Leesfragment: In mijn vreemde land. Berichten uit de gevangenis, 1944

27 november 2015 , door Hans Fallada

Vrijdag verscheen In mijn vreemde land. Berichten uit de gevangenis, 1944 van Hans Fallada (In meinem fremden Land, vertaald door Anne Folkertsma), wij publiceren een uitgebreid fragment. 'En in deze hoogst aangename ambiance kwam er opeens een opgewonden kelner binnenstormen die ons eraan herinnerde dat er naast onze volmaakt geordende, particuliere wereld nog een veel grotere buitenwereld bestond, waarin het er op dat moment zeer turbulent toeging. Met de uitroep: "De Rijksdag staat in brand! De Rijksdag staat in brand! De communisten hebben hem aangestoken!"'

In 1944 belandt Hans Fallada, nadat hij zijn echtgenote met een pistool heeft bedreigd, in de gevangenis. Het lijkt met hem gedaan: een alcoholist, een geestelijk en lichamelijk wrak, een auteur die niet meer tot schrijven in staat is. Maar juist hier, in dit 'dodenhuis', omgeven door moordenaars en zedendelinquenten en onder voortdurend toezicht van zijn bewakers, is schrijven zijn redding. Regel na regel schrijft hij zijn haat tegen de nazi's en de vernederingen van de afgelopen jaren van zich af. En zet daarmee zijn leven op het spel.

Fallada's openhartige herinneringen aan een turbulent leven en de terreur van de nazi's - stiekem en in minuscuul schrift opgetekend in de gevangenis - zijn kortgeleden ontcijferd en worden nu voor het eerst in Nederland gepubliceerd.

23-ix-44. Op een dag in januari [1933] zaten mijn brave uitgever R.[owohlt] en ik ’s avonds in Schlichters wijnlokaal in Berlijn aan een vrolijke dis. Onze wederhelften en een paar goede flessen Steinwijn hielden ons gezelschap. We waren, zoals het in de Schrift staat, vol goede wijn en deze keer was hij bij ons ook goed gevallen. Bij mij kon je daar niet altijd van op aan. Het was heel onvoorspelbaar welke uitwerking wijn op me had, meestal maakte hij me twistziek, betweterig en opschepperig. Maar die avond gebeurde dat niet en had hij me in een vrolijke, wat spotzieke bui gebracht, dus ik was het ideale gezelschap voor R., die onder invloed van alcohol altijd in een reusachtige, honderd kilo zware zuigeling verandert. Hij zat met een vuurrood gezicht aan tafel, terwijl de alcohol als het ware uit alle poriën van zijn lichaam leek te wasemen, een soort moloch, maar een tevreden, verzadigde moloch, terwijl ik mijn grappen en anekdotes ten beste gaf, waar zelfs mijn brave eega hartelijk om moest lachen, hoewel ze die verhaaltjes al minstens honderd keer had gehoord. R. had de toestand bereikt waarin zijn geweten hem weleens opdraagt ter vermaak van de gasten ook een duit in het zakje te doen: hij liet de kelner dan soms een sektglas brengen dat hij, op de steel na, stukje bij beetje met zijn tanden verbrijzelde en helemaal opat – zulks tot afschuw van de dames, die er niet over uit konden dat hij zich daarbij in het geheel niet sneed. Ik heb echter één keer meegemaakt dat R. bij deze haast kannibalistisch aandoende glasvreterij zijn meester vond. Hij liet een sektglas brengen en een stille, zachtmoedige heer uit het gezelschap deed het hem na. Rowohlt at het glas op, de heer ook. Rowohlt zei genietend: ‘Zo! Dat heeft me goedgedaan!’ Hij vouwde zijn handen op zijn buik en keek triomfantelijk in het rond toen de zachtmoedige heer hem aansprak. Hij wees op de kale glazen steel die voor R. stond. Verwijtend vroeg hij: ‘En de steel eet u niet op, meneer Rowohlt? Die is nu juist het lekkerst!’ Na deze woorden werkte de zachtmoedige heer hem onder onbedaarlijk gelach van het gezelschap naar binnen. R., die zijn triomf aan zijn neus voorbij zag gaan, was pisnijdig en heeft het zachtmoedige heerschap die nederlaag nooit vergeven! Overigens kon je je in R. ook lelijk vergissen; al was hij de allerzoetste zuigeling, die amper nog uit zijn samengeknepen ogen leek te kunnen kijken, hij was altijd helder van geest en vooral rekenen kon hij gruwelijk goed! Toen ik nog niet van die eigenschap op de hoogte was en wat krap bij kas zat, heb ik hem een keer in die zuigelingentoestand een loer proberen te draaien en een bijzonder gunstig contract met hem willen sluiten. Ik zie ons daar nog samen menukaarten volkalken met eindeloze kolommen cijfers. Uiteindelijk sloten we in een vrolijk benevelde staat ons contract en lachte ik in mijn vuistje omdat ik de sluwe zakenman eindelijk eens te slim af was geweest, maar het resultaat was natuurlijk dat hij mij en niet ik hem bij de neus had genomen, en niet zo’n beetje ook...! Rowohlt was zelf naderhand zo van het contract geschrokken dat hij me het grootste deel van zijn buit vrijwillig teruggaf.
Maar die avond kwam het niet tot glas eten noch tot zakendoen. Die avond voelden we ons aangenaam verzadigd. We hadden de heerlijke ijsgekoelde salades van Schlichter gegeten, zijn bouillabaisse, zijn boeuf stroganoff, zijn uitmuntende Hollandse oude kaas; behalve met wijn hadden we onze maag af en toe met wat frambozen-eau de vie verwarmd, en we keken nu naar de spiritusvlammetjes van onze vier koffiezetapparaatjes die onze mokka verwarmden, terwijl we af en toe nog bedaard maar intens genietend een mondjevol wijn namen. We hadden ook alle reden om tevreden te zijn met onszelf en onze prestaties. Wel lag het ‘wereldsucces’ van Der kleine Mann inmiddels achter ons, zoals alle wereldsuccessen direct weer worden afgelost door een nieuw, nog groter succes – ik weet niet meer of dat The Good Earth van Pearl Buck was of Gone with the Wind van Mitchell. Ik had sindsdien Wir hatten mal ein Kind geschreven, dat de lezers niet beviel, hoewel het mij als schrijver bijzonder goed beviel, en werkte op dat moment aan de Blechnapf. Misschien zou ook de Blechnapf geen nieuw wereldsucces worden, maar dat had zijn tijd, alles had zijn tijd. Het was de eenvoudigste zaak van de wereld om een wereldsucces te boeken, je hoefde het alleen maar te willen. Momenteel was ik met andere dingen bezig die me zeer interesseerden; als het me op een dag zou interesseren een wereldsucces te boeken, dan zou me dat geen enkele moeite kosten.
Rowohlt hoorde deze eerder beschonken dan serieus bedoelde ontboezemingen bijna als een gestaag knikkend pagodebeeldje aan en bevestigde mijn woorden af en toe met ‘Zo is het maar net’ en ‘Gelijk hebt u, vadertje’. Onze brave dames waren het een beetje beu geworden voortdurend aan de lippen van de beroemde schrijver en zijn beroemde uitgever te hangen en louter wijze woorden aan te horen, ze bespraken intussen kwesties van huishoudelijke en opvoedkundige aard en zaten op gedempte toon aan het andere eind van de tafel te smoezen. Langzaam vielen de eerste, zeer geurige druppels mokka in de kopjes onder de tuitjes... En in deze hoogst aangename ambiance kwam er opeens een opgewonden kelner binnenstormen die ons eraan herinnerde dat er naast onze volmaakt geordende, particuliere wereld nog een veel grotere buitenwereld bestond, waarin het er op dat moment zeer turbulent toeging. Met de uitroep: ‘De Rijksdag staat in brand! De Rijksdag staat in brand! De communisten hebben hem aangestoken!’ rende hij in het restaurant van vertrek naar vertrek. Dat wekte ons tot leven! We sprongen op, keken elkaar begrijpend aan en riepen om een kelner. ‘Ganymedes,’ riepen we naar deze volgeling van Lucullus. ‘Bestel onmiddellijk een taxi! We willen naar de Rijksdag! We willen G.[öring] helpen vuurtje stoken!’ Onze trouwe eega’s trokken wit weg van schrik. G. was geloof ik pas een paar dagen aan de macht en conc.kampen bestonden nog niet, maar de reputatie die de mannen die het roer in Duitsland hadden overgenomen [vooruitsnelde], was niet bepaald zo dat je ze voor zachtmoedige lammetjes kon verslijten. Nog altijd zie ik de verwarde, beangstigende en tegelijk bizarre situatie voor me: wij beiden, inmiddels in de ban van een ware furor teutonicus, elkaar diep in de ogen kijkend en tegen elkaar brullend dat we absoluut mee wilden doen met vuurtje stoken; onze van schrik wit weggetrokken vrouwen, die ons probeerden te sussen en ons in elk geval weg wilden hebben uit deze zaak, die de naam had met de n.’s te sympathiseren, en een kelner in de deuropening die vlug wat in zijn rekeningboekje schreef, naar wij door de opbeurende bijval aannamen: een samenvatting van onze manhaftige praatjes. Uiteindelijk is het onze vrouwen toch gelukt ons de deur uit, de straat op en een auto in te werken – ik neem aan onder het voorwendsel samen naar het brandende Rijksdaggebouw te gaan kijken. Maar daar reden we niet gezamenlijk naartoe, want eerst zetten we Rowohlt en zijn vrouw af bij hun appartement en daarna begon onze wagen aan de verre reis naar het oosten, waar ik destijds met mijn vrouw en ons toen nog enige zoontje in een dorpje aan de Spree woonde. De zachtmoedige woorden van mijn vrouw hadden me intussen dusdanig gekalmeerd dat ik in het voorbijgaan zonder zelf eni13 ge lust tot brandstichten te hebben naar de vurige, uit de koepel van de Rijksdag slaande vlammen kon kijken, dat onheilspellende vuurbaken dat het begin van de weg naar het Derde Rijk markeerde. Het was maar goed dat we die avond onze vrouwen bij ons hadden – anders was er die dag in januari 1933 een eind aan onze activiteiten en waarschijnlijk ook aan ons leven gekomen en was dit boek nooit geschreven. Ook de nijver noterende ober, die nog een paar nachten in onze dromen rondspookte, liet niets meer van zich horen: vermoedelijk had hij alleen snel de rekening voor zijn voltallig opbrekende gasten opgemaakt.

© Aufbau Verlag GmbH & Co. KG, Berlijn 2009
Nederlandse vertaling © 2013 Anne Folkertsma

Utgeverij Cossee

MINDBOOKSATH : athenaeum