. De bundel heette Ik kom morgen – I’ll Come Tomorrow, naar het eerste verhaal. De andere twee waren ‘Goudvis’ en ‘Het avontuur in de steppe’. Het was heel goed geschreven, vooral opmerkelijk waren het soepele en vlekkeloze ritme van de vertelling en de originele, zeer ongebruikelijke kijk op de dingen. Maar noch ‘Ik kom morgen’, noch ‘Goudvis’ wist een meer specifieke belangstelling bij me te wekken dan voor een willekeurige lezer natuurlijk was. ‘Ik kom morgen’ was een ironisch verhaal over een ontrouwe vrouw, over haar onfortuinlijke leugen en over de misverstanden die daaruit voortvloeiden. ‘Goudvis’ – de plaats van handeling was New York – was in wezen een dialoog tussen een man en een vrouw en de beschrijving van een bepaalde melodie: het dienstmeisje had vergeten een klein aquarium van de centrale verwarming af te halen, de visjes waren uit het heet geworden water gesprongen en spartelden stervend op het tapijt zonder dat de beide gesprekspartners in de dialoog dit opmerkten, omdat zij bezig was met pianospelen, en hij met het luisteren naar haar spel. Het interessante van het verhaal lag in de introductie van de melodie die een sentimenteel en onweerlegbaar commentaar vormde, waarvan de op het tapijt spartelende goudvissen tegen wil en dank deel uitmaakten.
Wat mij echter frappeerde was het derde verhaal: ‘Het avontuur in de steppe’. Als motto stond er een regel van Edgar Allan Poe boven: ‘Beneath me lay my corpse with the arrow in my temple.’ Dat alleen al was genoeg om mijn aandacht te trekken. Maar ik kan niet weergeven wat voor gevoel bezit van me nam toen ik verder las. Het was een verhaal over een oorlogsepisode; het was geschreven zonder dat iets vermeld werd over het land waarin het zich afspeelde of over de nationaliteit van de personages die erin voorkwamen, hoewel alleen al de titel ‘Het avontuur in de steppe’ erop leek te wijzen dat het wel in Rusland moest zijn. Het begon zo: ‘Het beste paard dat ik ooit heb bezeten was een witte hengst, een halfbloed, enorm groot en met een bijzonder imposante en brede draf. Hij was zo mooi dat ik hem liefst vergeleken zou hebben met de paarden waarvan in de Apocalyps sprake is. Die overeenkomst werd bovendien – voor mij persoonlijk – nog eens extra onderstreept door het feit dat ik juist op dit paard mijn eigen dood tegemoet galoppeerde, over gloeiend hete aarde, in een van de heetste zomers die ik in mijn hele leven heb meegemaakt.’
Ik vond daar een exacte reconstructie van alles wat ik in die vervlogen tijden van de burgeroorlog in Rusland had meegemaakt, evenals een beschrijving van de ondraaglijk hete dagen waarop de meest langdurige en hevige gevechten hadden plaatsgevonden. Ik kwam uiteindelijk bij de laatste bladzijden van het verhaal; ik las ze haast met ingehouden adem. Daar herkende ik mijn zwarte merrie en de kromming in de weg waarin zij gedood werd. De man, vanuit wiens perspectief het verhaal werd verteld, was er aanvankelijk van overtuigd dat de ruiter die samen met het paard gevallen was, op zijn minst zwaar gewond was geraakt, want hij had tweemaal geschoten en hij dacht dat beide schoten raak waren geweest. Ik begrijp niet waarom ik maar één schot had opgemerkt. ‘Maar hij was niet dood, en hij was kennelijk zelfs niet gewond geraakt,’ vervolgde de schrijver, ‘want ik zag dat hij weer opkrabbelde; in het heldere zonlicht dacht ik de donkere glans van een pistool in zijn hand te zien. Hij had geen geweer, daar ben ik zeker van.’
De witte hengst had zijn zware galop vervolgd en naderde de plek waar, met een onbegrijpelijke onbeweeglijkheid, naar de auteur schreef, misschien door angst verlamd, de man stond, met het pistool in zijn hand. Daarna had de schrijver zijn voortjagende paard ingehouden en had hij zijn geweer naar zijn schouder geschoven, maar ineens had hij, zonder dat hij een schot had gehoord, een dodelijke pijn gevoeld – waar precies wist hij niet – en een brandende duisternis in zijn ogen. Even later was zijn bewustzijn voor een enkel kort en verkrampt ogenblik teruggekeerd en hoorde hij langzame stappen die naderbij kwamen, maar vervolgens was alles opnieuw weggezonken in het grote niets. Nog even later, toen hij zich reeds bijna in het delirium bevond dat voorafgaat aan de dood, voelde hij, op onverklaarbare wijze, dat er iemand over hem heen gebogen stond.
‘Ik leverde een bovenmenselijke inspanning om mijn ogen te openen en uiteindelijk mijn dood te zien. Zo vele malen had ik zijn vreselijke, ijzeren gelaat in mijn dromen gezien, dat ik me niet zou kunnen vergissen, ik zou die gelaatstrekken die me tot in de kleinste bijzonderheden vertrouwd waren, altijd herkennen. Maar nu zag ik tot mijn verbazing boven mij een jongensachtig, bleek gezicht, dat mij volslagen vreemd was, met ondoorgrondelijke en, zo kwam mij voor, slaperige ogen. Het was een jongen van misschien een jaar of veertien, vijftien, met een doodgewoon, niet erg aantrekkelijk voorkomen, van wie niets anders uitging dan een overduidelijke vermoeidheid. Hij bleef een paar tellen zo staan, daarna stak hij zijn pistool in de holster en liep weg. Toen ik mijn ogen opnieuw opendeed en in een laatste krachtsinspanning mijn hoofd draaide, zag ik hem op mijn hengst zitten. Vervolgens verloor ik wederom het bewustzijn en pas vele dagen later kwam ik weer bij, in het ziekenhuis. De kogel had mijn borst een halve centimeter boven het hart doorboord. Mijn apocalyptische ros had mij niet geheel tot aan de dood weten te voeren. Maar de weg daarheen was nog maar kort, denk ik, en hij had die weg vervolgd, zij het met een andere ruiter op zijn rug. Ik zou er veel voor geven om te kunnen achterhalen waar, wanneer en hoe zij beiden de dood in de ogen hebben gezien en of die jongen zijn pistool nog heeft benut om op zijn fantoom te schieten. Ik denk overigens niet dat hij goed kon schieten, daar zag hij niet naar uit; dat hij mij geraakt heeft, was waarschijnlijk toevallig, maar ik zou natuurlijk wel de laatste zijn om hem dat te verwijten. En vooral ook niet omdat ik denk dat hij al lang en breed is omgekomen en het aardse bestaan heeft verlaten, rijdend op die witte hengst – als laatste visioen van dit avontuur in de steppe.’

Nederlandse vertaling © 2013 Yolanda Bloemen, Uitgeverij Cossee en Lebowski Publishers
Nawoord © 2012 Rosemarie Tietze
Vertaling nawoord © 2013 Gerda Meijerink, Uitgeverij Cossee en Lebowski Publishers

Utgeverij Cossee

Uitgeverij Lebowski

MINDBOOKSATH : athenaeum