Leesfragment: Jeugdherinneringen

27 november 2015 , door Maxim Gorki

Gisteren verscheen een nieuw deel in de Privédomein-reeks: Maxim Gorki's trilogie Jeugdherinneringen, vertaald door Peter Charles. Wij publiceren een uitgebreid fragment. 'In het benauwde, halfduistere vertrekje ligt onder het raam mijn vader op de grond, in het wit gekleed en onnatuurlijk lang, de tenen van zijn blote voeten op een vreemde manier samengetrokken, de ook al verkrampte vingers van zijn zachte handen vredig op de borst gevouwen, zijn vrolijke ogen geheel afgedekt door de zwarte cirkels van ronde koperen muntstukken, zijn goedhartige gelaat donker verkleurd en zijn tanden ontbloot in een schrikaanjagend lelijke grijns.'

Dit boek bevat de wereldberoemde trilogie waarin Alekséj (Aljosja) Maksimovítsj Pesjkov, beter bekend als Maxim Gorki, zijn eerste twintig levensjaren heeft opgetekend als een spannend verhaal. Als geen ander laat Gorki het Rusland van vóór de revolutie herleven, een beschaving die in 1917 volledig werd weggevaagd. In Kinderjaren ervaren we door de ogen van het kind Aljosja het rauwe milieu van kleine ambachtslieden, waarin wreedheid en tederheid, heidens volksgeloof en christendom hand in hand gaan. Hoewel Aljosja opgroeit in een mallemolen van dwaas en sadistisch gedrag, vlucht hij nooit in zelfbeklag.
Onder de mensen laat vervolgens zien hoe de veertienjarige Aljosja na de dood van zijn moeder in zijn onderhoud voorziet. Hij beproeft zijn geluk als loopjongen in een schoenenwinkel, bordenwasser op een stoomschip op de Wolga en als leerling in een iconenatelier.
In Mijn universiteiten lezen we over Aljosja's lotgevallen in Kazán. Als hij niet wordt toegelaten tot de universiteit brengt hij zijn tijd door te midden van havenarbeiders, klaplopers, hoeren en anarchisten. Het zijn deze verschoppelingen van de maatschappij die hem belangrijke levenslessen leren.
Gorki's liefde voor mensheid en natuur en zijn intense drang de gedragingen van de mens te willen begrijpen maken deze trilogie tot een tijdloos en ontroerend monument.

Kinderjaren

I

In het benauwde, halfduistere vertrekje ligt onder het raam mijn vader op de grond, in het wit gekleed en onnatuurlijk lang, de tenen van zijn blote voeten op een vreemde manier samengetrokken, de ook al verkrampte vingers van zijn zachte handen vredig op de borst gevouwen, zijn vrolijke ogen geheel afgedekt door de zwarte cirkels van ronde koperen muntstukken, zijn goedhartige gelaat donker verkleurd en zijn tanden ontbloot in een schrikaanjagend lelijke grijns.
Mijn moeder, slechts gekleed in een rode onderjurk, ligt op haar knieën en strijkt de lange, zachte haren van mijn vader naar achteren met hetzelfde zwarte kammetje waarmee ik het zo prachtig vond schillen van watermeloenen door te zagen. Mijn moeder praat aan één stuk door met een verstikte en hese stem, haar grijze, dik opgezette ogen lijken in grote, neerdruppelende tranen weg te smelten.
Ik word aan mijn hand vastgehouden door mijn grootmoeder, een kogelronde vrouw met een reusachtig hoofd, grote ogen en een clownesk dikke, sponsachtige neus. Ze is helemaal in het zwart, voelt prettig zacht aan en maakt dat ik mij aan één stuk over haar verbaas. Zij huilt zelf ook, op een ongewone manier, alsof ze met het verdriet van mijn moeder meehuilt, trilt daarbij over haar hele lijf en trekt me naar voren, duwt me in de richting van mijn vader. Ik stribbel tegen, verschuil me achter haar, ben bang en weet me geen raad.
Nog nooit had ik volwassen mensen zien huilen en ik begreep de woorden niet die mijn grootmoeder steeds maar herhaalde: ‘Neem nou afscheid van je papaatje, je zult hem nooit meer zien, dood is-ie, die lieveling; veel te vroeg van ons weggegaan, ver voor zijn tijd...’ Ik was pas heel erg ziek geweest* en kon maar net weer op mijn benen staan.Toen ik ziek was, en dat wist ik nog heel goed, kwam mijn vader voortdurend bij me om mij op te vrolijken en bezig te houden, tot hij opeens verdwenen was en mijn grootmoeder, die ik toen nog niet kende, voor hem in de plaats was gekomen.
‘Waar kom je vandaan en ben je komen lopen?’ vroeg ik haar.
Ze antwoordde: ‘Van boven**, uit Nízjni Nóvgorod. En niet lopend, maar met de boot, want over water kun je niet lopen, gekkie!’
Dat was grappig maar niet te snappen: boven ons woonden Perzen met geverfde baarden en in het souterrain woonde een oude, gelige Kalmuk, die schapenhuiden verkocht. Je kon langs de leuning van de trap naar beneden glijden of, als je viel, van de treden tuimelen, dat wist ik maar al te goed. Maar dat had toch niets met water te maken? Allemaal onzin en op een grappige manier verwarrend.
‘Waarom noem je me gekkie?’
‘Waarom zijn de bananen krom...’ antwoordde ze, ook lachend.
Ze sprak liefdevol, vrolijk en begrijpelijk.Vanaf de eerste dag waren we vrienden, maar nu wil ik dat ze zo snel mogelijk met me uit deze kamer weggaat.
Mijn moeder maakt me totaal van streek; door haar tranen en uitroepen onderga ik een onbekend gevoel, een gevoel van onzekerheid en angst. Nooit eerder heb ik haar zo gezien; altijd was ze streng, sprak ze weinig; proper was ze, met een gladde huid en stevig als een paard: een robuuste vrouw met ontzettend sterke handen.
En nu ziet ze er opgeblazen uit, verfomfaaid; alles aan haar is in wanorde: de haren, die altijd onberispelijk als een fraai kleurig hoedje op haar hoofd lagen, hangen gedeeltelijk los over haar blote schouder, vallen voor haar gezicht en de rest is samengevlochten in een vlecht, die heen en weer zwaait en soms ook het gezicht van mijn vader raakt. Een hele tijd sta ik nu al in die kamer, maar ze kijkt geen ogenblik naar me op; aan één stuk huilend, haar tranen opsnuivend, kamt ze mijn vaders haar.
In de deuropening staan in het zwart geklede mannen met een politieagent die naar binnen kijken. Geïrriteerd roept de laatste:
‘Haal hem hier als de drommel weg!’
Voor het raam hangt een donkere sjaal; de sjaal bolt op als een zeil. Mijn vader heeft me een keer meegenomen in een zeilbootje. Onverwachts klonk er een donderslag. Vader lachte, hield me stevig tussen zijn knieën en riep:
‘Niet bang zijn, angsthaas!’
Opeens schoot mijn moeder met haar zware lichaam overeind van de vloer, viel direct weer neer, draaide zich op haar rug, waarbij haar haren over de grond veegden: haar witte gezicht werd purperrood en met ontblote tanden, net als bij mijn vader, zei ze met angstaanjagende stem:
‘Deur op slot... Alekséj... eruit!’
Grootmoeder duwde me van zich af, wierp zich naar de deur en riep:
‘Beste mensen, maak je niet ongerust, blijf van haar af en ga om Christus’ wil hier weg! Het is geen cholera, de weeën zijn gekomen; alsjeblieft toch, goede lieden!’
Ik verborg me in een donker hoekje achter een kist en vandaar keek ik toe hoe mijn moeder krimpend van pijn, kreunend en tandenknarsend over de grond rolt, hoe grootmoeder om haar heen draait en liefkozend, opbeurend tegen haar praat:
‘In naam van de Vader en de Zoon! Volhouden, Varjóésja! Allerheiligste Moeder Gods, beschermster aller vrouwen...’
Ik sta vreselijke angsten uit; ze wentelen heen en weer over de vloer waar mijn vader ligt, stoten kermend en schreeuwend tegen hem aan en hij ligt daar doodstil en net alsof hij lacht. Het duurde heel lang, dit bewegen over de vloer; herhaaldelijk kwam mijn moeder overeind om opnieuw neer te vallen; grootmoeder rolde de kamer uit als een grote, zwarte, zachte bal; maar toen, opeens, klonk in het duister het huilen van een baby.
‘Heer, ik zeg U dank,’ zei grootmoeder. ‘Het is een jongen.’
En ze ontstak een kaars.
Ik ben waarschijnlijk in mijn hoekje in slaap gevallen, want ik herinner mij verder niets meer.
Het volgende beeld dat in mijn geheugen gegrift staat, is een regenachtige dag en een kale hoek op een kerkhof; ik sta met mijn voeten op een glibberige hoop kleverige aarde, starend in een kuil waarin de kist van mijn vader is neergelaten; op de bodem zie ik een laagje water en daarin zitten kikkers, twee ervan zijn al op het gelige deksel van de kist geklommen.
Om het graf heen staan grootmoeder, ik, een natgeregende politieagent en twee norse mannen met spaden. Allemaal in de lauwe regen, met druppeltjes zo fijn als pareltjes.
‘Dichtgooien,’ beval de politieagent en liep weg.
Grootmoeder begon te huilen, haar gezicht verborgen in een punt van haar hoofddoek. Met gebogen ruggen begonnen de mannen haastig aarde in het graf te gooien, waardoor het water opspatte. De kikkers sprongen van de kist af, probeerden omhoog te klimmen langs de wanden van de kuil, maar de neervallende aardkluiten veegden ze terug naar de bodem.
‘Achteruit, Ljónja,’ zei mijn grootmoeder en trok me aan mijn schouder; maar ik dook onder haar hand vandaan, ik wilde niet.
‘Het is me wat, o Heer,’ klaagde grootmoeder en het was onduidelijk of ze zich over mij dan wel over God beklaagde. Lange tijd bleef ze staan, zwijgend en met gebogen hoofd; de rand van het graf is al op gelijke hoogte met de grond en nog steeds staat ze daar.
De mannen sloegen met dof klinkende slagen van hun spaden de aarde boven het graf plat; de wind nam toe, verdreef de regen. Grootmoeder nam mij bij de hand en voerde me naar een kerk die in de verte lag, te midden van een heleboel donkere kruisen.
‘Waarom huil je nou niet?’ vroeg ze toen wij buiten de omheining stonden. ‘Je zou moeten huilen!’
‘Wil ik niet,’ zei ik.
‘Nou, als je niet wilt, dan hoeft het niet,’ zei ze rustig. Het was allemaal zo merkwaardig: ik huilde zelden en alleen als ik mij onheus behandeld voelde, nooit om pijn; vader lachte altijd om mijn tranen en moeder schreeuwde:
‘Heb niet het hart te gaan huilen!’
Daarna reden we in een rijtuigje over een brede en bijzonder smerige straat tussen donkerrode huizen door; ik vroeg grootmoeder:
‘Konden de kikkers er nog uit komen?’ ‘Nee, die konden er niet meer uit,’ antwoordde ze. ‘God hebbe hun ziel!’
Noch vader noch moeder sprak zo vaak en met zo’n innigheid de naam van God uit.

Een paar dagen later zat ik met grootmoeder en moeder op een boot in een kleine kajuit; mijn pasgeboren broertje Maksím was gestorven en lag op de tafel in de hoek, gewikkeld in een witte lap met een rood lint eromheen...
Te midden van dichtgeknoopte bundels en kisten heb ik een plaatsje gemaakt om door een bol rond raam te kunnen kijken dat op een paardenoog lijkt; achter het natte glas stroomt onafgebroken troebel, schuimend water dat soms, omhoog golvend, tegen het venster slaat. Onwillekeurig spring ik daarvan op de grond.
‘Niet bang zijn,’ zegt grootmoeder en tilt me zonder moeite met haar zachte armen op en zet mij terug op de hoop bundels.
Over het water hangt een grijze, vochtige nevel; ergens ver weg doemt donker land op dat weer verdwijnt in de mist en het water. De boot trilt en schudt. Alleen mijn moeder staat stevig en onbeweeglijk, de armen achter haar nek gevouwen, rechtop tegen de muur aan. Haar gezichtsuitdrukking is somber, hard en emotieloos, haar ogen zijn stijf gesloten en ze zwijgt. Ze lijkt een vreemde; het is net alsof ik haar nu voor het eerst zie en zelfs haar kleren herken ik niet.
Herhaaldelijk vraagt grootmoeder zachtjes:
‘Várja, moet je niet iets eten, een kleinigheidje of zo...?’
Ze zwijgt, staat roerloos. Grootmoeder fluistert als ze met mij praat; maar met moeder spreekt ze luider, op een voorzichtige, schuchtere toon, met weinig woorden. Het lijkt wel of ze bang is voor mijn moeder. Ik kan dat goed begrijpen en het versterkt mijn band met haar.
‘Sarátov!’ zegt moeder onverwacht luid en geërgerd. ‘Waar is de matroos?’
Zelfs de woorden die ze gebruikt zijn vreemd, als van een onbekende: ‘Sarátov, matroos...’
Een brede grijze man, in het blauw gekleed, komt binnen met een klein kistje. Grootmoeder pakt het kistje aan, neemt het lichaampje van mijn broertje op, legt het erin en met uitgestoken armen draagt ze het naar de deur, maar door haar lichaamsomvang kan ze alleen op haar zij door het nauwe deurtje van de kajuit heen en blijft ze er besluiteloos vóór staan, wat een komisch gezicht is.
‘Ach, mama!’ roept moeder en neemt het kistje over. Beiden verdwijnen en ik blijf in de kajuit achter en kijk de man in het blauw aan.
‘Zo, je broertje is heengegaan, hè?’ zei hij, zich naar mij toe buigend.
‘Wie ben jij?’
‘Een matroos.’
‘Sarátov, wie is dat?’
‘Dat is een stad. Als je door het raam kijkt, zie je het.’ Buiten bewoog de grond; donker, in een dampende nevel, dampte het als een afgesneden stuk brood dat net uit de oven komt.
‘En waar is grootmoeder heen?’
‘Haar kleinzoon begraven.’
‘Begraven ze hem in de grond?’
‘Hoe anders? Ze stoppen hem onder de aarde.’
Ik vertelde de matroos van de levend begraven kikkers bij de begrafenis van mijn vader.
Hij nam me in zijn armen, drukte me stevig tegen zich aan en gaf me een kus.
‘Ach, jochie, je weet nog niets van het leven!’ zei hij. ‘Met kikkers hoef je geen medelijden te hebben, het zijn maar dieren. Met je moeder moet je medelijden hebben, je ziet hoeveel verdriet ze heeft!’
Boven ons hoofd dreunde het, klonk een fluittoon.
Ik wist dat dit het geluid van de boot was en schrok er dus niet van, maar de matroos zette me haastig op de grond, rende weg en zei:
‘Ik moet er snel vandoor!’
Dat zou ik zelf ook wel willen, ervandoor gaan. Ik ging de deur uit. De halfdonkere spelonk van de gang was leeg. Iets voorbij de deur blonk het koperen beslag op de treden van een trappetje. Ik keek naar boven en zag mensen met plunjezakken en bundels in hun handen. Het was duidelijk dat iedereen van boord ging, dus moest het ook voor mij tijd zijn te vertrekken.
Maar toen ik midden in de menigte bij de reling van de boot stond, vlak bij de loopplanken naar de wal, begonnen ze allemaal naar me te schreeuwen:
‘Bij wie hoort díé daar? Met wie ben je?’
‘Weet ik niet.’
Lange tijd werd ik heen en weer geschud en geduwd, werd er in mijn zakken gevoeld.Tot de grijze matroos verscheen, mij vastpakte en verklaarde:
‘Dat is die van Ástrachan, uit de kajuit...’
Op een holletje bracht hij me terug, zette me op de stapel bagage en liep weg, dreigend met zijn vinger:
‘Pas op, of ik zal je krijgen!’
De geluiden boven mijn hoofd stierven weg, de boot stampte en trilde niet meer. Het zicht uit het raam van de kajuit werd afgeschermd door een natte muur; het was donker geworden, benauwd, de reiszakken leken op te zwellen, me te verstikken, alles was heel onplezierig geworden. Misschien lieten ze me voor altijd in mijn eentje achter op dit verlaten schip?
Ik liep naar de deur. De deur ging niet open, er zat geen beweging in de koperen deurkruk. Met een melkfles sloeg ik met al mijn kracht tegen de klink. De fles brak, de melk liep over mijn benen, druppelde in mijn laarzen.
Ontmoedigd door de mislukking ging ik zachtjes huilend op de bundels liggen, en zo viel ik in tranen in slaap. Toen ik wakker werd, stampte en trilde de boot opnieuw, en het raampje van de kajuit glansde als een zonnetje. Grootmoeder zat naast me, kamde met gefronst voorhoofd en in zichzelf mompelend haar haar. Ze had buitengewoon veel haar, dat dicht over haar schouders, borsten en knieën hing en over de grond viel: zwart haar met een blauwige gloed. Met één hand tilde ze het van de grond omhoog alsof ze het woog, met de andere haalde ze met moeite een kam met grove tanden door de dichte strengen. Haar lippen waren gekruld, haar donkere ogen schitterden boos; te midden van die massa haar zag haar gezicht er klein en komisch uit.
Ze leek vandaag uit haar humeur, maar toen ik vroeg waarom ze zulk lang haar had, zei ze met dezelfde warme en tedere stem als gisteren:
‘God heeft dit stellig als straf bedoeld, probeer dat ellendige haar maar eens te kammen. In mijn jonge jaren was ik trots op mijn haardos, op mijn oude dag verwens ik hem. Slaap jij nu maar! Het is nog vroeg. Het zonnetje is nog maar net na de nacht opgegaan...’
‘Ik wil niet meer slapen.’
‘Dan slaap je niet,’ stemde ze direct toe, terwijl ze een vlecht maakte en een blik wierp op de divan, waar mijn moeder op haar rug lag te slapen, gespannen als een snaar. ‘Waarom heb je gisteren die fles stukgeslagen? Zachtjes praten!’
Ze sprak haar woorden op een bijzondere, min of meer zangerige toon uit, waardoor ze makkelijk in mijn geheugen bleven hangen. Haar woorden waren als bloemen, net zo teder, fris en verkwikkend. Als ze glimlachte, verwijdden zich haar als kersen zo donkere pupillen, straalde daar een niet onder woorden te brengen zo weldadig licht uit, lieten zich vrolijk haar witte, sterke tanden zien, en ondanks de talloze rimpels in de donkere huid van haar wangen leek haar gezicht jeugdig en blijmoedig.
Haar sponsachtige neus met de rode punt en de gezwollen neusgaten stak daar lelijk bij af. Ze had de gewoonte tabak te snuiven uit een zwarte, met zilver ingelegde tabaksdoos. Vanuit haar innerlijk straalde ze, ondanks haar donkere huidskleur, met heel haar wezen een niet te doven vrolijk en warm licht uit. Haar rug was krom, bijna gebocheld, haar figuur bijzonder gevuld, maar ze bewoog zich soepel en licht als een grote kat en ze was net zo zacht en lief als zo’n dier kan zijn.
Het lijkt alsof ik, tot ik haar heb leren kennen, in het duister verborgen geslapen heb en door haar komst gewekt ben en naar het licht gebracht; mijn hele leefomgeving omwond zij met een onbreekbare draad, ze spon dat alles tot een bont kantwerk en onmiddellijk was ze mij voor het hele leven een kameraad, waren we zielsverwanten, was ze voor mij de meest dierbare mens ter wereld. Haar onzelfzuchtige liefde voor de mensheid heeft mij tot een beter wezen gemaakt en vervuld met de sterke kracht die het mij mogelijk heeft gemaakt het moeilijke leven, dat toen nog voor me lag, het hoofd te bieden.

[...]

* Oljósja heeft op driejarige leeftijd cholera gekregen en heeft zijn vader Maksím, die voor hem zorgde, aangestoken. Maksím stierf op eenendertigjarige leeftijd.
** Stroomopwaarts.

Copyright ©1970-1973, Maxim Gorki
Copyright Nederlandse vertaling ©2013 Peter Charles/bv Uitgeverij De Arbeiderspers

Uitgeverij De Arbeiderspers

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum