Leesfragment: Het laatste jaar

27 november 2015 , door Dirk van Weelden

Op woensdag 17 april wordt Dirk van Weeldens roman Het laatste Jaar gepresenteerd bij Athenaeum Boekhandel. Wij publiceren voor. ‘Politiek waren het paranoide tijden. Dat kwam Brent en David de strot uit. Ze wisten wel dat ze deel uitmaakten van dat wereldtoneel dat vooral verwarring, verveling en walging opriep, maar wat moesten ze ermee? Het beste wat ze konden bedenken was gezamenlijk dingen maken die ze goed vonden. Dus wat betekenden die Uitgeverij Vlug & Zeker, hun verbale jamsessies, die verhalen en opstellen in de faculteitskrant, de luchtmachtjassen en de graffiti?’

Dirk van Weelden (1957) is filosoof en schrijver. In 1987 debuteerde hij samen met Martin Bril met Arbeidsvitaminen. Het abc van Bril & Van Weelden. Zijn werk werd meermaals bekroond, onder andere met de Frans Kellendonkprijs. Het laatste jaar is zijn zevende roman en is gebaseerd op zijn vriendschap en samenwerking met Martin Bril (1959-2009).

Dirk van Weelden en Martin Bril, 1985.

Het laatste jaar (fragmenten)

David en Brent kwamen elkaar tegen in de late jaren zeventig. Twee slimme, nerveuze jongens, onzeker over hun verblijf op de universiteit (waar moest dat toe leiden?), maar gelijkgestemd in hun liefde voor literatuur, muziek en film. En hoe verschillend ze ook waren, ze hadden een gemeenschappelijk droombeeld, dat ze liever niet hardop benoemden: een schrijvend leven leiden. Hun vriendschap en samenwerking ontstonden in mijn geest, zou je kunnen zeggen. In de geest van de Olivetti Studio 44.
Dus als ik die kop van David zie, zo gretig als hij de beelden in zich opneemt waarin de kampioen ten onder gaat, dan weet ik dat hij denkt aan de luidruchtige pret die hij met Brent maakte als ze samen naar voetbal- en wielerwedstrijden keken. Aan hun liefde voor de vreemde schoonheid en mallotige tragiek die sport kan bieden, en natuurlijk aan Brent, zijn vriend, die op deze drukkende juniavond al meer dan een jaar onder een dikke grijze steen en een paar meter vochtige zwarte aarde ligt te vergaan.

Niet lang nadat ze elkaar hadden leren kennen, begonnen David en Brent elkaar regelmatig te zien. Een paar keer per week en altijd bij Brent thuis. David woonde in een studentenflat aan de rand van de stad, waar hij zich alleen 's nachts en 's avonds, verdiept in zijn boeken en schriften prettig voelde. De rest van de dag was hij in de stad. Brents kamer bevond zich boven een modelbouwwinkel in de binnenstad, aan het A-Kerkhof. Je liep vanaf de straat in een overdekte gang met aan weerszijden etalages. Alpendorpjes en zandwoestijnen, waarin goederentreintjes rondraasden en tanks van het Afrikakorps roerloos op Montgomery stonden te wachten. Boven dit alles bungelden plastic Spitfires en Heinkel-jachtbommenwerpers aan visdraad. Aan het eind van de gang was de ingang van de winkel. Haaks erop de brede deur van donker gelakt hardhout. Daarachter leidde een hoge steile trap naar een paar kamers, een keuken en een badkamer.
Brents kamer was smal en eigenlijk de samenvoeging van een stuk overloop en een achterkamer. Er was een raam dat zicht gaf op een dak met grind, blinde muren en schoorstenen. Bij Brent brandde altijd licht, zomer en winter. In die schemerige, slecht verwarmde kamer, tussen de gammele meubels uit een uitdragerij kwamen ze bij elkaar. Twee jonge gasten aan een tafel met een pot thee; ze aten er roggecrackers met margarine en hagelslag bij.

Tegenover anderen noemden ze hun bijeenkomsten vergaderingen. De gesprekken die ze hadden hoorden niet thuis in collegezalen of bibliotheken, maar ze hadden ook geen kans van slagen in kroegen en dancings. En dus zagen ze elkaar hier. Ze praatten met elkaar, zoals muzikanten samenspelen in een oefenruimte. Het waren verbale jamsessies.
Brent was langer en rijzig, met dun donkerblond haar, aan de lange kant, een brede mond en donkere wenkbrauwen. Grijsblauwe ogen, die meestal een afwachtende of licht verschrikte uitdrukking hadden. Hij was een introverte charmeur. Een opzichtig roker, zijn handen (ringen, een kettinkje met steentjes en kralen in felle kleuren om zijn pols) waren voortdurend in de weer met een pakje Gitanes zonder filter, een papieren pakje driekwart-zware Javaanse Jongens, Dr Duval-vloeipapier, een oude benzineaansteker en de as die dat alles opleverde.
David was een kop kleiner, en misschien nog iets magerder. Hij had een smal, gaaf gezicht (hij leek jonger dan de twintig jaar die hij was) en kort, donker haar. Hij had een gouden ringetje door zijn ene oorlel en een hardblauw plastic kinderhorloge om zijn pols. Geen roker, nooit geweest, niet vanwege het een of andere principe, maar uit instinct, uit angst. Een harde stem, een razendsnelle prater.
Brent zat rechtop. David voorover, de grote handen op tafel in het gelige lamplicht. Er stond een cassettebandje op dat David had gemaakt voor Brent. De deinende, dan weer springerige muziek van het Ornette Coleman Quartet, precies negentien jaar eerder opgenomen, in Brents geboortejaar. Kennerwel draaide zich om en wees op een van de boxen.
'Luister goed hoe die sax van Coleman gaat, na het thema. Bam! Zomaar linksaf! Het thema uit! Half zo snel, bas en drum gaan steady door, ondanks dat tegendraadse huppelritme. Hij zit inmiddels ook in heel andere akkoorden, hoor je? Dan die smartelijke uithaal... overal buiten... Hier pikt hij weer aan. Dan komt Cherry op zijn zaktrompet, vogelachtiger, kleinere streken, maar net zo goed valt er een hele wereld binnen, met gekke droevigheid en vreemde wezens. Het effect dat ik bedoel is dit: vanuit een stramien bedenkt iemand een nieuwe ruimte, vertrekt gewoon, pats, dwars op harmonie en beat. Vliegt weg.'
Brent deed zijn best het goed te vinden. En hij was ook wel geboeid, maar hij voelde zich geprest door David met zijn opgewonden uitleg. Laat hem nou maar alleen, in alle rust luisteren en uitzoeken wat hij ervan vindt. Waarschijnlijk: mooie en interessante muziek, uit een wereld van spannende mensen en goeie ideeen, maar ook te zenuwachtig en te onvoorspelbaar. Hij wilde muziek die hem troostend aanraakte, al was het maar gedachteloos, in het voorbijgaan, vanuit de achtergrond.

Daarna haalden ze mappen en woordenboeken tevoorschijn. Voor een bijdrage aan een tijdschrift dat David maakte met kunstenaarsvrienden in Amsterdam. Hij publiceerde er prozagedichten en teksten bij foto's. En samen met Brent vertaalde hij korte teksten van een Franse dadadandy uit de jaren twintig, Jacques Rigaut. Het was hun eerste samenwerking. Rond de onderkoeld wanhopige teksten van de Fransman ontsponnen zich hun eerste gesprekken over wat ze zelf zouden willen schrijven.
Ze waren jaloers op hun vrienden op de kunstacademie. In de kunst was een regelrechte revolutie gaande. Kunstenaars kraakten leegstaande kantoren en fabrieken en lieten er hun werk zien. En dat was niet het soort werk dat je in de keurige galeries of de musea zag. Het was wild en zondigde tegen alle intellectuele en esthetische regels van de gevestigde orde. Het amateurisme, de chaos, de muziekoptredens van woeste bands, de affiches, de rare kostuums en de uitvallende verlichting hoorden er allemaal bij.

David en Brent voelden zich verwant met het verlangen van de kunstenaars de kunst te bevrijden uit de houdgreep van deftige instituten, kunsttheorie en politiek gelul. Het idee was: maak eerst maar eens ruimte voor meer herrie, chaos, de straat, de voorlopigheid van haastig en intuitief gemaakt werk. Dan zouden ze wel verder zien. Eerst alle verbodsbepalingen van kunsttheoretische aard het raam uit.
Als kunst een manier van leven was, dan kon je een illegale radiozender of een groepsmaaltijd of een bandje ook bekijken als een kunstproject. Vooral de beeldhouwwerken en schilderijen werden daar stukken interessanter en menselijker van. De kunst van de toekomst werd niet door verheven inspiratie of kritisch discussierend, maar struikelend, samen, op de tast en met smerige handen gevonden. De jonge kunstenaars wilden zelf ontdekken wat beelden waren en hun mooie en kwade krachten onderzoeken, en daarbij was geen enkele stijl of techniek taboe, ook de oude, foute, gebrekkige en achterhaalde niet. De grootste blokken aan de benen van die jonge kunstenaars waren: goede smaak, goede bedoelingen, meesterwerken en sluitende theorieen.
In de letteren was een vergelijkbare opwinding en frisse wind ver te zoeken. In hun hart hoopten Brent en David de literaire bondgenoten van hun kunstenaarsvrienden te worden. Maar zover waren ze nog lang niet. Schrijven was ingewikkelder. Ze praatten over wat ze lazen, de films die ze zagen en de plannen die ze hadden. Ze lieten elkaar lezen wat ze schreven en draaiden de nieuwe muziek. Afwisselend was de sfeer balorig en ernstig; ze hadden het over hun twijfels en enthousiasme. Soms bereidden ze hun jamsessies voor en spraken ze af over welke boeken of films ze het zouden hebben, welk plan uitwerking verdiende. Dan namen ze de beraadslagingen op met een cassetterecorder. Passerende kennissen en andere pottenkijkers werden geweerd.
Zonder erbij stil te staan namen ze hun vergaderingen en samenwerking veel serieuzer dan hun studie. En soms was het bij het uitwerken van die bandjes even of er al wat zonlicht over hun toekomst streek.

'Melk in de koffie?'
'Ja, beter van wel.'
Brent stond op en leek even in de richting van de deur te lopen, naar de gang en de keuken om de melk warm te maken. Maar hij bedacht zich en draaide zich om met de plastic fles gesteriliseerde melk in de hand. Achteloos goot hij de halve fles leeg in het waterreservoir van het koffiezetapparaat en zette het aan. De glazen pot, half vol koffie, schoof hij onder de tuit. Ze keken gespannen toe.
Een paar seconden later begon de machine te proesten. Stoomwolken stegen op, de stank van verbrande melk verspreidde zich. De tuit gaf ziekelijk kleine beetjes melk op. Het stinken, stomen en sputteren werd erger. Brent trok vloekend de stekker uit het stopcontact en rende met het ding naar het raam. Het zette het buiten op het grinddak om het tot het bedaren te laten komen.
David liep rondjes om de tafel, schaterend, met af en toe een kakelende uithaal.
'Jezus, wat ongelooflijk stom! We dachten allebei echt even dat het kon lukken, toch?'
Tijdens het doorluchten van de kamer deden ze boodschappen in een kleine supermarkt om de hoek. In de opwinding stalen ze voorverpakte rauwe ham, omdat het een onbetaalbare delicatesse was en dit een bijzondere dag.

Een paar maanden na hun eerste vergaderingen richtten Brent en David een firma op: Uitgeverij Vlug & Zeker. Ze schreven een plechtig memo aan zichzelf waar ze de oprichting afkondigden en zetten hun handtekening onder de woorden De Direktie. In een kantoorboekhandel om de hoek bestelden ze een stempel en kochten ze er een correspondentiemap die als archief dienstdeed voor de brieven, memo's en publicaties. Het was een denkbeeldige firma, die geen startkapitaal had, geen duidelijk omschreven product en die geen cent winst ging opleveren. Hoe mallotig dat winkeltjespelen was, wisten ze maar al te goed. Maar dat maakte het juist zo leuk een overdreven zakelijk gestelde brief te sturen naar het faculteitsbestuur met de vraag of ze de zieltogende faculteitskrant konden overnemen.
Dat aanbod werd gretig aanvaard. Weinig studenten hadden zin onbetaald een krantje te maken met verslagen van bestuursvergaderingen, besluiten van de faculteitsraad, een lijst van bibliotheekaankopen en plannen van de onderwijscommissie. Brent en David deden het op voorwaarde dat ze er een katern achteraan mochten stencilen, met daarin hun eigen verhalen, opstellen, provocaties, cartoons, recensies van denkbeeldige boeken en films etc. Leuk, een gekraakt faculteitskrantje, maar een hoop werk. Het begon met het foutloos overtikken van alle kopij. Vervolgens maakten ze een zogenaamd moedervel van iedere afzonderlijke a4. Dat gebeurde op een apparaat dat de tekst van het origineel op een snel ronddraaiende rol inlas en even verderop omzette in een plastic vel waarin de letters waren gebrand als gaatjes. Dit proces was traag, het stonk als een oordeel en er kwamen giftige dampen bij vrij. Maar uiteindelijk leverde het een moedervel op. Dat werd op de stencilmachine gespannen. De inkt werd door honderden keren aan een grote zwengel te draaien door die gaatjes heen op een nieuwe stapel a4 gedrukt. Als er driehonderd exemplaren van iedere pagina waren, kon het rapen en nieten beginnen. Dat deden ze met een paar kennissen, urenlang heen en weer lopend langs de tafels in een collegezaal.

Op het filosofisch instituut werden ze met argwaan bekeken. Dat werd er niet beter op toen ze aankondigden het grootste kunstwerk te gaan bewaken dat de bibliotheek rijk was, onze Mona Lisa, noemden ze het in een flyer. Op een ochtend liepen ze de trap op, schouder aan schouder in lange jassen uit de dumpwinkel. Grijze gabardine, waarschijnlijk van de luchtmacht. Eronder droegen ze dofgrijze hemden van de opgeheven Bescherming Bevolking met bijpassende zwarte stropdas. Onder hun arm een goed gevulde broodtrommel. Ze pakten een stoel en gingen aan weerszijden van de plank zitten waar zich over de volle lengte van vijf meter de in blauw ddr-kunstleder gebonden Marx-Engels-Werke uitstrekten. Als museumsuppoosten bleven ze zitten. Er kwamen een paar nieuwsgierige en drie geergerde studenten op hen af. Scherpslijpers van de studentenvakbond. De bibliothecaris moest grinniken. Op een paar politiek getinte rotopmerkingen na verliep het hele plan vlekkeloos. Na de middagboterham haalden ze om de beurt een kop koffie bij de automaat en daarna marcheerden ze het pand weer uit. Eenmaal terug op de basis, bij Brent thuis, was de stemming uitgelaten en deden ze zich tegoed aan gebakken eieren met spek. Er mocht wel een biertje bij.

De week erop werd er in het faculteitsbestuur vergaderd over de vraag of men bij wijze van straf Brent en David een week de toegang tot het gebouw moest ontzeggen. Sommige docenten zagen in het duo een stel rechts-radicale provocateurs. Was er niet een heel dreigend interview in de faculteitskrant geplaatst met een anonymus over de aanschaf van een mes, oftewel een steekwapen? En die recensie van het denkbeeldige boek ging over de noodzaak van een nieuwe held voor deze tijd, die belichaamd zou worden door de heer Lech Walesa, nota bene een katholieke, rabiate anticommunist! Had Brent niet opeens zijn haar gemillimeterd als een skinhead? En de graffiti die rond en in het gebouw opdoken (Alle Macht dem Ganzen! en Terug naar de oude berijming!), waren die niet afkomstig van deze twee? Wat betekende dit allemaal?
Het was 1980, in Italie bevochten geheime diensten, fascistische cellen, de Rode Brigades en de carabinieri elkaar met bommen en mitrailleurs. Er werd massaal gejaagd op de moordenaars van Aldo Moro. In Duitsland waren de eerste leiders van de raf dood en begraven, maar de aanslagen en ontvoeringen gingen door. Er hing een loodzware crisissfeer waarin academici die verdacht werden sympathisant te zijn van de raf een Berufsverbot kregen opgelegd en van de universiteiten konden vertrekken. Hetzelfde lot trof leraren. In Amsterdam werden door krakers en ontevreden jeugd veldslagen geleverd met de politie. In Polen vond een volksopstand plaats en deed een vakbond het communistisch regime wankelen. In het Engeland van Margeret Thatcher woedden hevige rassenrellen in de grote steden en een regelrechte burgeroorlog tussen stakende mijnwerkers en de politie. De ira en de udf terroriseerden Noord-Ierland. De oorlog in Libanon legde Beirut in puin en in Iran was na een islamitische revolutie Khomeiny aan de macht gekomen. De nieuwe Amerikaanse president noemde de Sovjet-Unie het Rijk van het Kwaad en verhoogde de defensiebegroting. In de hele westerse wereld brak de werkloosheid iedere maand naoorlogse records.
Politiek waren het paranoide tijden. Dat kwam Brent en David de strot uit. Ze wisten wel dat ze deel uitmaakten van dat wereldtoneel dat vooral verwarring, verveling en walging opriep, maar wat moesten ze ermee? Het beste wat ze konden bedenken was gezamenlijk dingen maken die ze goed vonden. Dus wat betekenden die Uitgeverij Vlug & Zeker, hun verbale jamsessies, die verhalen en opstellen in de faculteitskrant, de luchtmachtjassen en de graffiti? Ik zeg dit: ze waren, in mijn geest, een team geworden.

© 2013 Dirk van Weelden, Uigeverij Atlas Contact
© auteursportret Merlijn Doomernik

Uitgeverij Atlas Contact

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum