Leesfragment: Het geluid van bananen

28 november 2013 , door Ece Temelkuran
| | |

Vandaag verschijnt Het geluid van bananen (Muz sesleri, vertaling Margreet Dorleijn), door writer in residence Ece Temelkuran. Een uitgebreid fragment: 'Het ergerde hem dat hij dankzij die Amerikaanse onnozele gans zo vroeg in de morgen weer naar de frontlinies van de burgeroorlog was teruggekeerd. En zoals altijd wanneer hij zich ergerde, begon hij aan zijn wenkbrauwen te frunniken. Hij kon de geur van toen weer ruiken. Vuil en angst, metaal en vocht... Maar hij realiseerde zich dat de stank die hij nu rook afkomstig was van de vuilnisbelt van Karantina in Noord-Beiroet, en kalmeerde wat.' 

 

Op het dakterras van een flatgebouw in Oost-Beiroet staat een Filippijns dienstmeisje te huilen. De conciërge die haar vanaf de overkant van de straat bespiedt, vraagt zich gebiologeerd af of ze nou spleetogen heeft of niet... Die heeft ze niet, ze heeft Palestijnse ogen. Hoe kan dat? En waarom huilt ze? Welke antwoorden komt ze zoeken in Beiroet?

In het deftige Oxford worstelt de Turkse promovenda Deniz met haar proefschrift, haar relatie en zichzelf. Na stevige kritiek van haar promotor beseft ze dat ze zich te veel afzijdig heeft gehouden van haar onderwerp: het Midden-Oosten. En dus gaat ze op weg naar waar het allemaal gebeurt: Beiroet.

Beiroet zal beide jonge vrouwen een plaats geven in haar geteisterde midden. Daar waar de politieke en religieuze facties niet te tellen zijn, alle talen van de wereld worden gesproken, en eenieder zijn eigen pijn en zijn eigen verhaal meesleept, juist daar doorstaat de liefde de moeilijkste omstandigheden. Ook Filipina en Deniz zullen er hun eigen verhaal leren schrijven. Een verhaal over identiteit, politiek en liefde.

'Een onvergetelijk verhaal over onvermoede liefdes in een broeierig en verscheurd Beiroet. Dit is wereldliteratuur!' - Murat Isik, auteur van Verloren grond

'Ece Temelkuran heeft zo veel ogen dat ze de wereld kan bezien vanaf bijna tienduizend verschillende plaatsen. Daarom is Het geluid van bananen een unieke roman.' - Sabit Fikir

De Turkse journalist en schrijfster Ece Temelkuran is writer in residence in het appartement boven Athenaeum Nieuwscentrum aan het Spui.

 

7

De inwoners van Beiroet die die zondagmorgen al wakker genoeg waren om aan ontbijt te denken, zagen vast een stuk kunafa voor zich: zo’n heerlijk zoet ding van twee laagjes griesmeelgebak met romige halloumi ertussen, en dat geheel in een wit hamburgerbroodje – iets wat in landen waar deze lekkernij alleen als dessert wordt gegeten merkwaardig wordt gevonden. Maar Djan, die uit een raam op de eerste verdieping van het flatgebouw aan de steile Jetawistraat hing, had de smerige smaak van sigaretten in zijn mond, en hij was dusdanig uit zijn humeur dat hij niet taalde naar een lekker ontbijt.
Hij had geen puf om mevrouw Zeynab te gaan zeggen dat meneer Hadi weggelopen was. Gehuld in zijn Calvin Kleinondergoed hing hij uit het raam. Zodra hij zijn eerste sigaret had uitgemaakt, stak hij een tweede op, terwijl hij naarstig zijn geheugen afspeurde naar de naam van de naakte vrouw in zijn bed. Hij wist nog wel dat ze een Amerikaanse journaliste was, een van de vele die hier waren gekomen voor het ‘Hezbollahtje-kijken’, een vorm van toerisme die onlangs door buitenlandse journalisten in Beiroet was geïnitieerd. Hij wist ook nog dat ze in Café de Prague met hem had aangepapt omdat ze hem wilde uithoren over zijn herinneringen aan de Kataeb. Dat ze zichzelf had laten vollopen met morellenarak was hem ook bijgebleven, maar haar naam? Nee, die had hij niet geregistreerd. Hij blies rook uit zijn neus en glimlachte vreugdeloos.
Shu bitkillak? Dat deze vraag, die hij tijdens de oorlog tientallen keren had gehoord, nu voortdurend door zijn hoofd speelde, kwam vast doordat hij de hele nacht over de burgeroorlog had zitten vertellen. En dat terwijl hij feitelijk geen enkele relatie had met de meisjes die hij in de jaren ’80 meenam van Oost- naar West-Beiroet, meisjes die van top tot teen werden gemonsterd door de militairen op de controleposten. Om uit te vinden of er wat met die meisjes te beginnen viel, vroegen die steevast: ‘Wat is zij van jou? Wat moet je met haar?’
‘Ik ga extra veel met vrouwen naar bed om niet aan mannen te hoeven denken. Khalas! Ik ben blij dat ik de waarheid eruit heb gegooid!’
Ook nu nog zou hij zoiets nooit kunnen zeggen. De waarheid was onzegbaar. In zijn eigen huis, ingericht als dat van een salonsocialist, te midden van zijn ‘designmeubels’, of in de allerhipste galerie van Gemmayzeh, waar hij de scepter zwaaide, ja zelfs in Café de Prague zou hij nog steeds niet kunnen zeggen hoe het zat. Wie zei dat de oorlog voorbij was, had makkelijk praten. Hij moest nog iedere dag zijn ‘positie’ verdedigen, zoals hij op vijftienjarige leeftijd het met zandzakken omringde checkpoint had moeten verdedigen, waar ze hem met een geweer in zijn kluiven hadden neergepoot. Sinds de dag dat hij de trainingen van de Kataeb in de bergen in het echte leven moest toepassen, sinds de dag dat hij met zijn geweer op wacht achter een stapel zandzakken moest staan, was datzelfde echte leven nooit meer opgehouden: een leven waarin hij zijn ‘positie’ moest verdedigen.
Het ergerde hem dat hij dankzij die Amerikaanse onnozele gans zo vroeg in de morgen weer naar de frontlinies van de burgeroorlog was teruggekeerd. En zoals altijd wanneer hij zich ergerde, begon hij aan zijn wenkbrauwen te frunniken. Hij kon de geur van toen weer ruiken. Vuil en angst, metaal en vocht... Maar hij realiseerde zich dat de stank die hij nu rook afkomstig was van de vuilnisbelt van Karantina in Noord-Beiroet, en kalmeerde wat. Van de verdieping boven hem kwamen geluiden van twee vrijende mensen.
Setanik ligt weer eens te rampetampen, die geile Armeense, foeterde hij inwendig. Hoe eerder die Amerikaanse meid wakker werd en vertrok, hoe beter. Vrouwen wilden altijd praten. Ook zij zou absoluut willen praten. Wat had hij toch een pesthekel aan al die buitenlanders die hier kwamen voor de verhalen en die, als ze erachter kwamen hoe complex die waren, zich in arren moede maar in het nachtleven stortten. Wat had die griet ook weer gezegd?
‘Ik ben een zwerver. Een dakloze van de moderne tijd. Het lijkt wel of Beiroet speciaal voor mij is neergezet! Hier is iedereen toch ook een soort van dakloos?’
‘Nou en of habibti, maar ik wil weleens zien hoe je erover denkt als deze klotestad jou bij de kladden grijpt, te grazen neemt en rondslingert tot je sterretjes ziet,’ had hij moeten zeggen, maar hij had ervoor gekozen te zeggen: ‘Ja hoor, we zijn hier allemaal net als jij, habibti.’ Hij zag de vrouw twee keer – één keer op bed en één keer in de spiegel die de hele wand achter het bed bedekte – en zijn maag draaide zich twee keer om. Hij wist nog steeds niet hoe ze heette.
‘Waar blijft die vent nou? Als hij opduikt terwijl die meid hier nog ligt...’ piekerde hij, en plukte weer aan zijn wenkbrauwen. Nadat Nasir die Filippijnse van mevrouw Zeynab met zijn taxi had opgepikt en meneer Hadi voor de zoveelste keer de kuierlatten had genomen, was de straat uitgestorven geweest. Hij zou die vrouw wegsturen zodra ze wakker werd.
Marwan verscheen in beeld beneden, met zijn handen vol plastic boodschappentassen. Een sinaasappelbloesemgeur bereikte Djans neus, alsof de sinaasappelboom alleen begon te geuren als de lucht in beweging werd gebracht wanneer iemand eronderdoor liep. Hij snoof de opstijgende geur aandachtig op, in een poging daarin iets van Marwans lichaamsgeur te onderscheiden.
Sabah al-kheir, Djan!’
De vrouw was wakker geworden. Djan verstijfde voor het raam alsof hij weer vijftien was, bij het controlepunt de wacht hield en via een gat in de versperring van zandzakken een kogel in zijn rug had gekregen. Als ze nu al met een gruwelijk radioachtig Amerikaans accent zo lief in het Arabisch begon, kon het weleens een lange ochtend worden. Hij frunnikte aan zijn wenkbrauwen en zei op kille toon in het Engels: ‘Goedemorgen.’
‘Debra!’
Shu?’
Op uiterst vriendelijke en geduldige toon moffelde ze haar naam in de begroeting die Djan van haar moest uitspreken: ‘Sabah-an-nur, Debra!’ Zwijgend draaide Djan zich weer naar het raam, naar Marwan. De stilte die viel, interpreteerde hij als een stilte waarin de vrouw zich afvroeg wat ze nu moest doen, waarin ze besloot door te gaan met haar vriendelijke spel en waarin ze enige vertwijfeling voelde over de mate waarin die tactiek nut zou hebben. Ze lag ongetwijfeld helemaal in de lakens gerold. Vroeg ze zich nu af of ze zich moest gedragen als in een Franse film? Ze draaide vast en zeker een film af in haar hoofd, dat deden alle vrouwen. Dat deden alle vertwijfelde mannen.
‘Hé? Wat doet die kerel nou? Shu yani?’
Ze had zelfs het gore lef om over zijn rug heen te komen hangen, zijn sigaret tussen zijn vingers uit te pakken en ook uit het raam te gaan leunen, die meid. Debra dus. Djan plukte aan zijn wenkbrauwen, en ging bij het raam vandaan. Hij wilde niet dat Marwan, als hij haar stem hoorde, naar boven zou kijken en hem zou zien: ‘Hij hangt brood in de Broodboom.’
Yani?’
Hij kon dat mens wel wurgen. Al die buitenlanders die woordjes uit hun kop hadden geleerd uit Engelstalige boeken over Beiroet en op basis van diezelfde boeken meenden dat die woordjes voldoende waren om zich in Beiroet mee te redden, tjonge, wat voelden die zich bijzonder. Yani, khalas, inshallah, habibi...
‘Zeg, Amber...’
Op het gezicht van de vrouw verscheen plots een klein meisje dat terstond overleed. Een universeel klein meisje, zonder accent. Onverhoeds werd Djan in een tijdmachine naar vroeger tijden overgebracht.
Ze waren met zijn drieën. Drie vrienden. Zestien jaar oud. Edward, Shadi en Djan. Drie jongens. Toen het oorlogsgeweld verhevigde, trokken veel families tijdelijk de bergen in. Ze zaten in het dorp Kur’a, hoog in de bergen. De Kataeb, de falangisten, hadden de haven van Beiroet in handen. In die haven werd van alles en nog wat verhandeld. ‘Je kunt er gitaren kopen. Zeker weten!’ Een van de broeders van de Kataeb in de haven had vast een fraaie gitaar voor ze! Op een mooie ochtend besloten ze erheen te gaan, om vijf uur in de morgen. De oorlog woedde als nooit tevoren. Was het 1975? Jazeker, het was 1975. Of 1976. Ze moesten en zouden een band oprichten. Hij was tot over zijn oren verliefd op Shadi, en maakte er daarom werk van om als een gek met een meisje te flirten. Hoe heette ze ook weer?
Om vijf uur die morgen kwam Edward opdagen maar Shadi niet. Ze zouden hun band nog wel No Name noemen. Maar geen Shadi dus. Sinds Djan Shadi in de City Palace had zien masturberen bij bepaalde scenes in een film met Anna Melita was hij al verliefd op hem.
Toen hij tegen Edward zei: ‘Ach, vergeet het maar, habibi, de Palestijnen schieten nu op de Kataeb in de haven. We mogen er toch niet in. Ik ga niet,’ moest Edward ongeveer net zo gekeken hebben.
‘Zeg, Amber...’
‘Niet Amber. Debra.’ Haar stem viel uiteen als bolletjes kwik uit een gebroken thermometer, die onder het meubilair rolden. ‘Sorry! Debra, ik moet naar mijn werk. Is het eventueel mogelijk...’
Terwijl hij doorpraatte, trok ze haar bh en onderbroek aan, het was duidelijk dat het haar al niet meer kon schelen hoe ze eruitzag voor hem. ‘Gisteren anders...’ mompelde ze op besluiteloze en verongelijkte toon. Kalm en precies, als een scherpschutter die vanaf zijn wachtpost van achter de zandzakken op een auto vuurt die voor een rood stoplicht staat, schoot Djan zijn antwoord af: ‘Welkom in Beiroet, Debra! Alles wat je hier ’s nachts achterlaat, ziet er de volgende ochtend heel anders uit!’
Met de deuren slaand ging ze weg, waarna hij weer uit het raam ging hangen en nog een sigaret opstak. Hij had er de pest in dat hij zo nodeloos wreed was geweest.
Hij moest denken aan de dag dat Shadi stierf. Hoe hij op de baar had gelegen tijdens de martelarenceremonie, in het gebouw van de Kataeb, met op zijn lichaam zijn kalasjnikov; aan de opluchting die hijzelf toen gevoeld had. Opgelucht omdat zijn geliefde was gestorven. ‘Weg met de Palestijnen die Libanon van ons willen afpakken, en weg met de vuile verraders die hen steunen!’ Zijn zonde, zijn schuld, de duistere afgrond van de liefde, was nu toegedekt door de oorlog. Sinds die dag, sinds zijn zestiende, gistte in zijn binnenste de wreedheid.

Terwijl Amber, of Debra, de steile straat af beende, keek Marwan haar natuurlijk likkebaardend na, met de zakken brood nog in zijn handen. De smeerlap. Kennelijk had ze hem gevraagd – Naar Hamra? Oké. Hoe je daarheen moet? ... Aha, een taxi? – hoe ze in godsnaam uit Ashrafiya weg moest komen, want hij zag hoe Marwan in de richting van de grote weg wees, terwijl hij haar ondertussen nog steeds met zijn ogen uitkleedde. Terwijl de vrouw met wapperende rokken de straat af rende, keek Marwan omhoog. Djan was betrapt voor het raam en wist zich geen houding te geven, dus maakte hij een hulpeloos gebaar en glimlachte daar per ongeluk even hulpeloos bij. Een ‘Sabah al-hayr’ verkruimelde in zijn mond. Marwan wierp hem als antwoord een intens vuile blik toe. Hij draaide zich om en begon de plastic tassen dicht te knopen, terwijl Djan snel bij het raam wegging en aan zijn wenkbrauwen plukte.
‘Die vuile Syriër is het nog niet vergeten, van die ene dag!’ siste hij voor zich uit. Hij zette een cd van Suad Massi op. Hij zou doen of er niets gebeurd was, zoals altijd.

 

© Nederlandse vertaling, 2013 Margreet Dorleijn / Uitgeverij Van Gennep, Nieuwezijds Voorburgwal 330, 1012 RW Amsterdam

Uitgeverij Van Gennep

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum