Leesfragment: Historiezucht

27 november 2015 , door Marita Mathijsen

23 oktober wordt Historiezucht. De obsessie met het verleden in de negentiende eeuw, het nieuwe boek van Marita Mathijsen, gepresenteerd. Wij publiceren voor. 'De geschiedenis werd gekraakt, bij wijze van spreken. Dat betekent dat ze naar gewenste modellen toegeschreven werd. Er is sprake van omvorming, zeker in de historische romans en in de dichtverhalen. Geschiedenis werd geschreven naar de behoefte en voor eigen gebruik. Dat gebruik zit vol tegenstrijdigheden. Terwijl de democratisering van de geschiedenis te danken is aan de denkbeelden van de Franse Revolutie, begon deze juist met het vernielen van de geschiedenis.'

Tot de negentiende eeuw was geschiedenis een voorrecht, een luxe voor geleerden en de elite. Rond 1800 veranderde dit: in heel Europa eigenden burgers zich de geschiedenis toe, waardoor de historische belangstelling explosief groeide. Monumenten werden opgericht, musea en bibliotheken openden hun deuren voor iedereen, er verschenen boekjes met prachtige illustraties, bij kunstschilders werden de Middeleeuwen favoriet en schrijvers ontdekten de historische roman. Historie werd een soort verslaving, een verlangen naar steeds meer geschiedenis.
In Historiezucht laat Marita Mathijsen zien hoe het verleden in de negentiende eeuw wordt gedemocratiseerd. In haar bekende persoonlijke en meeslepende stijl komt ze met provocerende inzichten, die aansporen tot nadenken over wat geschiedenis eigenlijk betekent, ook in het heden.

Marita Mathijsen is emeritus hoogleraar moderne Nederlandse letterkunde aan de UvA en is gespecialiseerd in de negentiende eeuw. Haar mentaliteitsstudie van die tijd, De gemaskerde eeuw, is een klassieker. 

Inleiding

Af en toe gooiden de boeren van Egmond wat lastige stenen aan de kant als ze de akkers omploegden. Soms braken de ploegen en gingen de boeren mopperend naar de smid om een nieuw ijzer of om de stukken te laten lassen. De stenen stapelden ze tot muurtjes, die de scheidingen tussen de velden aangaven. Het waren dikke, afgeronde stenen, die ook wel bruikbaar waren voor schuurtjes, waarin de boer en zijn paard konden schuilen als het regende. Tot er in 1858 een heer in de herberg kwam, met een map vol plattegronden, tekeningen en documenten. ‘Hier,’ zo wees hij de herbergier aan, ‘heeft het slot van Egmond gestaan.’ De herbergier keek hem stomverbaasd aan. Natuurlijk had daar het slot van Egmond gestaan. De ruïne van de Rentmeestertoren hadden ze nog steeds niet klein gekregen en de boeren die daar velden hadden, beklaagden zich over de grond die verkalkt was door het puin dat uit de ondergrond naar boven kwam. ‘Het lijkt wel rijzend deeg met luchtbellen daar,’ zei de herbergier, ‘altijd weer ploppen er stenen naar boven.’ Nu keek de gast verbaasd. ‘Staat die ruïne er nog? En de stenen liggen er nog?’ Hij sprak af de volgende dag met de herbergier erheen te lopen.
En zo kwam het dat veertien dagen later, op 15 november 1858, in de Duizend Kolommenzaal op de Oudezijds Voorburgwal in Amsterdam voor het Oudheidkundig Genootschap een voordracht gehouden werd door de historicus Willem Hofdijk over het kasteel van Egmond, waarvan hij de precieze locatie kon aanwijzen. Hij hield een vlammend betoog voor het behoud van de restanten. In de weken erna reisden geregeld leden van het genootschap naar Egmond. Soms op zondag met hun familie, maar ook wel door de week, met een gezelschap heren met hoge hoeden dat samen een koets genomen had vanaf Alkmaar. De boeren keken met kwade koppen toe hoe er over hun akkers gelopen werd en hoe er stenen van de muurtjes opgetild werden en met vergrootglazen bekeken. Soms leken de heren iets te ontdekken, een inscriptie, een oud teken. Ze praatten met de boeren, die langzaam smolten onder de aandacht. En zo brak de dag aan dat boer Hendrik Ras tegen zijn vrouw zei: ‘Die stenen op me veld, die benne nog van het kasteel van de heren van Egmond.’ De stenen benne nog van het kasteel van de heren. In die fictieve woorden ligt het historische omslagpunt. Wat een last was, werd een trots. Het was niet meer een zaak van enkel geleerden, maar ook de gewone man besefte dat er geschiedenis was. Toch duurde het nog tot in de twintigste eeuw voor de ruïnes blootgelegd werden. De oudste restanten dateren uit de twaalfde eeuw, en het kasteel werd een aantal keren verwoest en weer opgebouwd. De laatste verwoesting was van 1573, toen de geuzen op bevel van Willem van Oranje wilden voorkomen dat het in handen van de Spanjaarden zou vallen. In 1798 was het kasteel zo’n ruïne dat het verkocht werd voor de sloop. Alleen de Rentmeestertoren bleef nog een paar decennia staan, totdat ook die grotendeels afgebroken werd. De stenen werden hergebruikt. In 1933 kocht de provincie Noord-Holland het slot aan en koppelde er meteen een werkverschaffingsproject aan vast. Zo kwamen althans de fundamenten van het kasteel weer bloot te liggen.

Tussen 1750 en 1850 moeten er duizenden van zulke omslagmomenten zijn geweest in Europa. De mensen leefden tussen en met de geschiedenis, maar die had nog geen naam gekregen. Ze hoorde nog gewoon bij het leven van alledag. Tot er iemand kwam die wees op dat wat er aan het voorwerp, aan het gebouw kleefde. Het gewone ding werd een ‘ding van herinnering’. Een plat, materieel aanraakbaar ding kreeg een symbolische lading, soms van de ene op de andere dag. Een oude wandelstok werd ‘het stokske van Oldenbarnevelt’. Een beschadiging in een verweerde muur werd aangewezen als de plaats waar de kogel in de muur gegaan was nadat hij Willem van Oranje dodelijk verwond had. Aan de materie werd devotie toegekend. Het ding kon ook een landschap zijn. Hier vond de Slag bij Heiligerlee plaats, wees de vader zijn zoon, ofschoon er niets tastbaars was. Ook aan het landschap kon een historische lading gaan kleven, ook dat kon een lieu de mémoire of een ‘plaats van herinnering’ worden, zoals de gebruikelijke aanduiding is.
Het bijzondere is nu, dat dit aan het eind van de achttiende en het begin van de negentiende eeuw op grote schaal gebeurde, in heel Europa ongeveer in dezelfde tijd, en dat het verschijnsel massaal was. Het beperkte zich in eerste instantie wel tot geleerden, maar ging weldra grote groepen mensen beheersen. Het leek wel alsof er een epidemie was uitgebroken die iedereen besmette, en die via onvermoede kanalen overal haar besmettelijke bacillen naar binnen wist te dringen. Aandacht voor de geschiedenis werd internationale historiezucht, te vergelijken met een pandemie als cholera of roodvonk, die alle lagen van de bevolking treft en die zich via reizigers in alle landen verspreidt. Alleen is deze ziekte geen last maar een lust, waar de lijders aan verslaafd kunnen raken. Het is een genotsmiddel, zoals het roken – figuurlijk en letterlijk adembenemend. Zo is het ook met wie aan geschiedenis verslaafd raakt: ze is heerlijk, want fascinerend, maar ze laat de beoefenaar ook geen moment meer los – hij kan geen oud glas meer aanraken zonder zich af te vragen wie er misschien nog meer uit gedronken heeft.

Het verleden wordt in die tijd gedemocratiseerd. Niet alleen koningen hebben een verleden, ook de gewone burger heeft dat, en hij krijgt daar met de openstelling van allerlei media ook toegang toe. Dat is alweer een belangrijk omslagpunt: niet alleen raakt er aan de materie een verleden vastgeklonken, het besef daarvan wordt algemeen cultuurgoed. De gewone man is niet meer buitengesloten van het verleden. Hijzelf heeft een geschiedenis.
Ik wil laten zien hoe de gewone man toegang kreeg tot het verleden. Hoe hij door een combinatie van scholing en aanbod gewend raakte aan het verleden en hoe er een nationaal historisch besef ontstond. Hoe hij gratis entree kreeg tot allerlei aspecten van het verleden, en hoe drukpers, hogere burgerij en overheid samenspanden om de aandacht voor de geschiedenis gewoon te maken, alsof er een hoger belang mee gemoeid was. Het gaat daarbij niet om verdieping of specialisatie. Het voornaamste is, dat in de hoofden van de brede burgerij het besef gehamerd werd dat het verleden erbij hoort, dat het zoiets is als de dagelijkse maaltijd of het dagelijks gebed, dat het natuurlijk is en een integraal bestanddeel van het menselijk bestaan. Dieren kennen geen verleden, zeiden de geleerden in de negentiende eeuw. Het is typisch menselijk om geschiedenis te hebben.
Het gaat mij om dit proces van menselijke toe-eigening van geschiedenis. Ik wil laten zien hoe verzamelingen die eeuwenlang alleen voor de elite bestonden, toegankelijk werden voor de burgerij. Ik wil laten zien hoe die burgerij een eigen verleden toebedeeld kreeg. Door historici die minder dan voorheen de nadruk legden op de geschiedenissen van koningen en hun veldslagen en de historie van de burgerij gingen optekenen. Ik zal laten zien hoe het onderwijs zich op de geschiedenis stortte en hoe er door geleerden gespeurd werd naar restanten van het verleden. Taalkundigen speurden naar middeleeuwse manuscripten, historici wroetten in de bodem en werden archeologen. En vervolgens maakten die geleerden openbaar wat ze vonden, niet alleen in geleerde boeken, maar ook in toegankelijke verhalen, die ze publiceerden in boekjes voor het grote publiek. Daarbij schoten de schrijvers van literatuur te hulp. Zij schreven fascinerende verhalen op rijm of in proza over gebeurtenissen in het verleden. Die zijn half verzonnen, half echt, maar ze pretenderen altijd in elk geval de historische waarheid te geven, al zouden de feitelijkheden hier en daar wat verdoezeld zijn. De schrijvers creëerden de grote mythen. Michiel de Ruyter werd van een desperado die het gevaar opzocht een buitengewoon intelligente strateeg. Jan van Schaffelaar was geen vechtersbaas die een paar boerenkinkels om zich heen verzameld had, maar een ware held die zijn leven offerde aan het vaderland. Vondel werd voorgesteld als een genie en een stille lijder, terwijl hij ook gezien kan worden als een loser die zijn zoon zelf bedorven had in een verwende opvoeding. Rembrandt werd de tovenaar van het licht in plaats van een voortreffelijk ambachtsman. De Bataven waren geen woest ongeciviliseerd volkje uit het stenen tijdperk meer, maar een slim opererende stam die, lang voor de uitvinding ervan, het poldermodel al toepasten in hun samenwerking met de Romeinen, die zij vervolgens de baas werden door hun intelligente strategieën.

De geschiedenis werd gekraakt, bij wijze van spreken. Dat betekent dat ze naar gewenste modellen toegeschreven werd. Er is sprake van omvorming, zeker in de historische romans en in de dichtverhalen. Geschiedenis werd geschreven naar de behoefte en voor eigen gebruik. Dat gebruik zit vol tegenstrijdigheden. Terwijl de democratisering van de geschiedenis te danken is aan de denkbeelden van de Franse Revolutie, begon deze juist met het vernielen van de geschiedenis. De grafkelders van Franse koningen werden gesloopt en standbeelden werden omvergehaald. Dat gebeurde in Nederland ook toen de stadhouder weggejaagd werd en er een eind kwam aan het tijdperk van de mooie Republiek, waarmee Nederland zo had voorgelegen op andere landen. Er vonden vernielingen van grafstenen van stadhouders plaats. In kerken werden tegels gesloopt waarin namen van voorname heren gegraveerd waren, of de adellijke titels werden weggebeiteld. De namen van ’s-Hertogenbosch en ’s-Gravenhage waren taboe. De hertog en de graaf moesten uitgewist worden, dus voortaan heetten de steden Den Bosch en Den Haag. Iconoclasme, zoals de term is voor het vernietigen van symbooldragende beelden, vond niet alleen in de zestiende eeuw tijdens de Beeldenstorm plaats. Ook rond de Franse Revolutie richtte de volkswoede zich op symbolen van het oude verleden, en de bewindvoerders zelf vernielden systematisch wat te veel aan het oude regime deed denken. In Frankrijk en België werden kloosters en kerken leeggeplunderd, soms vernield, maar in elk geval onteigend. De macht van de koningen werd blijkbaar nog overtroffen door die van de kerk, en zij moest haar eigendommen afstaan. In Nederland waren de roomsen al in schuilkerken gevlucht en waren de meeste kloosters, in elk geval die in Noord-Nederland, al verbannen uit de stad, zodat de revolutie zich daar vooral op de stadhouder en zijn vazallen richtte. In Frankrijk ging men zover met het afzweren van de oude tijden, dat er zelfs een nieuwe kalender en een nieuwe tijdsindeling ingevoerd werden.
Toch zien we de nieuwe bewindvoerders ook teruggrijpen op de historische sjablonen. Er is een groot respect voor het verleden, zelfs onder de meest geheide revolutionairen. Vanaf het begin is men zich bewust nieuwe geschiedenis te schrijven, en daar wordt naartoe gewerkt. Dat geldt voor de Franse revolutionairen, maar ook voor hun geestverwanten elders in Europa, dat geldt voor Napoleon en voor degenen die na zijn val het bewind overnamen. Overal wordt de geschiedenis vernieuwd, het eigen korte verleden wordt op een voetstuk geplaatst en het ‘vroegere’ verleden wordt bijgesteld naar behoefte.


Vernieling van het standbeeld van Lodewijk XIV in 1792 in Parijs

Mijn these bij dit alles is dat de geschiedenis na de Franse Revolutie van iedereen werd, en dus van het privéterrein naar de openbare ruimte stapte. Geschiedenis was voorheen een voorrecht, een luxe voor de geleerden, de filosofen en de elite, en dat veranderde. Iedereen had recht op geschiedenis. Daarbij vielen de gewone mensen de schellen van de ogen, omdat de beschouwingswijze historisch werd. De connotatie van ‘oud’ kon van de ene op de andere dag veranderen van ‘versleten en dus waardeloos’ naar ‘historisch en dus kostbaar’, zoals bij de boer in Egmond. Dergelijke omslagen vonden plaats in heel Europa. De mensen die in de negentiende eeuw elke dag over de ruïnes van het oude Gravensteen in het centrum van Gent liepen, realiseerden zich niet dat dit historische grond was. Ze bouwden fabrieken in de ontvangstzalen, waar denderende stoommachines de stilte van de geschiedenis overstemden. Een deel van de burcht werd platgewalst en er werden woningen bovenop en tegenaan gebouwd. Tot men zich realiseerde dat het niet om oude gebouwen maar om een middeleeuwse burcht ging, en er een grootscheepse restauratie tot stand kwam. Zo kan het waardeloze van de ene op de andere dag waardevol worden, als men zich de historische oogopslag eigen gemaakt heeft.

De Franse Revolutie hielp bij de herschepping van het eigen verleden doordat er wetgeving kwam die archieven openstelde. Alle Franse burgers hadden het recht de ambtenarij te controleren, dus ze mochten ook archiefstukken inzien. Die openbaarmaking gebeurde op allerlei gebieden van de cultuur. Er kwamen grote, nationale bibliotheken die ook werkelijk toegankelijk werden voor de burgerij. Er werden musea gebouwd die het gewenste verleden lieten zien. In pantheons, ontleend aan de Klassieke Oudheid, kwamen beelden van nationale helden te staan, en het was de bedoeling dat de burgerij daar ’s zondags met de kinderen naartoe ging om de grote historische helden ingeprent te krijgen die ze zich als voorbeeld moesten stellen. Die toegankelijkheid voor het publiek is symptomatisch voor alles wat volgde. Wat dat betreft kan zonder enige twijfel van een paradigmawisseling gesproken worden die veroorzaakt is door de Franse Revolutie. Niet alleen in Frankrijk, maar in heel dat deel van de wereld dat viel onder de grote Europees-klassieke cultuur, zoals die via geleerdennetwerken, kerk en vorstenhuizen verspreid was.
In de voorbeelden van dit familiair worden van het verleden zal ik me meestal concentreren op de ontwikkeling daarvan in Nederland, maar ik plaats haar in een Europese context. Het gaat er mij om dat dit geen specifiek Nederlandse wending was, maar een algemene, waarbij moeilijk oorzaak, gevolg, beginpunt, beïnvloeding of navolging te onderscheiden zijn. Evenmin als we de wegen van de algemene historisering makkelijk op een plattegrond kunnen aantekenen, is het mogelijk een soort reisverslag van die ideeën te maken. Het is niet zo dat Jacob Grimm begon met het verzamelen van middeleeuwse manuscripten en dat die verzameldrift oversloeg op allerlei andere hele en halve geleerden. Het is ook niet zo dat er in Parijs voor het eerst een pantheon van nationale helden uit de geschiedenis gebouwd werd en dat vervolgens heel Europa een pantheon wilde. Het ging allemaal veel geleidelijker en er was veel voorgeschiedenis en veel wederzijdse beïnvloeding. Maar zoals een epidemie jarenlang kan sluimeren, terwijl de haard altijd aanwezig is, en dan opeens uitbreekt en vervolgens snel van het ene land naar het andere en terug haar besmetting uitbreidt en sommige streken overslaat, zo kan de historiezucht ook gezien worden als een verschijnsel dat vrij plotseling tot een uitbraak komt. En net als bij een epidemie heeft de uitbraak een blijvend gevolg – maar in dit geval kan het positief gewaardeerd worden.

 

© Marita Mathijsen

Uitgeverij   VanTilt

MINDBOOKSATH : athenaeum