Leesfragment: Het slachthuis

27 november 2015 , door Meindert Fennema

Op 21 augustus verschijnt Het slachthuis, het romandebuut van Meindert Fennema. 27 augustus wordt het boek bij De Balie gepresenteerd. Wij publiceren voor:

'Mijn vader had ooit een kroket gegeten, waarin een stuk wenkbrauw terecht was gekomen. "Het was net alsof ik in een snor hapte," zei hij. Hij had gezien hoe de kroketten gemaakt werden, daarom mochten wij ze niet eten. Om diezelfde reden aten wij ook nooit kaas die bij de boer thuis gemaakt was.' 

Jelle Feenstra speelt graag op het slachthuis waar zijn vader keurmeester is. De slachthal en de darmenwasserij hebben voor hem geen geheimen, bij de slachters voelt hij zich meer op zijn gemak dan thuis of op school. Als hij op het Openbaar Lyceum Schoneveld naar het gymnasium gaat wordt zijn moeder, Antonia, ongewenst zwanger. Het zusje, dat op aandringen van de vader Ramona wordt genoemd, wil bij haar moeder niet drinken en Jelle’s moeder stort zich in een depressie. Alleen Jelle’s vriendin Saskia kan haar nog bereiken.

Meindert Fennema (1946) studeerde sociologie aan de Universiteit van Utrecht (1969) en politicologie aan de Universiteit van Amsterdam (1973). In 1981 promoveerde Fennema met het proefschrift International Networks of Banks and Industry. In 2002 werd hij hoogleraar. Hij heeft vele wetenschappelijke publicaties op zijn naam staan op het gebied van anti-immigratie partijen, etnische organisaties en de economische elite. Fennema mengt zich tevens veel in het publieke debat met bijdragen op de opiniepagina's van landelijke dagbladen. 

Het slachthuis is Fennema's romandebuut. Het boek wordt op dinsdag 27 augustus gepresenteerd in De Balie.

2 De slachthal

Van de Bergwegschool op weg naar huis werd ik opgewacht door een groep jongens. Zij stonden op een veldje waar vaak gevoetbald werd en hadden stokken bij zich. ‘Hé kromme,’ schreeuwde de leider van de groep. Hij deed mij na door ook met zijn been te trekken. De andere jongens lachten. Ik deed alsof ik ze niet hoorde, maar dat hielp niet. Omdat ik bang werd ging ik nog slechter lopen, ik voelde mijn kuitspieren spannen en ik kon de hiel van mijn rechtervoet nu helemaal niet meer op de grond krijgen. Mijn rechterarm trok onwillekeurig naar boven. Nog meer gelach: de aanvoerder van de bende trok nu ook zijn arm omhoog en kwam hobbelend achter me aan. Ik zette het op een lopen. De jongens achter mij aan. ‘Hé krompoot!’
Gelukkig kon ik, voor iemand die slecht liep, hard rennen. Bij de joodse bakker, op de hoek van de Sumatralaan, was ik veilig; daar kon ik zo naar binnen lopen als het moest. Ze waren nu vlakbij en zwaaiden met hun stokken. Een van de jongens gooide zijn stok voor mijn voeten; ik struikelde en lag languit op het zwarte grind. Er ging een gejuich op. Ik durfde niet omhoog te kijken.
Op dat moment hoorde ik iemand roepen: ‘Durven jullie wel? Met z’n vijven tegen één?’
De jongen had een Indisch accent. Even was het stil maar toen begonnen de jongens te schreeuwen. ‘Houd je bek, blauwe!’ riep de een. ‘Ik trek je kop van je lijf, vieze plopper!’
De Indische jongen floot op zijn vingers.
Toen ik opgestaan was zag ik dat de jongen die mij gered had hulp kreeg van andere jongens. ‘Kijk uit,’ riep de leider van de groep, ‘die Molukkers hebben messen!’ Voor mij hadden ze nu geen belangstelling meer. Mijn knieën schrijnden, stukjes zwart grind zaten in het geschaafde vel. Een blinde woede welde in mij op.
Ik hoop dat ze ze doodsteken, dacht ik, en ik liep verder naar huis.

Thuis vroeg mijn moeder: ‘Hoe was het op school?’ ‘Goed,’ zei ik. Toen ze mijn knieën zag schrok ze: ‘Ben je weer gestruikeld? Je moet je voeten beter optillen.’ Met een pincet trok ze voorzichtig het gruis uit mijn vel. Daarna deed ze er jodium op.
Over de jongens zei ik niets. Ik wist toch al wat zij zou zeggen: ‘Daar moet je je niks van aantrekken: die jongens zijn niet goed wijs.’ Ik at mijn boterhammen en antwoordde op de vragen van mijn moeder. Nee, er waren geen overhoringen geweest en nee, ik had geen cijfers teruggekregen.
‘Ik ga vanmiddag naar het slachthuis,’ zei ik.
‘Alweer?’ zei mijn moeder. ‘Wat moet je daar toch? Waarom ga je niet eens met vrienden spelen?’
‘Ik ga bij de stallen kijken.’ Ik stond op en vertrok.

Het einde van onze straat ging over in een zandpad dat langs de achterkant van het slachthuis liep. Je kwam eerst langs de stallen. Daarna kwam je langs een hek dat op slot zat en alleen maar openging als er vrijbankvlees verkocht werd. Van een koe met tuberculose moest het vlees op het slachthuis gestoofd worden in een reusachtige oven met drie laden, die was afgesloten door een massieve gietijzeren deur met een handvat van een halve meter. Mijn vader noemde het apparaat ‘sterilisator’, maar de slachters noemden het ‘de braadslee’. Het stoven van een hele koe duurde wel vier uur. Daarna kon het vlees verkocht worden in het vrijbankwinkeltje aan de achterkant van het slachthuis.
Ik stond er graag bij als de slachters de ovendeur openden. Een heerlijke geur van gestoofd vlees trok door het vrijbankgebouw. Ze sneden voor mij een stuk van een bout. ‘Om te proeven.’ Het vlees was dan nog warm.

Er werkten geen vrouwen op het slachthuis; niet om schoon te maken, niet om de administratie te doen, zelfs niet om koffie te zetten. Dat deden de halknechten en de slachters zelf. Alleen bij mijn vader werd de koffie gebracht door de vrouw van de machinist, die aan de achterkant van mijn vaders kantoor in een dienstwoning woonde.
In zijn kantoor droeg mijn vader een smetteloos witte jas die rechtop stond van het stijfsel. Als hij vlees moest keuren trok hij een andere witte jas aan waar bloedspatten op zaten.
Mijn vader werd keurmeester genoemd, maar hij was eigenlijk hulpkeurmeester. De echte keurmeester was de directeur.
Het kantoorgebouw waar mijn vader zat stond los van het slachthuis en had een zware donkergroene voordeur met acht latten die twee aan twee een kruis vormden. De koperen deurknop werd niet gepoetst maar was door het gebruik toch glanzend. Een leren kussentje zorgde ervoor dat de deur niet dichtviel. In de donkere hal zag je twee deuren met een naambordje. De rechterdeur gaf toegang tot het kantoor van mijn vader, de linker was van de directeur. Zijn kantoor was niet veel groter dan dat van mijn vader, maar had een vloerkleed en dat maakte de kamer deftiger. De directeur kwam niet zo vaak en daardoor maakte zijn aanwezigheid extra indruk. Bovendien droeg hij een pak. Als de directeur in zijn kantoor zat wist iedereen dat. ‘De directeur is er,’ werd er dan gefluisterd.
Meneer Barreau was dierenarts; hij beschouwde het directeurschap van het openbaar slachthuis als een vorm van vroegpensioen. God wist, zei hij vaak, hoe hard hij gewerkt had toen hij nog een eigen praktijk had. En zijn vrouw ook, want die had de apotheek en de administratie gedaan, terwijl haar man bij nacht en ontij keizersneden uitvoerde of andere complicaties bij de geboorte van een kalf in goede banen leidde. Na al die jaren wilde de vrouw van de dierenarts haar man nu wel eens wat vaker zien en samen leuke dingen doen. Daarom ging de directeur, vóór hij op kantoor kwam, eerst met zijn vrouw paardrijden. Hij was er dus nooit voor tienen. En om drie uur ’s middags vertrok hij vaak weer om met zijn vrouw te gaan winkelen. Hij stak dan zijn hoofd om de deur van mijn vaders kantoor en zei: ‘Feenstra, jij redt het wel, nietwaar?’
Toen de directeur een keer van zijn paard was gevallen, was hij een hele maand niet op het slachthuis geweest, maar niemand had hem gemist.

Op kantoor had mijn vader een zilverkleurige pen van het merk Pelikan met vier verschillende kleuren inktpatronen, die beurtelings naar voren geschoven konden worden. In het kasboek dat op zijn bureau lag – op een onderlegger van groen vilt – gebruikte hij maar drie kleuren: blauw, rood en groen. Ik wist niet waarom hij dat deed en ik vroeg het hem ook niet: mijn vader kon erg lang van stof zijn.
Liever zwierf ik over het terrein van het slachthuis. De slagers reden via de oostelijke ingang het terrein op, langs mijn vaders kantoor, en parkeerden hun luxe auto’s van het merk Opel of Mercedes met aanhangwagen voor de ingang van het slachthuis. De grossiers kwamen vaak in grote vleeswagens via de westelijke ingang en droegen gele stofjassen.
Boven de ingang van het hoofdgebouw, die afgesloten werd door twee reusachtige schuifdeuren, stond met grote letters openbaar slachthuis. Als je door die ingang naar binnen liep, kwam je in een brede en hoge gang met rails aan het plafond, waar de geslachte koeien klaar hingen om opgehaald te worden. Zij waren vaak al in vier stukken gezaagd. Twee voorbouten en twee achterbouten. De meeste slagers kochten één bout die zij door een slachter in de aanhangwagen lieten tillen. Je moest de slachter die zo’n bout van de haak tilde en naar de auto droeg niet voor de voeten lopen.
Rechtsaf kwam je bij het vrieshuis waar de geslachte koeien die niet meteen waren verkocht werden opgehangen. In het vrieshuis was het meer dan 20 graden onder nul; daarom mocht ik er van mijn vader niet naar binnen. ‘Slecht voor je longen,’ waarschuwde hij, maar ik vermoedde dat er ook een andere reden was. De slachters vertelden dat er ooit een halknecht was achtergebleven in het vrieshuis, dat vanbuiten op slot was gedraaid.
Toen die halknecht de volgende dag niet op zijn werk kwam, vonden ze hem na lang zoeken doodgevroren in het vrieshuis. Ze hadden bijna twee dagen nodig om hem te ontdooien. ‘Dat krijg je ervan als een ambtenaar overwerkt,’ zou een grossier gezegd hebben. De slachters dachten dat iemand de halknecht met opzet opgesloten had.

Linksaf kwam je bij de varkenshal. De varkens werden vanuit de veewagens met een elektrische stok een steile opgang op gejaagd en kwamen op de eerste verdieping één voor één binnen, via een weegbrug die hun gewicht registreerde. Soms weigerde er een de weegbrug op te lopen en kwam dan vast te zitten tussen de weegbrug en de muur. Een elektrische stok, die de chauffeurs dan op de billen van het varken zette, zorgde voor een hels gekrijs, maar veel effect had het verder niet omdat het beest klem zat.
Daarna kwamen ze in een ruimte, waar ze met een reusachtige tang achter hun oren geëlektrocuteerd werden. Onmiddellijk daarna werden ze in een groot bad met kokend water gegooid zodat het haar op hun huid er gemakkelijk afgeschraapt kon worden. Pas dan werd de hals opengesneden en bloedde het nog warme varken snel leeg. Het bloed werd in een zinken trog opgevangen, voor de worst. Als de varkens opengesneden waren en opgehangen, werden de laatste resten van het haar met een brander weggeschroeid. Dat stonk.

Als je bij de ingang naar achteren doorliep, kwam je in de runderhal. Die hal had ook aan de achterkant deuren, waardoor de koeien levend naar binnen gebracht werden. Als er een koe van stal werd gehaald, glipte ik ongemerkt weg en liep in de richting van het gebouwtje waar het vrijbankvlees verkocht werd. Daar wachtte ik op het schot en pas na vijf minuten, die een eeuwigheid leken te duren, durfde ik weer naar binnen te gaan om te kijken hoe de koe gevild werd (‘uit zijn jas helpen,’ zeiden de slachters tegen mij).
Op een woensdagmiddag merkte ik niet dat de slachters een koe gingen halen. Plotseling verscheen een koeienkop in de deuropening. Het was te laat om nog ongezien weg te kunnen glippen. Ik was aan de grond genageld. De koe zette zich schrap. Zij rook de geur van bloed en zaagsel, van stront en ingewanden, en leek te voelen dat het einde nabij was.
Bart, die voorop liep, gaf een ruk aan de halster; en Kobus, die achter de koe liep, draaide haar staart in een knoop totdat de koe schokkend over de drempel van de slachthal stapte, op weg naar een plaats tussen twee voorgangsters. De linker was al tot karkas gesneden, de rechter hing nog met twee poten aan de lier. Op zijn slachtplaats aangekomen stond de koe stil en wachtte lijdzaam tot het schietmasker op haar kop gezet werd. Daarmee zou een stalen pen in haar voorhoofd geslagen worden.

Op het geluid van het schot stortte de koe neer en leek een fractie van een seconde verstijfd. Maar op het moment dat haar halsslagader opengesneden werd en het bloed in de zinken bak golfde, begon de koe met de poten te trappen, alsof er nog een weg terug was. De poten trapten wild in de lucht, terwijl het bloed uit haar lichaam vloeide. Ook de darmen liepen nu leeg en een zure lucht van koeienstront verspreidde zich door de slachthal.
Nadat de poten tot stilstand gekomen waren, stapte Bart op de koe toe, sloeg een haak achter de achillespees van de achterpoten en drukte op de knop van de elektrische lier. Langzaam trokken de kabels van de lier de achterkant van de koe omhoog. Zo bleef zij hangen, met de voorkant nog op de grond. In één haal sneed Bart met het mes door de huid van de buik, vanaf de nog steeds bloedende hals tot aan de uier.
Zwijgend werd de koe gevild door het scherp van de snede tussen huid en spieren te zetten en met langzame halen de huid los te snijden. Dit was vakwerk: er mocht geen vlees aan de huid blijven zitten, maar ook geen huid aan het vlees. Ook de kop werd gevild.
Mijn vader had ooit een kroket gegeten, waarin een stuk wenkbrauw terecht was gekomen. ‘Het was net alsof ik in een snor hapte,’ zei hij. Hij had gezien hoe de kroketten gemaakt werden, daarom mochten wij ze niet eten. Om diezelfde reden aten wij ook nooit kaas die bij de boer thuis gemaakt was. Mijn vader beweerde dat hij tussen Woerden en Gouda nog nooit een boerin gezien had die haar handen waste als ze naar de wc geweest was. Hij wekte de indruk dat hij een hoop dingen wel gezien had die hem ook niet bevielen.

© 2013 Meindert Fennema

MINDBOOKSATH : athenaeum